Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1431

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
200.089.253/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afstorting pensioen door de holding. Vrouw heeft teveel ontvangen en wordt veroordeeld tot terugbetaling daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2016/65
PFR-Updates.nl 2016-0054
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.089.253/01

beschikking van de familiekamer van 18 februari 2016

inzake

[de man] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. T. Bijlsma, kantoorhoudende te Heerenveen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudende te Leeuwarden.

De inhoud van de tussenbeschikking van 2 juni 2015 wordt hier overgenomen.

1 Het verdere procesverloop

1.1

Na de tussenbeschikking zijn binnengekomen bij het hof:

- een nadere uitlating van de deskundige van 17 augustus 2015;

- een journaalbericht van 14 september 2015 van mr. Van Dalen;

- een journaalbericht van 25 september 2015 met bijlagen, waaronder een akte tevens wijziging/aanvulling van eis, van mr. Bijlsma;

- een journaalbericht met bijlage van 19 oktober 2015 van mr. Van Dalen.

1.2

Wegens defungeren van mr. G.K. Schipmölder wordt deze beschikking mede gegeven door mr. G. Jonkman.

2 De verdere beoordeling

2.1

De deskundige heeft in zijn nadere uitlating van 17 augustus 2015 te kennen gegeven dat hij van mening blijft dat er sprake is van conversie in de zin van artikel 5 WVPS. Iedere andere afspraak dan een verevening op grond van de WVPS dient volgens de deskundige te worden bezien als een conversie. Partijen zijn in overleg omtrent een schriftelijke overeenkomst met het oog op scheiding inzake pensioen, waarbij de B.V. van de man het betrokken uitvoeringsorgaan is, aldus de deskundige. Het overleg heeft niet tot overeenstemming geleid, waardoor het hof uitsluitsel dient te geven.

De deskundige blijft van mening dat de vrouw aanspraak had kunnen maken op de helft van het beschikbare kapitaal, ervan uitgaande dat partijen een verdeelsleutel van 50 % voor beide partijen zijn overeengekomen. De deskundige heeft zijn conclusie onder meer gebaseerd op het uitgangspunt dat een verdeling van de waarde van de onderneming in zijn geheel is overeengekomen, op het feit dat niet meer op de eerdere waardering van de aandelen kan worden teruggekomen en dat partijen hebben beoogd de aanwezige pensioenvoorziening eerlijk te verdelen.

Indien het hof niet uitgaat van conversie in de zin van artikel 5 WVPS, kan de deskundige zich vinden in de rekenkundige benadering van het hof zoals blijkt uit de beschikking van 2 juni 2015, waarbij de vrouw een bedrag van € 143.093,- toekomt.

2.2

Bij journaalbericht van 14 september 2015 heeft de vrouw aangegeven dat zij haar eerdere stelling handhaaft en dat zij verder - in dit stadium van de procedure - niets heeft toe te voegen aan de reeds gevoerde discussie.

2.3

Bij journaalbericht van 25 september 2015, met als bijlage onder andere een akte tevens wijziging/aanvulling van eis, heeft de man onder verwijzing naar een brief van 10 september 2015 van de door hem geraadpleegde pensioendeskundige mr. [C] het volgende aangevoerd.

Ingeval sprake is van verevening op grond van de WVPS, had de vrouw een bedrag van
€ 143.093,- moeten ontvangen. Dit bedrag had de vrouw dienen aan te wenden voor de aankoop van ouderdomspensioen op het leven van de man, uit te keren aan de vrouw wanneer de man de leeftijd van 65 bereikt, waarbij de man de uitkering ontvangt op het moment dat de vrouw voor de man komt te overlijden, alsmede voor de aankoop van een nabestaandenpensioen, uit te keren aan de vrouw op het moment dat de man overlijdt voor, op of na zijn 65e jaar. Nu de vrouw een polis heeft aangeschaft voor de aankoop van een ouderdomspensioen, enkel op haar leven, zonder nabestaandenpensioen, is de man van mening dat haar bedoeling klaarblijkelijk conversie is en dat er ook daadwerkelijk sprake is geweest van conversie. Ingeval van conversie heeft de vrouw recht op de helft van
€ 230.000,-, derhalve € 115.000,-. Dit komt overeen met de afspraak in het proces-verbaal van 11 juni 2008. Uit dat proces-verbaal volgt dat de pensioenuitvoerder [D] B.V. akkoord gaat met een dergelijke conversie.

Volgens de man dient de vrouw, uitgaande van conversie, haar polis te behouden en een bedrag van (€ 243.748,- - € 115.000,- is) € 128.748,-, te vermeerderen met rente, terug te betalen aan de pensioenuitvoerder [D] B.V.

Voor zover het hof bij de overweging blijft dat sprake is van verevening, stelt de man zich op het standpunt dat het pensioen op het leven van de man dient te blijven staan, waarbij de vrouw recht heeft op een deel van het pensioen, te weten de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde bedrag. Ook heeft de vrouw (een voorwaardelijk) recht op nabestaandenpensioen bij overlijden van de man voor, op of na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Daarnaast heeft de man er recht op dat het aan de vrouw toekomende voorwaardelijk deel van het (nog resterende) pensioen en het opgebouwde nabestaandenpensioen aan hem terugvalt in het geval de vrouw eerder komt te overlijden dan de man.

De vrouw dient, uitgaande van verevening, aan de pensioenuitvoerder [D] B.V. een bedrag van € 100.656,-, te vermeerderen met rente, terug te betalen, waarbij zij de polis dient te veranderen in een polis op het leven van de man. In de polis dient te worden opgenomen dat wanneer de man overlijdt voor, op of na zijn 65e de vrouw een nabestaandenpensioen ontvangt, en wanneer de man de leeftijd van 65 jaar bereikt de vrouw een ouderdomspensioen ontvangt. Tevens dient te zijn opgenomen dat wanneer de vrouw overlijdt, de man het ouderdomspensioen ontvangt.

De man wenst zijn verzoek ter zake de verdeling van het door de man in eigen beheer opgebouwde pensioen en de terugbetaling door de vrouw van hetgeen zij in dat kader teveel heeft ontvangen, gelet op het voorgaande, als volgt te wijzigen:

" Primair:

De vrouw te veroordelen aan [D] B.V. een bedrag ter hoogte van € 128.748,- terug te betalen te vermeerderen met de (wettelijke) rente dan wel de door de vrouw over dat bedrag ontvangen rente, gerekend vanaf mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Subsidiair:

1. de vrouw te veroordelen aan [D] B.V. een bedrag ter hoogte van
€ 100.656,- terug te betalen te vermeerderen met de (wettelijke) rente, dan wel de door de vrouw over dat bedrag ontvangen rente, gerekend vanaf mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. te bepalen dat de vrouw een nieuwe pensioenpolis afsluit op het leven van de man, waarbij een verevend ouderdomspensioen ten behoeve van de vrouw wordt aangeschaft voor een bedrag groot € 86.907,-, te vermeerderen met de (wettelijke) rente dan wel de door de vrouw over dat bedrag ontvangen rente, gerekend vanaf mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, en waarbij een bijzonder partnerpensioen wordt aangeschaft voor een bedrag groot € 56.186,- te vermeerderen met de (wettelijke) rente dan wel de door de vrouw over dat bedrag ontvangen rente, gerekend vanaf mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, en waarbij in de polis dient te worden opgenomen dat wanneer de man overlijdt voor, op of na zijn 65e aan de vrouw een bijzonder partnerpensioen wordt uitgekeerd, dat wanneer de man de leeftijd van 65 jaar bereikt aan de vrouw een ouderdomspensioen wordt uitgekeerd en dat wanneer de vrouw eerder overlijdt dan de man, aan de man het (resterende deel van het) ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen wordt uitgekeerd."

2.4

Bij journaalbericht met bijlage van 19 oktober 2015 heeft de vrouw aangegeven dat zij het in strijd acht met de goede procesorde dat de man een eigen "deskundige" inschakelt om een eerder door het hof gegeven eindbeslissing ter discussie te stellen. Tevens voert zij aan dat op de eindbeslissing van het hof dat er geen sprake is van conversie slechts kan worden teruggekomen in geval van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de betreffende beslissing blijkt te rusten op een niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen onjuiste feitelijke grondslag, waarvan in deze geen sprake is. Indien het hof anders oordeelt, verzoekt zij het hof haar in de gelegenheid te stellen om uitgebreid te reageren op hetgeen mevrouw mr. [C] in haar brief van 10 september 2015 naar voren heeft gebracht.

De vrouw verzoekt het hof om de man nogmaals op te dragen de getekende pensioenbrief in het geding te brengen, nu de man dat tot op heden heeft nagelaten.

Ten aanzien van de wijziging van het verzoek

2.5

Zowel de verbetering van het verzoek in hoger beroep als de aanvulling van de grondslag daarvan is ingevolge het bepaalde van artikel 283 Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), dat op grond van artikel 362 Rv van overeenkomstige toepassing is in hoger beroep, toegestaan zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven. In geval van verandering of vermeerdering is door de opgenomen verwijzing ook artikel 130 Rv van toepassing en dat brengt mee dat een verandering of vermeerdering buiten beschouwing kan worden gelaten op de grond dat deze in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Nu de vrouw niet onredelijk is bemoeilijkt in de mogelijkheid verweer te voeren, zal het hof beslissen naar het gewijzigde verzoek.

Ten aanzien van de terugvordering van hetgeen teveel betaald is terzake van de pensioenvoorziening

2.6

De vrouw heeft het hof verzocht de man op te dragen de getekende pensioenbrief alsnog in het geding te brengen, nu de man enkel een pensioenbrief heeft ingebracht die niet is ondertekend. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding, zodat het hof haar verzoek zal afwijzen.

2.7

Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat het raadplegen van een deskundige door de man in strijd is met de goede procesorde, volgt het hof haar daarin niet. Het hof is van oordeel dat het de man vrij staat zijn stelling te onderbouwen met een advies van een door hem benaderde deskundige.

2.8

De man heeft onder meer gesteld dat, anders dan het hof in de beschikking van 2 juni 2015 heeft geoordeeld, conversie klaarblijkelijk de bedoeling van de vrouw is en dat hiervan ook daadwerkelijk sprake is geweest, nu de vrouw een polis heeft aangeschaft voor de aankoop van een ouderdomspensioen, enkel op haar leven, zonder nabestaandenpensioen. Volgens de man heeft de vrouw ingeval van conversie recht op de helft van € 230.000,-, derhalve € 115.000,-, hetgeen overeenkomt met de afspraak in het proces-verbaal van 11 juni 2008. De man is van mening dat uit dit proces-verbaal blijkt dat de pensioenuitvoerder [D] B.V. akkoord is gegaan met een dergelijke conversie.

2.9

De vrouw heeft naar aanleiding hiervan betoogd dat, voor zover de man heeft bepleit dat het hof alsnog uitgaat van conversie, het het hof niet is toegestaan terug te komen op de in de beschikking van 2 juni 2015 gegeven eindbeslissing dat er geen sprake is van conversie.

2.10

Uitgangspunt krachtens vaste rechtspraak is dat een rechter die in een tussenuitspraak een eindbeslissing heeft gegeven daarop in beginsel in een latere uitspraak niet meer terugkomt. Indien bijzondere omstandigheden gebondenheid daaraan van de rechter onaanvaardbaar maken, onder meer in het geval van een evidente feitelijke of juridische misslag van de rechter of indien de beslissing blijkt te berusten op een niet aan partijen toe te rekenen onjuiste feitelijke grondslag, dan is de rechter bevoegd om, nadat partijen zich daarover hebben mogen uitlaten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing.

2.11

Anders dan de man heeft gesteld, is het hof van oordeel dat geen sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag. Evenmin is gebleken dat de in r.o. 2.8 van de beschikking van 2 juni 2015 gegeven beslissing blijkt te berusten op een niet aan partijen toe te rekenen onjuiste feitelijke grondslag.

2.12

Voor zover de man zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van conversie, nu de vrouw ingeval van conversie recht heeft op de helft van € 230.000,-, derhalve € 115.000,- en dit overeenkomt met de afspraak in het proces-verbaal van 11 juni 2008, gaat het hof hieraan voorbij. Niet de hoogte van het bedrag bepaalt of er al dan niet sprake is van conversie.

2.13

De omstandigheid dat de vrouw een polis heeft aangeschaft voor de aankoop van een ouderdomspensioen, enkel op haar leven, zonder nabestaandenpensioen, maakt - anders dan de man heeft aangevoerd - evenmin dat de vrouw heeft gekozen voor conversie en dat er ook daadwerkelijk sprake is geweest van conversie.

2.14

Nu het hof bij zijn beslissing blijft dat er geen sprake is van conversie in de zin van artikel 5 WVPS, is niet in geschil dat de vrouw een bedrag van
€ 143.093,- (bruto) had moeten ontvangen - de helft van € 173.814,- (bruto) aan ouderdomspensioen, en € 56.186,- (bruto) aan bijzonder partnerpensioen - en dat zij ter zake een bedrag van € 100.656,- (bruto) dient terug te betalen. Het hof is van oordeel dat dit bedrag aan [D] B.V. dient te worden voldaan, mede gelet op het feit dat [D] B.V. dit bedrag ook aan de vrouw heeft uitgekeerd. Voor de wijze van betaling verwijst het hof naar wat hierna in rechtsoverweging 2.36 wordt overwogen.

2.15

De man heeft aangevoerd dat de vrouw voor het bedrag van € 143.093,- een verzekering had moeten aankopen op het leven van de man voor de aankoop van een ouderdomspensioen, uit te keren aan de vrouw wanneer de man de leeftijd van 65 bereikt, en een nabestaandenpensioen op het moment dat de man overlijdt voor, op of na zijn 65e jaar.

De man is van mening dat de vrouw de polis dient te veranderen in een polis op het leven van de man. In de polis dient te worden opgenomen dat wanneer de man overlijdt voor, op of na zijn 65e de vrouw een nabestaandenpensioen ontvangt, en wanneer de man de leeftijd van 65 jaar bereikt de vrouw een ouderdomspensioen ontvangt. Tevens dient te zijn opgenomen dat wanneer de vrouw overlijdt, de man het ouderdomspensioen ontvangt.

2.16

Het hof volgt de man niet in zijn stelling. Naar het oordeel van het hof stond het de vrouw vrij - zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen - (binnen de ter zake geldende fiscale regels) het beschikbare bedrag aan een pensioenvoorziening te besteden zoals zij die wenste. Dit is in overeenstemming met hetgeen het hof in overweging 2.11 van zijn beschikking van 2 juni 2015 ten aanzien van de bedoeling van partijen heeft overwogen. Het hof zal het verzoek van de man om de vrouw de pensioenpolis te laten wijzigen dan wel een nieuwe pensioenpolis te laten afsluiten derhalve afwijzen.

2.17

De man heeft verzocht het terug te betalen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof overweegt hierover als volgt.

2.18

Nu er sprake is geweest van onverschuldigde betaling vanaf mei 2011 is de wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum waarop die betaling heeft plaatsgevonden, zodat dit verzoek toewijsbaar is.

Samenvattend overzicht

2.19

Het hof zal thans de tussenconclusies - van belang voor de eindbeschikking - gebaseerd op de tussenbeschikkingen op een rij zetten.

* tussenbeschikking van 17 januari 2012

2.20

Gelet op het oordeel van het hof dat de waarde van de pensioenvoorziening maximaal € 230.000,- is, is niet meer in geschil dat - conform het oordeel van de rechtbank - de waarde van de aandelen in [D] B.V. € 1.500.000,- bedraagt en dat de vrouw bij toedeling van de aandelen aan de man een bedrag toekomt van € 562.500,-.

2.21

Het hof wijst af het verzoek van de man de vrouw te veroordelen om inzake de Spaarhypotheekverzekering bij [E] met polisnummer [00000] de helft van € 55.852,-, ofwel € 27.926,- aan de man terug te betalen.

2.22

Het hof wijst af het verzoek van de man de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen, althans met de man te verrekenen, een bedrag van € 13.526,- in verband met de premies van de levensverzekeringspolissen, die hij in de periode tussen het verdelen van het privé-geld van partijen en de peildatum van de verrekening (van 1 januari 2008 tot 1 december 2009) heeft voldaan.

2.23

Het hof zal, gelet op de bereikte overeenstemming, op het punt van de inboedel geen beslissing meer nemen.

2.24

Partijen zijn ter zitting van 29 september 2011 overeengekomen dat de verevening van de pensioenrechten van de vrouw aldus zal plaatsvinden, dat de vrouw het formulier als bedoeld in artikel 2 Wet verevening pensioenrechten bij scheiding alsnog zal ondertekenen en er aan zal meewerken dat dit formulier aan het pensioenfonds van [F] - waar zij te verevenen pensioenrechten heeft opgebouwd - wordt toegezonden. Daarmee is dit geschilpunt tussen partijen opgelost en behoeft het hof daarover geen beslissing meer te nemen.

* tussenbeschikking van 2 augustus 2012

2.25

De waarde van de [G] levensverzekering met polisnummer [00001] van
€ 24.550,- zal voor de verrekening tussen partijen worden verminderd met de - op zichzelf door de vrouw niet betwiste - contante waarde van de fiscale claim daarop, gebaseerd op de einddatum september 2018 en fiscaal tarief 52%, van € 9.028,-, zodat de vrouw ter zake toekomt een bedrag van (€ 24.550,- -/- € 9.028,- = € 15.522,-, : 2 =) € 7.761,-.

2.26

Ten aanzien van het verzoek van de man de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag aan naar zijn mening teveel betaalde partneralimentatie heeft het hof geoordeeld dat een dergelijk geschil als door de man nieuw naar voren is gebracht niet in een boedelprocedure als de onderhavige past.

2.27

Ten aanzien van de vermeerdering van het verzoek in hoger beroep van de man met een vordering van € 18.200,- op de vrouw inzake kosten die de man ten behoeve van de vrouw betaald zou hebben, waarmee bij het vaststellen van de partneralimentatie geen rekening is gehouden, heeft het hof geoordeeld dat er geen ruimte is om dit onderwerp in de onderhavige procedure alsnog te beoordelen.

* tussenbeschikking van 7 februari 2013

2.28

De vrouw dient ter zake van het gele tapijt uit de woonkamer een bedrag van € 1.500,- aan de man te vergoeden.

2.29

Het hof zal het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw de waarde dient te vergoeden van de persoonlijke bezittingen van de man, zoals opgesomd in de brief van 28 augustus 2012, die de vrouw onder zich heeft, afwijzen.

2.30

Blijkens de tussenbeschikking van 2 augustus 2012 dient de man terzake van de [G] levensverzekering, polisnummer [00001] , een bedrag van € 7.761,- (netto) aan de vrouw te voldoen. Nu de man terzake van de [G] levensverzekering met polisnummer [00001] reeds een bedrag van € 12.275,- aan de vrouw heeft voldaan, dient de vrouw een bedrag van € 4.514,- aan de man terug te betalen.

2.31

De volgende levensverzekeringspolissen worden voor de volgende netto bedragen in de verdeling betrokken (in samenhang met de tussenbeschikking van 29 augustus 2013).

Toegedeeld aan de man:

- [G] / [E] , polisnummer [00000] € 55.852,06

- [H] , polisnummer [00002] € 6.668,58

- [I] , polisnummer [00003] € 1.340,-

- [I] spaarbeurs [00004] € 25.055,63

- [J] Beleggingsverzekering, polisnummer [00005] € 15.467,04

- [G] , polisnummer [00001] € 15.522,-

Derhalve in totaal: € 119.905,31

Toegedeeld aan de vrouw:

- spaarloonrekening [00006] € 388,-

- Topspaarrekening [00007] € 5.032,-

- [K] Beleggingspolis [00008] € 28.323,-

- [K] Pensioenplan [00009] / [00010] (€ 6.272,- - € 1.552,-=) € 4.720,-

Derhalve in totaal: € 38.463,-

2.32

De aandelen van de man in [L] B.V. worden voor een bedrag van (25 x € 714,- =) € 17.850,- in de verrekening betrokken.

2.33

Aangezien partijen ter comparitie van 10 oktober 2012 hebben verklaard dat de kwestie inzake de kluis bij de [a-bank] te [M] is geregeld en dat het hof hierover geen uitspraak meer behoeft te doen, beschouwt het hof dit onderdeel van het geschil tussen partijen als afgedaan.

2.34

Het hof zal het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw aan de man een bankgarantie voor een bedrag van € 200.000,- dient af te geven, afwijzen.

2.35

Aangezien de man zijn aanspraak op verdeling van de waarde van de aandelen van de vrouw in [N] B.V. per 1 december 2009 heeft ingetrokken, zal het hof zich hierover niet uitlaten.

* huidige beschikking

2.36

De vrouw dient ter zake van het teveel ontvangen pensioen een bedrag van € 100.656,- aan [D] B.V. terug te betalen. Betaling dient plaats te vinden aan de man in zijn hoedanigheid van lasthebber van deze vennootschap; het hof verwijst naar hetgeen het overwogen heeft in zijn beschikking van 16 mei 2013.

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw inzake de (verdere) verdeling van de levensverzekeringspolissen

2.37

In de tussenbeschikking van 7 februari 2013 heeft het hof bepaald welke levensverzekeringspolissen voor welke netto bedragen in de verdeling worden betrokken (in samenhang met de tussenbeschikking van 29 augustus 2013). Dit betekent dat de man aan de vrouw een bedrag van ((€ 119.905,31 - € 15.522,-) - € 38.463,-) / 2 ) is € 32.960,16 dient te voldoen (met uitzondering van de [G] levensverzekering, polisnummer [00001] ).

2.38

Uit de tussenbeschikking van 17 januari 2012 (rechtsoverweging 18) volgt dat de man reeds een bedrag van € 23.945,- aan de vrouw heeft voldaan. Derhalve dient de man nog een bedrag van (€ 32.960,16 - € 23.945,- is) € 9.015,16 aan de vrouw te voldoen in verband met de (verdere) verdeling van de levensverzekeringspolissen (met uitzondering van de [G] levensverzekering, polisnummer [00001] ).

2.39

De vrouw heeft verzocht dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de datum van indiening van het verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel appel, tot aan de datum van algehele voldoening.

2.40

De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom is in art. 6:119 BW geregeld. Deze vergoeding moet worden berekend over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening in verzuim is geweest. Met dit wettelijk stelsel is onverenigbaar dat een gewezen echtgenoot, zonder in verzuim te zijn geraakt, zou zijn gehouden om aan de andere gewezen echtgenoot een rentevergoeding te betalen over een wegens overbedeling verschuldigde geldsom (HR 8 februari 2013, LJN: BY4279, NJ 2013, 201).

2.41

De schuld in verband met de overbedeling inzake de levensverzekeringen is ontstaan op het moment dat de verdeling van de betreffende levensverzekeringspolissen heeft plaatsgevonden. Uit hetgeen de vrouw heeft gesteld of uit hetgeen overigens is gebleken volgt niet dat de man met betaling van die vordering in verzuim is geraakt. Voor toewijzing van de verzochte wettelijke rente is dan ook geen plaats.

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot betaling van de wettelijke rente inzake de verrekening van de aandelen in [L] B.V.

2.42

De vrouw heeft verzocht het bedrag dat de man aan de vrouw dient te voldoen in verband met de verrekening van de aandelen in [L] B.V. te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de datum van indiening van het verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel appel, tot aan de datum van algehele voldoening.

2.43

Nu de aandelen inzake [L] B.V. bij beschikking van de rechtbank van 23 maart 2011 zijn toegedeeld aan de man, is de schuld in verband met de overbedeling op dat moment ontstaan. Uit hetgeen de vrouw heeft gesteld of uit hetgeen overigens is gebleken volgt niet dat de man met betaling van die vordering in verzuim is geraakt. Voor toewijzing van de verzochte wettelijke rente is dan ook geen plaats.

Conclusie

2.44

Het voorgaande betekent dat de man aan de vrouw verschuldigd is:

- een bedrag van {((€ 119.905,31 - € 15.522,-) - € 38.463,-) / 2 ) = € 32.960,16} - € 23.945,- is € 9.015,16 in verband met de (verdere) verdeling van de levensverzekeringspolissen met uitzondering van de [G] levensverzekering, polisnummer [00001] ;

- een bedrag van (€ 17.850,- / 2 is ) € 8.925,- inzake de aandelen in [L] B.V;

derhalve in totaal: € 17.940,16.

2.45

Het voorgaande betekent dat de vrouw aan de man verschuldigd is:

- een bedrag van € 1.500,- ter zake van het gele tapijt uit de woonkamer;

- een bedrag van € 4.514,- terzake van de [G] levensverzekering, polisnummer [00001] ;

derhalve in totaal: € 6.014,-.

2.46

De vrouw is aan [D] B.V. verschuldigd:

- een bedrag van € 100.656,- ter zake van het teveel ontvangen pensioen.

2.47

Derhalve zal het hof de man wegens overbedeling veroordelen tot betaling van een bedrag van (€ 17.940,16 - € 6.014,- =) € 11.926,16 aan de vrouw en de vrouw veroordelen een bedrag van € 100.656,- aan [D] B.V. te voldoen ter zake van het teveel ontvangen pensioen. Het hof verwijst ook hier naar hetgeen in rechtsoverweging 2.36 hierboven is overwogen.

2.48

Het hof zal alle overige verzoeken afwijzen.

2.49

Het hof zal de kosten van de procedure compenseren in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen, alsmede de helft van de kosten van de deskundige. De vrouw heeft een bedrag van € 4.840,- voldaan als voorschot voor de kosten van het deskundigenonderzoek. De kosten van dat onderzoek zijn gelijk aan dit bedrag. De compensatie van de proceskosten brengt mee dat de man de helft van dit bedrag aan de vrouw dient te vergoeden, zodat het hof aldus zal beslissen.

3 De slotsom

3.1

Gelet op het voorgaande zal het hof de beschikkingen van de rechtbank van 10 juni 2009 en 23 maart 2011 vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te weten voor wat betreft de [G] levensverzekering met polisnummer [00001] , de [K] Beleggingspolis [00008] , het [K] Pensioenplan [00009] / [00010] , de spaarhypotheekverzekering gekoppeld aan de hypothecaire geldlening bij [E] met polisnummer [00000] , [H] polisnummer [00002] , [I] polisnummer [00003] , [I] spaarbeurs [00004] , [J] Beleggingsverzekering polisnummer [00005] , de beslissing ten aanzien van de pensioenvoorziening en de veroordeling van de man om een bedrag van € 21.200,- aan de vrouw te voldoen. Het hof zal in zoverre opnieuw beslissen als hierna vermeld. Het hof zal de beschikking van 23 maart 2011 bekrachtigen voor zover dit betreft de toedeling van de 25 aandelen [L] B.V. aan de man alsmede de afwijzing van het verzoek van de man tot verrekening van de premies op de levensverzekeringen, die de man over de periode tussen het verdelen van het privé-geld van partijen en de peildatum van de verrekening (1 januari 2008 tot 1 december 2009) uit zijn geld betaald heeft.

4 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikkingen van de rechtbank Leeuwarden van 10 juni 2009 en 23 maart 2011, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te weten voor wat betreft, de [G] levensverzekering met polisnummer [00001] , de [K] Beleggingspolis [00008] , het [K] Pensioenplan [00009] / [00010] , de spaarhypotheekverzekering gekoppeld aan de hypothecaire geldlening bij [E] met polisnummer [00000] , [H] polisnummer [00002] , [I] polisnummer [00003] , [I] spaarbeurs [00004] , [J] Beleggingsverzekering polisnummer [00005] , de beslissing ten aanzien van de pensioenvoorziening en de veroordeling van de man om een bedrag van € 21.200,- aan de vrouw te voldoen;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

veroordeelt de man wegens overbedeling tot betaling van een bedrag van € 11.926,16 aan de vrouw;

veroordeelt de vrouw tot betaling van een bedrag van € 100.656,- aan de man in zijn hoedanigheid van lasthebber van [D] B.V. ter zake van het teveel ontvangen pensioen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2011 tot aan de dag van voldoening;

compenseert de kosten van de procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt de man tot betaling van een bedrag van € 2.420,- aan de vrouw ter zake van de kosten van de deskundige.

verklaart deze beschikking, voor zover het de betalingen van een geldsom betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van 23 maart 2011 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G. Jonkman en mr. B.J.H. Hofstee en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 februari 2016 in het bijzijn van de griffier.