Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1468

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
15/00042 tm 15/00045
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:7358, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonbelasting. Bijtelling krachtens autokostenfictieregeling. Vergrijpboeten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/514
V-N 2016/28.5 met annotatie van Redactie
FutD 2016-0588
NTFR 2016/835
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

Nummers 15/00042 t/m 15/00045

uitspraakdatum: 23 februari 2016

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 december 2014, nummers AWB 14/2259 t/m AWB 14/2262, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almelo (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het kalenderjaar 2008 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: LB/PVV) opgelegd tot een bedrag van € 35.014. Voorts is daarbij bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 17.507 en is een beschikking heffingsrente vastgesteld van € 4.534.

1.2

Aan belanghebbende is over het kalenderjaar 2009 een naheffingsaanslag LB/PVV opgelegd tot een bedrag van € 29.748. Voorts is daarbij bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 10.685 en is een beschikking heffingsrente vastgesteld van € 2.866.

1.3

Aan belanghebbende is over het kalenderjaar 2010 een naheffingsaanslag LB/PVV opgelegd tot een bedrag van € 16.395. Voorts is daarbij bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 13.545 en is een beschikking heffingsrente vastgesteld van € 1.170.

1.4

Aan belanghebbende is over het kalenderjaar 2011 een naheffingsaanslag LB/PVV opgelegd tot een bedrag van € 14.389. Voorts is daarbij bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 12.729. en is een beschikking heffingsrente vastgesteld van € 640.

1.5

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft daarop bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag loonheffingen 2008 verminderd tot een bedrag van € 17.906, de daarmee samenhangende boetebeschikking en beschikking heffingsrente verminderd tot € 8.953 respectievelijk € 2.216 en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

1.6

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen inzake de boetebeschikkingen gegrond verklaard, de boetebeschikkingen voor 2008 en 2009 zoals deze na ambtshalve vermindering zijn vastgesteld gehandhaafd op € 4.875 (2008) en € 5.817 (2009), de boetebeschikkingen voor 2010 en 2011 verminderd tot respectievelijk € 6.375 en € 5.433 (de boete bedraagt daardoor voor alle opgelegde naheffingsaanslagen tezamen € 22.500) en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.

1.7

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.9

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2015 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] en [B] namens belanghebbende, alsmede drs. [C] en mr. [D] als gemachtigden. Namens de Inspecteur zijn verschenen drs. [E] en [F] .

1.10

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

De bedrijfsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit de bemiddeling bij het afsluiten van verzekeringen, hypotheken, kredieten, spaarproducten en beleggingen. [A] en [B] (broer en zus) zijn (middellijk) aandeelhouder van belanghebbende.

2.2

Belanghebbende heeft in de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2011 auto’s ter beschikking gesteld aan haar werknemers [G] (hierna: [G] ), [A] en [B] . Het gaat om de volgende personenauto’s.

Voertuig catalogusprijs werknemer periode

BMW ( [YY-YY-00] ) € 21.148 [G] 02-09-2008 tot 08-01-2009

Mini ( [00-YYY-0] ) € 20.542 [G] 08-01-2009 tot 03-03-2009

Mini ( [00-YYY-0] ) € 20.542 [B] 10-03-2009 tot 09-08-2011

BMW ( [00-YY-YY] ) € 63.152 [B] 01-01-2008 tot 10-03-2009

BMW ( [00-YY-XX] ) € 80.241 [A] 01-01-2008 tot 15-05-2008

BMW ( [00-XX-XX] ) € 81.576 [A] 15-05-2008 tot 13-10-2011

Audi ( [00-XXX-0] ) € 30.817 [B] 09-08-2011 tot 31-12-2011

BMW ( [01-YYY-1] ) € 77.152 [A] 13-10-2011 tot 31-12-2011

Porsche ( [01-XX-XX] ) € 161.353 B.K. en [B] 06-03-2009 tot 31-12-2009

De correctie met betrekking tot de Porsche is niet in geschil.

2.3

Op 9 juli 2012 is een boekenonderzoek aangevangen bij [H] Holding B.V., 100% aandeelhouder van belanghebbende. Het onderzoek was onder meer gericht op de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen voor de jaren 2008 tot en met 2011 voor zover dit ziet op de bijtelling privégebruik auto. Van dit onderzoek is met dagtekening 6 februari 2013 een rapport opgemaakt.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Het geschil spitst zich hierbij toe op de correcties privégebruik auto voor de aan [G] , [B] en [A] ter beschikking gestelde auto’s, anders dan de Porsche.

3.2

Belanghebbende beantwoordt bovenstaande vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vermindering van de naheffingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente en vernietiging van de boetebeschikkingen.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

[G]

4.1

Met betrekking tot het privégebruik van de aan [G] ter beschikking gestelde auto’s is tussen partijen niet in geschil dat tijdens het boekenonderzoek de kilometeradministraties zijn overgelegd aan de controlerend ambtenaar. Namens belanghebbende is ter zitting verklaard dat [G] de auto wel privé mocht gebruiken, mits dit incidenteel was en zij wekelijks een rittenstaat inleverde.

4.2

Het Hof heeft belanghebbende ter zitting het volgende voorgehouden. De rittenstaat van week 45 in 2008 eindigt met een kilometerstand van 195.608. Dit is ook de beginstand van week 46 in 2008. Daarna is er in week 45 een vergeten rit van 4 november 2008 bijgeschreven. Verder beginnen de rittenstaten van de weken 47 en 48 met dezelfde kilometerstand. Namens belanghebbende is hierop geantwoord dat wordt vermoed dat de rittenstaten door [G] zijn ingevuld aan de hand van het geheugen, haar agenda en klantdossiers en dat zij lichtvaardig met de kilometeradministratie is omgegaan.

4.3

Op grond van het bovenstaande acht het Hof het aannemelijk dat de rittenstaten door [G] achteraf zijn opgesteld. Gelet op hetgeen hierboven is vermeld en hetgeen door de Inspecteur overigens is gesteld, is zulks bijzonder onzorgvuldig geschied. Belanghebbende heeft voor deze onzorgvuldigheden geen andere verklaring kunnen geven dan dat [G] de rittenstaten lichtvaardig heeft ingevuld. Dit brengt naar het oordeel van het Hof mee dat, zelfs indien de rittenstaten met behulp van agenda’s en klantdossiers zouden zijn opgesteld, belanghebbende met deze rittenstaten niet overtuigend kan aantonen dat [G] op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometers privé heeft gereden in de aan haar door belanghebbende ter beschikking gestelde auto’s.

4.4

Met betrekking tot de boete heeft belanghebbende gesteld dat met [G] afspraken waren gemaakt omtrent de kilometeradministratie en dat de rittenstaten periodiek werden getoetst aan de hand van haar agenda en klantdossiers. Daarbij is nimmer een onzorgvuldigheid aan het licht gekomen. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat de rittenstaten niet voldoen aan de wettelijke vereisten en dat belanghebbende dit bij controle had moeten zien.

4.5

Op de Inspecteur rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat het aan grove schuld van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven met betrekking tot de aan [G] ter beschikking gestelde auto’s. Hetgeen de Inspecteur in dit verband heeft aangevoerd acht het Hof, gelet op hetgeen belanghebbende hiertegenover heeft gesteld, onvoldoende om grove schuld aannemelijk te achten. Tussen partijen is niet in geschil dat de rittenstaten bij het boekenonderzoek aanwezig waren en zijn overgelegd. [G] was toen niet meer in dienst bij belanghebbende. Verder is door belanghebbende onweersproken gesteld dat [G] wekelijks de rittenstaten bij belanghebbende inleverde. De Inspecteur heeft derhalve niet aannemelijk kunnen maken dat belanghebbende wist dat de rittenstaten door [G] achteraf werden opgesteld. De onzorgvuldigheden die hiervan het gevolg zijn acht het Hof verder niet van dien aard, dat deze bij een normale periodieke controle die van een werkgever mag worden verwacht aan het licht moesten komen.

4.6

Het bovenstaande brengt mee dat de Inspecteur met betrekking tot de correcties in verband met het privégebruik van de aan [G] ter beschikking gestelde auto’s ten onrechte vergrijpboetes heeft opgelegd. De nageheven belasting hierover bedraagt in 2008 € 1.745. Hierover is een boete opgelegd van 50%, derhalve € 873. De nageheven belasting hierover bedraagt in 2009 € 742. Hierover is een boete opgelegd van 50%, derhalve € 371. De boetes 2008 en 2009 dienen met deze bedragen te worden verminderd.

[B] en [A]

4.7

Ter zitting heeft [B] verklaard dat zij op dezelfde wijze een rittenadministratie heeft gevoerd als [A] . Er is verklaard dat de rittenadministraties, met uitzondering van een deel van 2010 toen RitAssist werd gebruikt, achteraf zijn opgesteld, omdat eerst tijdens het boekenonderzoek duidelijk werd aan welke eisen een kilometeradministratie moest voldoen. De Inspecteur heeft gewezen op verschillende onregelmatigheden in de rittenadministratie. De verklaring die hiervoor achteraf is gegeven is veelal dat halverwege de rit is omgekeerd wegens ziekte, wegens het afbellen van de klant of het niet doorgaan van een bijeenkomst. Het Hof merkt hieromtrent het volgende op. Allereerst zijn papieren agenda’s die deze verklaringen hadden kunnen staven tijdens een verhuizing weggegooid door medewerkers van belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof dient deze omstandigheid voor rekening en risico van belanghebbende te komen. Het Hof acht het verder niet aannemelijk dat [B] en [A] zich, soms na meerdere jaren, voldoende accuraat kunnen herinneren welke ritten voortijdig zijn afgebroken. In ieder geval had uit de achteraf opgestelde rittenadministratie moeten blijken dat de daarin opgenomen (beoogde) bestemming nimmer was bereikt, hetgeen niet is geschied. Het Hof acht de door belanghebbende gegeven verklaringen voor de onregelmatigheden niet aannemelijk. Het Hof acht het veeleer aannemelijk dat de onregelmatigheden waarop door de Inspecteur is gewezen duiden op tekortkomingen in de achteraf opgestelde rittenadministraties, die maken dat daarmee niet overtuigend kan worden aangetoond dat op kalenderjaarbasis niet meer dan 500 kilometers privé is gereden in de aan [B] en [A] door belanghebbende ter beschikking gestelde auto’s. De stelling van belanghebbende dat het door de drukke werkzaamheden van de werknemers niet te doen is alle kilometers precies bij te houden, leidt het Hof niet tot een ander oordeel.

4.8

Gelet op de leidinggevende positie van [B] en [A] moet, anders dan bij [G] , de kennis die zij hadden omtrent het bijhouden van de rittenadministratie direct worden toegerekend aan belanghebbende. Belanghebbende wist derhalve dat de rittenadministraties soms jaren later achteraf werden opgesteld terwijl belanghebbende had moeten weten dat deze werkwijze het nagenoeg onmogelijk zou maken om aan de verzwaarde bewijslast te voldoen, zeker als in ogenschouw wordt genomen dat onzorgvuldig wordt omgesprongen met informatiebronnen als papieren agenda’s. Gelet op het bovenstaande, acht het Hof het te wijten aan de grove schuld van belanghebbende dat te weinig loonheffing is afgedragen. Hetgeen belanghebbende heeft aangedragen acht het Hof onvoldoende om te komen tot een verdere vermindering van de boetes anders dan reeds is overwogen. Het Hof acht de boetes zoals weergegeven in het dictum passend en geboden.

Slotsom
Gelet op het in 4.6 overwogene is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuurskosten vast te stellen op 2 punten (1 punt voor zitting en hogerberoepschrift) maal € 496 per punt maal 1 (wegingsfactor) is € 992 aan kosten van door een derde verleende beroepsbijstand en € 63 voor reis- en verblijfkosten, totaal € 1.055.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze ziet op de boetebeschikkingen 2008 en 2009;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

  • -

    verklaart de beroepen inzake de boetebeschikkingen 2008 en 2009 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikkingen 2008 en 2009;

  • -

    verklaart de bezwaren inzake de boetebeschikkingen 2008 en 2009 gegrond;

  • -

    vermindert de boetebeschikking 2008 tot € 4.002 en de boetebeschikking 2009 tot € 5.446;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.055;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het in verband met het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht vergoedt à € 497 .

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 23 februari 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 25 februari 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.