Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1429

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
200.178.781/01 rm 200.183.856/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek onderbewindstelling en mentorschap ingediend door een zorginstelling, die de feitelijke zorg heeft uitbesteed. Niet-ontvankelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.178.781/01 (bewind) & 200.183.856/01 (mentorschap)

(zaaknummers rechtbank -15-734 (bewind) & -15-90 (mentorschap)

beschikking van de familiekamer van 28 januari 2016

in het hoger beroep van:

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. A. Atema, kantoorhoudende te Groningen,

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:


in de zaak met nummer 200.178.781/01:

[de bewindvoerder] B.V.,

kantoorhoudende te [A] ,

hierna te noemen: de bewindvoerder,


[belanghebbende] ,
mede kantoorhoudende te [B] ,

hierna te noemen: [belanghebbende] ,

in de zaak met nummer 200.183.856/01
[de mentor] ,
kantoorhoudende te [C] ,
hierna te noemen: de mentor.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Bij afzonderlijke beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 14 juli 2015, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, is een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende en is tevens een mentorschap ingesteld ten behoeve van de rechthebbende.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 oktober 2015, is de rechthebbende in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen. De rechthebbende verzoekt het hof die beschikkingen te vernietigen en alsnog de verzoeken tot instelling van een bewind en mentorschap ten behoeve van de rechthebbende af te wijzen.

2.2

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

2.3

De mondelinge behandeling van de zaak heeft op 22 januari 2016 plaatsgevonden. Verschenen zijn de rechthebbende, bijgestaan door mr. P. Huistra (waarnemend kantoorgenoot van mr. Atema), namens [belanghebbende] dhr [D] en voorts is mw. [E] verschenen, namens de bewindvoerder. De mentor is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De rechthebbende, geboren [in] 1943, verblijft in een woning van [belanghebbende] (via een woningcorporatie) in [A] aan het adres [a-straat] 3 en krijgt daar ambulante hulp en begeleiding van [F] , onderdeel uitmakend van Zorggroep Alliade (evenals [belanghebbende] ).

3.2

Bij verzoekschrift, ondertekend namens [belanghebbende] door [G] (directeur) en door de burgemeester van de gemeente Smallingerland op 22 januari 2015 en ingekomen bij de rechtbank op 30 maart 2015, is verzocht om instelling van een bewind en een mentorschap ten behoeve van de rechthebbende.

3.3

In de bestreden beschikkingen zijn de voormelde verzoeken toegewezen en is ten behoeve van de rechthebbende een mentorschap en een beschermingsbewind ingesteld. Hiertegen richt zich het hoger beroep van de rechthebbende.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Het is het hof gebleken dat de rechthebbende zich aanvankelijk in het beroepschrift alleen op inhoudelijke gronden heeft gekeerd tegen de maatregelen van bewind en mentorschap en dat zij nadien, met name ter zitting van het hof, ook formele punten daartegen heeft opgeworpen. De formele klachten van de rechthebbende betreffen kort samengevat en voor zover hier van belang:
A. dat [belanghebbende] niet bevoegd was om het verzoek tot instelling van het bewind en
mentorschap in te dienen nu [belanghebbende] volgens de rechthebbende in haar situatie niet
behoort tot de hierna genoemde wettelijke kring van verzoekers omdat de zorg wordt
verleend door [F] en;
B. dat niet is gebleken dat de voornoemde [G] bevoegd was tot ondertekening van
het verzoek, waartoe mede erop is gewezen dat [belanghebbende] blijkens de openbare registers
bij de Kamer van Koophandel een dochter is van een andere rechtspersoon ( [H] )
en dat van een geldige machtiging dáárvan niet is gebleken.

4.2

Ingevolge de artikelen 1:432 lid 2 respectievelijk artikel 1:451 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover van belang, kan om een bewind dan wel mentorschap worden verzocht door de instelling waar de rechthebbende wordt verzorgd of die aan de rechthebbende begeleiding biedt.

4.3

In de wetgeschiedenis van voormelde artikelen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 33 054, nr. 3) staat op blz. 7 onder meer het volgende vermeld:
"(...) Tenslotte wordt voorgesteld dat, naast het openbaar ministerie, eveneens bevoegd wordt de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt. De bevoegdheid van de instelling die begeleiding biedt kan bijvoorbeeld van belang zijn in de situatie waarin de betrokken persoon niet in een instelling verblijft, en er geen familie is, dan wel dat deze geen verzoek indient. Het moet gaan om een instelling die bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of – in de toekomst – de Wet maatschappelijke ondersteuning aan de betrokkene begeleiding biedt gericht op het behouden van structuur in en regie over het dagelijks leven. Achterliggende gedachte van het geven van de bevoegdheid tot het verzoeken van onderbewindstellingen aan instellingen waar de betrokkene wordt verzorgd is dat dergelijke instellingen, bij afwezigheid of niet optreden van een partner of familieleden, in ieder geval wel omgang en contact met de betrokkene hebben en daarom in staat worden geacht in te kunnen schatten of de betrokkene een bewindvoerder, mentor of curator nodig heeft. Aangezien veel personen die hulpbehoevend zijn thuis blijven wonen en in de eigen omgeving worden verzorgd, verpleegd. (…)"

4.4

Het hof zal, alvorens nader te beslissen, [belanghebbende] in de gelegenheid stellen om nader te reageren op de twee voormelde onder 4.1 namens de rechthebbende aangevoerde formele klachten (A en B). Het hof wenst van [belanghebbende] te vernemen:

a. om welke redenen zij zich bevoegd acht om de onderhavige verzoeken in te dienen;

b. hoe de ondertekeningbevoegdheid van [G] is geregeld, dit in het licht van de
stelling van de rechthebbende dat een geldige machtiging daarvoor ontbreekt.

4.5

De schriftelijke reactie van [belanghebbende] en bijbehorende onderbouwing (zoals mogelijk statuten of een mandateringsregeling) dient uiterlijk twee weken na dagtekening van deze beschikking bij het hof binnen te zijn en door [belanghebbende] in afschrift naar de overige belanghebbenden te worden verstuurd.

4.6

De rechthebbende, alsmede de bewindvoerder en de mentor, worden in de gelegenheid gesteld om uiterlijk twee weken nadien daarop schriftelijk te reageren. Daarna zal het hof de zaak in beginsel op de stukken afdoen. Het hof benadrukt dat de reacties zich dienen te beperken tot louter beantwoording van de gestelde vragen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens nader te beslissen:


draagt [belanghebbende] en belanghebbenden op te voldoen aan het in rechtsoverwegingen 4.4 t/m 4.6 van deze beschikking bepaalde;

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot een maand na dagtekening van deze beschikking, ter fine als vermeld in voormelde rechtsoverwegingen;

bepaalt dat de zaak na ommekomst van die termijn(en) op de stukken zal worden afgedaan tenzij het hof anders beslist;

houdt iedere verdere beslissing aan.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. M.P. den Hollander en mr. H.J. de Ruijter en is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2016 in bijzijn van de griffier.