Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1430

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
200.171.570/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschermingsbewind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.171.570/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 3667924 AZ VERZ 14-14590)

beschikking van de familiekamer van 18 februari 2016

in het hoger beroep van:

[de rechthebbende] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. G.J.P.M. Grijmans, kantoorhoudende te Bolsward,

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[de bewindvoerder] B.V.,

gevestigd te [B] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 maart 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, is een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende en is [de bewindvoerder] B.V. benoemd tot bewindvoerder van de rechthebbende met bepalingen omtrent de beloning van de bewindvoerder.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 5 juni 2015, is de rechthebbende in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De rechthebbende verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen dat verzoeker (in eerste aanleg) niet-ontvankelijk is in diens verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen als zijnde niet gegrond dan wel niet juist, met veroordeling van de verzoeker in de kosten van beide instanties.

2.2

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder:
- het journaalbericht met bijlagen van mr. Grijmans van 3 augustus 2015;
- het journaalbericht met bijlage van mr. Grijmans van 20 augustus 2015;
- de brief van de bewindvoerder van 20 augustus 2015;
- de brieven van verzoeker in eerste aanleg ( [C] , locatiemanager [D]
) van 31 augustus 2015 en 10 september 2015; en
- het journaalbericht met bijlage (brief psychiater [E] van 26 november
2014) van mr. Grijmans van 19 januari 2016.

2.3

De op 29 oktober 2015 geplande mondelinge behandeling van de zaak is aangehouden en heeft vervolgens plaatsgevonden op 21 januari 2016. De rechthebbende heeft zich daarbij doen vertegenwoordigen door mr. Van der Meer (die voor mr. Grijmans heeft waargenomen) en namens de bewindvoerder zijn verschenen [F] en [G] .

3 De vaststaande feiten

3.1

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat het hof bij zijn beoordeling uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

3.2

De rechthebbende, geboren [in] 1937, lijdt sinds enige jaren aan een amnestische stoornis ten gevolge van langdurig alcoholmisbruik (syndroom van Korsakov). Daarnaast is een depressieve stoornis bij hem geconstateerd, middelenafhankelijkheid, trekken van een obsessief-compulsieve persoonlijkheidsstoornis bij sociaal-maatschappelijke- en omgevingsproblematiek.

3.3

De rechthebbende heeft een echtgenote in Mexico en heeft daar jarenlang gewoond. Daarnaast heeft hij een broer in Frankrijk. Ongeveer vijf tot zeven jaar geleden, is de rechthebbende voor een kort bezoek teruggekeerd naar Nederland maar na aankomst psychisch gedecompenseerd, zodanig dat hij aansluitend jarenlang op basis van een rechterlijke machtiging gedwongen (met een korte onderbreking in 2014/2015) is opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen. De rechthebbende heeft tot 17 maart 2015 verbleven in woonzorgcentrum [D] , onderdeel van [H] en is aansluitend verhuisd naar het [I] in [A] , waar hij tot heden op basis van een rechterlijke machtiging is opgenomen.

3.4

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 10 december 2014, heeft de locatiemanager van [D] , [C] , verzocht om instelling van een beschermingsbewind voor de rechthebbende. Daarbij is onder meer een medische verklaring gevoegd van [J] d.d. 29 juli 2014 en een bereidverklaring van [de bewindvoerder] B.V. ondertekend door [F] .

3.5

De kantonrechter heeft de zaak behandeld ter terechtzitting op 9 januari 2015 waarbij alleen mr. Grijmans is verschenen namens de rechthebbende. Daarbij heeft de kantonrechter de zaak aangehouden om de rechthebbende nogmaals in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De zorginstelling heeft bij brief van 20 januari 2015 de rechtbank en mr. Grijmans in kennis gesteld van een verslechterende situatie van de rechthebbende ten opzichte van de situatie ten tijde van voormelde diagnostiek van de GGZ van 26 november 2014, waarbij tevens is medegedeeld dat opnieuw een verzoek om een voorlopige rechterlijke machtiging (BOPZ) zal worden ingediend. De kantonrechter heeft de zaak verder behandeld ter terechtzitting op 30 januari 2015.

3.6

In de bestreden beschikking van 30 maart 2015 heeft de kantonrechter een beschermingsbewind ingesteld voor de rechthebbende.

3.7

Het hoger beroep van de rechthebbende tegen de bestreden beschikking strekt tot betoog dat er geen dan wel onvoldoende grond is voor de maatregel van beschermingsbewind. Daarnaast zijn kritische kanttekeningen geplaatst bij de aanvraag.

3.8

Voornoemde locatiemanager [C] heeft het hof bij brief van 31 augustus 2015 laten weten dat [D] geen belang meer heeft bij instelling van een beschermingsbewind in verband met het vertrek van de rechthebbende naar het [I] .

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van het bepaalde in artikel 1:431 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over een of meer van de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren, indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand.
Ten aanzien van de formele klachten

4.2

Een verzoek tot instelling van zodanig beschermingsbewind kan op grond van artikel 1:432 lid 2 BW onder meer worden ingediend door de instelling waar de rechthebbende wordt verzorgd of die aan de rechthebbende begeleiding biedt.

4.3

Vast staat dat de rechthebbende ten tijde van indiening van het verzoek in eerste aanleg en ook ten tijde van de mondelinge behandeling(en) van de zaak in eerste aanleg, verbleef in het woonzorgcentrum [D] . Dat brengt naar het oordeel van het hof mee dat de zorginstelling [D] behoort tot de wettelijke kring van verzoekers en dus bevoegd was om onderhavig verzoek in te dienen.

4.4

Anders dan namens de rechthebbende in het beroepschrift en ter zitting van het hof is betoogd, is het hof voorts niet gebleken dat het onderhavige verzoek niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het hof kan de advocaat van de rechthebbende in dit verband niet volgen in zijn stelling dat voornoemde locatiemanager van [D] , [C] , destijds op eigen naam het verzoekschrift heeft ingediend. Die stelling berust naar het oordeel van het hof op een onjuiste lezing van het verzoekschrift. Het hof ziet geen grond om aan te nemen dat genoemde [C] niet bevoegd was om namens [D] het verzoek in te dienen. Tot de stukken behoort in dit verband een volmacht van de zorginstelling aan [C] van 5 juni 2014 die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Redelijkerwijs kan het verzoekschrift niet anders worden gelezen dan dat [C] het verzoekschrift namens [D] heeft ingediend.

4.5

Namens de rechthebbende is voorts aangevoerd dat het verzoekschrift ten onrechte geen gegevens bevat van de echtgenote van de rechthebbende in Mexico en de broer van de rechthebbende in Frankrijk. Het hof overweegt dat, daargelaten of [D] daarvan een verwijt kan worden gemaakt gelet op de psychische gesteldheid van de rechthebbende, die lacune onverwijld is hersteld nadat de gegevens van de broer en de echtgenote van de rechthebbende bekend zijn geworden. De echtgenote van de rechthebbende in Mexico en zijn broer in Frankrijk zijn in dit verband in hoger beroep alsnog opgeroepen en in de gelegenheid gesteld als belanghebbende te worden gehoord. Voor zover al sprake is van een gebrek in het verzoek op dit punt, is dat daarom in hoger beroep hersteld. Het desbetreffende verweer van de rechthebbende kan daarom niet tot de conclusie leiden dat het beschermingsbewind onrechtmatig is ingesteld.

4.6

Dat [C] inmiddels te kennen heeft gegeven dat [D] geen belang meer heeft bij instelling van het bewind, in verband met de verhuizing van de rechthebbende naar het [I] , doet er voorts niet aan af dat het hof de maatregel inhoudelijk dient te toetsen. De maatregel strekt immers niet ter behartiging van het belang van [D] maar ter bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende.
Ten aanzien van de maatregel

4.7

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof, anders dan de rechthebbende, van oordeel dat de kantonrechter terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat op het moment van de bestreden beschikking aan de hier bedoelde grond voor instelling van het beschermingsbewind was voldaan. De bij het inleidend verzoekschrift behorende medische verklaring in combinatie met de overige gegevens in het dossier, waaronder de brief van psychiater [E] van 26 november 2014 en de brieven van [D] van 20 januari 2015, alsmede het verhandelde ter zitting in eerste aanleg op 30 januari 2015, bood voor die conclusie naar het oordeel van het hof voldoende grond. In dit verband heeft de rechthebbende niet, althans onvoldoende onderbouwd, bestreden dat hij te kampen heeft met ernstige psychische problematiek verband houdend onder meer met het syndroom van Korsakov, waardoor hij niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen.

4.8

Vervolgens is de vraag aan de orde of de onderbewindstelling nog steeds noodzakelijk is. Het hof is in dit verband niet gebleken dat er thans geen noodzaak meer bestaat voor het bewind of dat voortzetting ervan niet zinvol is. Vast staat in dit verband dat de rechthebbende op dit moment nog op basis van een rechterlijke machtiging is opgenomen, thans in het [I] . De bewindvoerder heeft voorts ter zitting onder meer toegelicht dat naar haar inschatting, uit hoofde van de contacten die er zijn geweest sinds de instelling van het bewind, de rechthebbende niet in staat lijkt te zijn het overzicht te houden over zijn financiën en niet in staat lijkt te zijn de juiste prioriteiten te stellen waar het gaat om zijn uitgaven. Zijn leefgeld is in verband daarmee recentelijk teruggebracht van € 45,- per week naar € 35,- per week. Als voorbeeld is genoemd dat hij een keer een treinkaartje had gekocht maar geen geld meer had voor een treinkaartje voor de terugweg. Er waren voorts betalingsachterstanden en er was geen zorgtoeslag aangevraagd terwijl de rechthebbende daar wel aanspraak op kon maken. Een en ander wordt inmiddels door de bewindvoerder in goede banen geleid.

4.9

Aldus is naar het oordeel van het hof ook op dit moment nog voldaan aan de hier bedoelde grond voor het beschermingsbewind, namelijk dat sprake is van een situatie waarin de rechthebbende tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand.

4.10

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van de rechthebbende faalt.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 maart 2015 waarvan beroep;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. I.A. Vermeulen en mr. D.J. Buijs en is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2016 in bijzijn van de griffier.