Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1421

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
200.165.375/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie en kindgebonden budget. Partneralimentatie: Samenleven als ware onderhoudsgerechtigde gehuwd, behoefte, behoeftigheid en draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2016/41.20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.165.375/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/155116 / ES RK 14-978)

beschikking van de familiekamer van 16 februari 2016

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.H. Grandjean, kantoorhoudend te Wijhe,

tegen

[de man] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.E. Beeker, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 november 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 24 februari 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 4 mei 2015;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 17 juni 2015;

- het journaalbericht van mr. Beeker van 11 mei 2015 met bijlage, ingekomen op 12 mei 2015;

- het journaalbericht van mr. Beeker van 19 augustus 2015 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum.

2.2

Bij het beroepschrift heeft de vrouw het hof verzocht de beschikking van 26 november 2014 (naar het hof begrijpt:) gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw beschikkende de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] op € 445,40 per maand respectievelijk € 357,- per maand vast te stellen, alsmede de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op € 1.779,- per maand vast te stellen, althans op zodanige bedragen en met ingang van zodanige datum als het hof in goede justitie juist acht, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie juist acht, met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

2.3

Bij het verweerschrift, tevens incidenteel hoger beroepschrift, heeft de man het hof verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zowel primair, als subsidiair, alsmede meer subsidiair:

I de verzoeken van de vrouw af te wijzen;

II te verklaren voor recht dat de vrouw duurzaam is gaan samenleven met een ander als
ware zij gehuwd en vast te stellen dat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw met ingang van 18 februari 2015 van rechtswege is geëindigd;

III te bepalen dat de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw over de periode 26 november 2014 tot 18 februari 2015 wordt vastgesteld op nihil, dan wel het bedrag dat het hof in goede justitie meent te behoren;

IV te bepalen dat de vrouw de kosten van QUSO aan de man dient te vergoeden, zijnde een bedrag van € 27.756,67, vermeerderd met de einddeclaratie, dan wel het bedrag dat het hof in goede justitie meent te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2015 tot en met de dag der algehele voldoening;

V te bepalen dat [de minderjarige1] haar hoofdverblijf heeft bij de man vanaf januari 2015;

VI te bepalen dat het halen en brengen van [de minderjarige2] van en naar de omgangsweekenden bij de man bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;

VII te bepalen dat de man vanaf 1 januari 2015 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] met een bedrag van € 113,- per maand, dan wel het bedrag dat het hof in goede justitie meent te behoren. Bij journaalbericht van 19 augustus 2015 heeft de man voornoemde verzoeken onder V en VI ingetrokken.

2.4

De vrouw heeft verzocht het incidenteel hoger beroep van de man af te wijzen en de man in de kosten van het geding te veroordelen.

2.5

Namens de man is op 10 augustus 2015 ter griffie gedeponeerd een cd-rom, waarvan een akte van depot is opgemaakt.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ter zitting hebben zowel mr. Grandjean als mr. Beeker het woord gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen.

2.7

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof ingekomen een brief van mr. Beeker van 24 augustus 2015. Het hof heeft partijen vervolgens telefonisch bericht dat met de informatie uit voormelde brief het hof de bestanden op de overgelegde cd-roms heeft kunnen openen en inzien.

2.8

Bij brieven van 21 oktober 2015 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 18 november 2015 aan het hof - met kopie aan de wederpartij - te berichten of en in hoeverre de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) aanleiding geeft tot aanpassing van de standpunt(en) en/of verzoek(en) ten aanzien van de kinderalimentatie en/of de partneralimentatie in deze procedure. Partijen zijn voorts in de gelegenheid gesteld om na ommekomst van voormelde termijn binnen twee weken, derhalve uiterlijk op 2 december 2015, te reageren op de uitlatingen van de wederpartij en gemotiveerd aan te geven of een nadere mondelinge behandeling wordt gewenst.

2.9

Het hof heeft vervolgens kennisgenomen van:

- een journaalbericht met als bijlage een nadere akte d.d. 17 november 2015 van
mr. Grandjean;

- een journaalbericht met als bijlage een nadere akte d.d. 1 december 2015 van
mr. Beeker.

2.10

Partijen hebben in hun nadere akten aangegeven in hoeverre hun standpunt(en) wijzigen, doch hebben hun verzoeken niet gewijzigd.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 1993 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van de man en de vrouw zijn geboren:

- [de jongmeerderjarige] , [in] 1996 (hierna te noemen: [de jongmeerderjarige] );

- [de minderjarige1] , [in] 1999 (hierna te noemen: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , [in] 2001 (hierna te noemen: [de minderjarige2] ).

Het huwelijk is op 18 februari 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Sinds het feitelijk uiteengaan van partijen op 15 maart 2013 woont [de jongmeerderjarige] bij de man en [de minderjarige2] bij de vrouw. [de minderjarige1] heeft tot 21 maart 2014 bij de man gewoond, van 21 maart 2014 tot 12 januari 2015 bij de vrouw, vervolgens tot 17 augustus 2015 bij de man en sindsdien verblijft [de minderjarige1] op de [C] (onderdeel van [D] ).

3.3

Bij beschikking van 10 februari 2014 heeft de rechtbank in het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure bepaald dat de man met ingang van 14 oktober 2013 een bedrag van € 303,- per maand in het vervolg bij vooruitbetaling aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] . Voorts heeft de rechtbank de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige1] op nihil bepaald. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 14 oktober 2013 een bedrag van € 1.387,- per maand in het vervolg bij vooruitbetaling aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

3.4

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 19 november 2013, heeft de vrouw, voor zover hier van belang, verzocht:

- te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] (en ten behoeve van verblijfskosten van [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige1] bij de vrouw) met een bedrag van € 503,- per maand in totaal, steeds bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans met een bedrag van € 352,- per maand, althans met een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht;

- te bepalen dat de man dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 1.400,- bruto per maand, steeds bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, althans met een bedrag van € 1.750,- bruto per maand, althans met een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie juist acht.

3.5

Bij brief van 4 augustus 2014 heeft de vrouw haar verzoek gewijzigd in die zin dat zij de rechtbank verzoekt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] vast te stellen op € 367,- per maand, waarbij de zorgkosten van € 88,- per maand ten behoeve van verblijf van [de jongmeerderjarige] bij de vrouw als zijnde extra draagkracht aan hem wordt toegerekend. Voorts heeft de vrouw haar verzoek met betrekking tot de bijdrage van de man in haar levensonderhoud gewijzigd in die zin dat zij de rechtbank verzoekt deze bijdrage vast te stellen op € 1.779,- per maand, althans op zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht.

3.6

De man heeft zich daartegen verweerd.

3.7

Bij de bestreden beschikking van 26 november 2014 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] bepaald op € 329,- per maand en van [de minderjarige1] op € 387,- per maand. Voorts heeft de rechtbank de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bepaald op nihil. Voor zover hier van belang heeft de rechtbank bij beschikking van 4 december 2014 het hoofdverblijf van [de minderjarige2] bij de vrouw bepaald.

3.8

Bij beschikking van 21 januari 2015 heeft de rechtbank het verzoek van de man tot herstel en aanvulling van de beschikking van 26 november 2014 afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] , de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en de kosten van de man betreffende een onderzoeksrapport.

4.2

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel appel hierna gezamenlijk per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing


De kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige1]

5.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] bepaald op € 387,- per maand. De echtscheiding is op 18 februari 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat [de minderjarige1] op die datum reeds niet meer bij de vrouw woonde en dat de man derhalve geen bijdrage voor [de minderjarige1] is verschuldigd. Zoals de vrouw ter zitting heeft aangegeven, heeft zij het hof om die reden in haar toelichting op haar beroep ook verzocht rekening te houden met de gewijzigde woonsituatie van [de minderjarige1] . Het hof zal het verzoek van de vrouw in hoger beroep dienovereenkomstig begrijpen en derhalve het inleidend verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een door de man te betalen bijdrage voor [de minderjarige1] alsnog afwijzen.
De kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige2]
* De ingangsdatum

5.2

Het hof zal, evenals de rechtbank, uitgaan van de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, derhalve 18 februari 2015 nu daar niet tegen is gegriefd.

* De behoefte van [de minderjarige2]

5.3

Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders ten tijde van het huwelijk dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat hoger is dan het netto besteedbaar gezinsinkomen.

5.4

Tussen partijen is niet in geschil dat zij in maart 2013 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Gebruikelijk is dat voor wat betreft het inkomen van een zelfstandige, in dit geval de man, de winst uit onderneming over de laatste drie jaren voor het uiteengaan van partijen wordt gemiddeld, in dit geval de winst uit onderneming over de jaren 2010, 2011 en 2012. Hoewel het latere inkomen van de man - gebaseerd op de jaren 2011, 2012 en 2013 ietwat hoger is, zal het hof daar niet vanuit gaan omdat dit -gelet op de thans definitieve cijfers over 2014- geen bestendige lijn is gebleken. Het hof zal daarom de winst uit onderneming over de jaren 2010, 2011 en 2012 tot uitgangspunt nemen

5.5

Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat het thans in hoger beroep is gehouden uit te gaan van een winst uit onderneming van € 90.000,- per jaar, zoals door de rechtbank gehanteerd. De rechtbank is van dat bedrag uitgegaan in het kader van onderhandeling met/tussen partijen ter zitting, en de vrouw mag daarin in het kader van haar hoger beroep een ander standpunt innemen.

5.6

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de winst uit onderneming van de man in 2010
€ 81.678,-, in 2011 € 86.844,- en in 2012 € 104.959,- bedroeg. De gemiddelde winst uit onderneming over deze jaren bedraagt derhalve € 91.160,-, welk bedrag, (conform partijen) rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de gebruikelijke heffingskortingen, correspondeert met een netto besteedbaar inkomen van € 4.992,- per maand (tarieven 2013/1). Vast staat dat de vrouw ten tijde van het huwelijk geen inkomsten genoot. Het hof gaat daarom uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2013 van € 4.992,- per maand.

5.7

Het hof hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige2] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" voor 2013. Uitgaande van een netto gezinsinkomen in 2013 van € 4.992,- per maand en 0 kinderbijslagpunten bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de drie kinderen op grond van voormelde tabel
€ 1.462,- per maand, oftewel € 487,- per kind per maand. Geïndexeerd naar 2015 bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [de minderjarige2] (afgerond) € 496,- per maand.

5.8

De vrouw heeft gesteld dat de kosten van [de minderjarige2] hoger zijn dan die van een gemiddeld kind, omdat in verband met zijn handicap zijn kleding en beddengoed vaker moeten worden gewassen en ook vaker nieuw moeten worden aangeschaft door verhoogde slijtage. Het hof is echter van oordeel dat de vrouw deze stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd. Zo heeft zij geen nadere stukken overgelegd waaruit die structureel hogere kosten zouden kunnen blijken. Voor verhoging van de behoefte van [de minderjarige2] bestaat dan ook geen aanleiding.

5.9

Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 zal, anders dan bij de rechtbank, het (eventueel) door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget, niet op de behoefte van [de minderjarige2] in mindering worden gebracht.

5.10

Het hof zal hierna ieders aandeel in de kosten van [de minderjarige2] berekenen. In dat kader zal eerst de draagkracht van de man, vervolgens de draagkracht van de vrouw en tot slot het aandeel van partijen in de kosten van [de minderjarige2] worden besproken.
* De draagkracht van de man

5.11

Het hof zal voor de berekening van het NBI van de man alleen uitgaan van de winst uit onderneming over het jaar 2014 van € 85.422,-. Het hof is met de man van oordeel dat het gelet op zijn toegenomen zorgtaken na de echtscheiding - welke door de vrouw op zichzelf niet zijn betwist - niet redelijk is om zoals te doen gebruikelijk uit te gaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de drie jaren voorafgaand aan de ingangsdatum omdat niet te verwachten valt dat de man onder deze omstandigheden eenzelfde winst zal kunnen blijven behalen.

5.12

De door man opgevoerde dotatie voor de fiscale oudedagsreserve (FOR), van
€ 10.000,- per jaar is gelet op hetgeen de man daarover heeft gesteld naar het oordeel van het hof niet onredelijk, zodat het hof daar - overeenkomstig de wijze van de rechtbank - rekening mee zal houden. Het hof houdt voorts rekening met de premie arbeidsongeschiktheids-verzekering van € 6.975,- per jaar, nu dit bedrag door de vrouw niet is betwist.

5.13

Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling en de gebruikelijke heffingskortingen bedraagt het NBI van de man € 4.833,- per maand (tarieven 2015/1).

5.14

De draagkracht van de man zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)], nu het een inkomen hoger dan € 1.525,- betreft.

5.15

De draagkracht van de man bedraagt op grond van deze formule € 1.755,67 per maand.

5.16

De man is tevens onderhoudsplichtig voor [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige1] . Zoals het hof hierna onder rechtsoverweging 5.52 overweegt bedraagt de behoefte van [de jongmeerderjarige] € 396,- per maand en bedraagt de behoefte van [de minderjarige1] € 496,- per maand. Verdeling van de beschikbare draagkracht van de man voor kinderalimentatie naar rato van behoefte betekent alsdan dat de man voor [de minderjarige2] een draagkracht beschikbaar heeft van € 627,39 per maand (draagkracht van de man (€ 1.755,67) / totale behoefte van de kinderen (€ 1.388,-) x behoefte van [de minderjarige2]
(€ 496,-)).
* De draagkracht van de vrouw

5.17

Zoals hierna zal worden overwogen gaat het hof ervan uit dat het inkomen van de vrouw € 60,- netto per maand bedraagt.

5.18

Dit inkomen dient ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) te worden verhoogd met het kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt.

5.19

Ter zitting heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij kindgebonden budget heeft aangevraagd met ingang van 1 juni 2015. De vrouw stelt dat zij verwacht dat de hoogte van haar toekomstige vermogen - als gevolg van de vordering die zij op de man heeft in verband met de boedelverdeling - echter aan toekenning in de weg zal staan, dan wel zal leiden tot een terugbetalingsverplichting. De man betwist dit en stelt dat wel van een kindgebonden budget moet worden uitgegaan.

5.20

In voormeld verkort proces-verbaal van de zitting van 13 augustus 2014 staat het volgende vermeld: "Het vorenstaande komt er op neer dat de vrouw, naast € 10.000,- afkomstig van de ANWB/Visa card rekening en € 10.000,- (helft van saldo) van de aan de spaarhypotheken gekoppelde [a-bank] spaardeelrekeningen, wegens overbedeling van de man een bedrag van € 95.925,- zal ontvangen van de man." Dit betekent dat de vrouw een vordering heeft op de man van € 115.925,-. Hoewel dit bedrag de vermogensgrens om voor kindgebonden budget in aanmerking te komen overstijgt (deze bedroeg in 2015 € 103.423,-), is het hof van oordeel dat er niet zonder meer vanuit kan worden gegaan dat de vrouw geen recht heeft op kindgebonden budget. De vrouw heeft immers geen inzicht verstrekt in eventuele schulden en overig vermogen in box 3. Het hof zal daarom uitgaan van een kindgebonden budget van de vrouw van € 358,- per maand, van welk bedrag partijen tijdens de zitting in hoger beroep zijn uitgegaan. Dat de vrouw eerst per 1 juni 2015 kindgebonden budget heeft aangevraagd en niet eerder, dient voor de bepaling van de draagkracht (en haar eigen behoefte zoals hierna vermeld) voor haar rekening en risico te komen.

5.21

Nu het inkomen van de vrouw met inachtneming van het kindgebonden budget en de van toepassing zijnde heffingskortingen echter nog steeds lager is dan € 1.275,- per maand, zal het hof aan de zijde van de vrouw uitgaan van een minimum draagkracht van € 25,- per maand.
* Draagkrachtvergelijking

5.22

Op grond van het vorenstaande bedraagt de totale draagkracht van de man en de vrouw ten behoeve van [de minderjarige2] € 652,39 per maand (€ 627,39 + € 25,00).

5.23

Het hof zal het aandeel van partijen in de behoefte van [de minderjarige2] bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking. De verdeling van de behoefte over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de resterende behoefte.

5.24

Het aandeel van de man in de behoefte van [de minderjarige2] bedraagt aldus € 476,99 per maand (€ 627,39 / € 652,39 x € 496,-) en het aandeel van de vrouw € 19,01 per maand (€ 25,00 /
€ 652,39 x € 496,-).


* De zorgkorting

5.25

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de zorgkorting invloed heeft op de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

5.26

Tussen partijen is niet in geschil dat een zorgkorting van 15% geldt.

5.27

De zorgkorting bedraagt derhalve € 74,40 per maand (15% van € 496,-). De man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] met een bedrag van
€ 402,59 per maand (€ 476,99 minus € 74,40). Het hof zal de door de man te betalen onderhoudsbijdrage in het dictum van deze beschikking daarom vaststellen op dit bedrag.

De partneralimentatie

* Samenleving in de zin van artikel 1:160 BW

5.28

In geschil is of de onderhoudsverplichting van de man is geëindigd omdat de vrouw samenleeft met een nieuwe partner als bedoeld in artikel 1:160 Burgerlijk Wetboek (BW). Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleving van de vrouw met haar nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen hen een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat de vrouw en haar partner elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren (o.a. HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3603 en HR 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961).

5.29

Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt - zo blijkt uit voornoemde beschikkingen - dat deze bepaling restrictief dient te worden uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de verplichting levensonderhoud te verschaffen.

5.30

In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat tussen de vrouw en haar partner sprake is van een duurzame, affectieve relatie.

5.31

De man stelt dat ook aan de overige voorwaarden van artikel 1:160 BW is voldaan en heeft ter onderbouwing hiervan het onderzoeksrapport met bijlagen van [E] B.V. (verder te noemen: het onderzoeksbureau) in het geding gebracht, met observatiebevindingen in de perioden van 28 april 2014 tot en met 18 juli 2014 en van 17 april 2015 tot en met 1 mei 2015.

5.32

Uit de observatiebevindingen valt af te leiden dat de vrouw en haar partner regelmatig gezamenlijk overnachten in het chalet van de vrouw. Daargelaten de vraag of de observatiebevindingen voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een samenwoning tussen de vrouw en haar partner - mede in het licht van het feit dat de partner (onbetwist) over zelfstandige woonruimte beschikt - is het hof van oordeel dat op grond van de observatiebevindingen en de overige door de man overgelegde stukken in elk geval onvoldoende vast is komen te staan dat sprake is van de eveneens vereiste wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

5.33

Van een wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding is immers sprake als de samenwonenden hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien (HR 22 februari 1985, LJN AG4967, NJ 1986, 82).

5.34

De man heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat de vrouw en haar partner regelmatig samen eten, dat zij samen op vakantie gaan, dat zij gebruik maken van elkaars auto's, dat zij gezamenlijk kleding, meubels en boodschappen kopen, dat de partner klusjes doet voor de vrouw en dat de partner [de minderjarige2] naar school brengt en haalt en hem opvangt. De vrouw heeft dit betwist. De vrouw erkent dat haar partner wel eens mee eet en bij haar overnacht, maar stelt dat dit incidenteel het geval is op basis van de LAT-relatie die zij met elkaar hebben. Indien de partner incidenteel een boodschap meebrengt, stelt de vrouw dat zij deze altijd aan hem terugbetaalt. Als de partner [de minderjarige2] opvangt of zijn auto aan de vrouw uitleent, is dat volgens de vrouw in geval van een calamiteit.

5.35

Het hof is van oordeel dat de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw geen begin van bewijs heeft geleverd voor zijn stelling dat de partner van de vrouw bijdraagt in de kosten van de (al dan niet gemeenschappelijke) huishouding. Voor zover uit de observatiebevindingen al is gebleken dat de vrouw en haar partner gezamenlijk inkopen hebben gedaan, is niet vast komen te staan dat de partner (structureel) heeft bijgedragen in de kosten daarvan. De vrouw heeft in dat verband gesteld dat zij door de partner eventueel betaalde bedragen altijd aan hem terug betaalt. Hetgeen door de man overigens is gesteld is gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de vrouw en haar partner op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

5.36

Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat de man zijn stelling dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW onvoldoende heeft onderbouwd en daarmee niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Reeds om die reden passeert het hof het aanbod van de man tot nader bewijs van de door hem in dit verband ingenomen stellingen.

5.37

Gelet op dit oordeel zal het hof het verzoek van de man om te bepalen dat de vrouw de kosten van het onderzoeksbureau aan de man dient te vergoeden afwijzen en kan bespreking van de stelling van de vrouw dat de bevindingen van het onderzoeksbureau onrechtmatig zijn verkregen achterwege blijven.

5.38

Het hof zal hierna beslissen op de overige geschilpunten van partijen.

* De behoefte van de vrouw

5.39

Tussen partijen is thans niet meer in geschil dat de behoefte van de vrouw dient te worden bepaald aan de hand van de zogenoemde 60%-norm. Zoals hiervoor overwogen bedroeg het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2013 € 4.992,- per maand. Op grond hiervan kan de behoefte van de vrouw worden becijferd op 60% van € 3.530,-
(€ 4.992,- minus € 1.462,-) = € 2.118,- netto per maand, oftewel geïndexeerd naar 2015 afgerond € 2.154,- netto per maand.

5.40

Werkelijke of redelijkerwijs te verwerven eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de alimentatiebehoefte. Voor het bepalen van de behoeftigheid wordt daarom rekening gehouden met de inkomsten dan wel de redelijkerwijs te verwerven inkomsten van de onderhoudsgerechtigde.

5.41

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de vrouw een schoonmaakadres heeft, waarmee zij een inkomen van € 60,- netto per maand genereert. Hoewel de man stelt dat de vrouw tevens (aanzienlijke) inkomsten heeft uit haar werkzaamheden als pedicure, is dit naar het oordeel van het hof gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende vast komen te staan, zodat het hof daarmee geen rekening houdt. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment niet meer kan werken dan zij al doet en dat zij geen (relevante) vergoeding krijgt voor de stage die zij thans volgt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vrouw de (intensieve) dagelijkse zorg heeft voor [de minderjarige2] , die verstandelijk gehandicapt is. Ze moet met [de minderjarige2] onder meer naar plastrainingen in het ziekenhuis, de kinderarts, de klinisch geneticus en de bijzondere tandheelkunde. Dit laat echter onverlet dat van de vrouw op langere termijn kan worden verwacht dat zij meer (betaald) gaat werken dan zij thans doet. Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat de vrouw tijdens het huwelijk van partijen van ruim 21 jaar niet aan het arbeidsproces heeft deelgenomen en destijds zorg had voor de huishouding en de kinderen van partijen alsmede thans de intensieve zorg voor [de minderjarige2] , hetgeen door de man niet wordt betwist, is dat echter op dit moment nog niet aan de orde. Vast staat dat de vrouw zich inspant om haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt te vergroten, mede door het volgen van een opleiding tot medisch pedicure. Dat de vrouw zich onvoldoende in zou spannen om haar verdiencapaciteit te benutten is dan ook niet gebleken. Het vorenstaande in aanmerking genomen zal het hof een inkomen van € 60,- netto per maand in aanmerking nemen.

5.42

Op de behoefte van de vrouw strekt voorts in mindering het door haar ontvangen kindgebonden budget verminderd met haar aandeel in de kosten van [de minderjarige2] . Zoals hiervoor overwogen gaat het hof uit van een kindgebonden budget voor de vrouw in 2015 van € 358,- per maand, te verminderen met haar aandeel in de kosten van [de minderjarige2] van € 19,01 per maand, oftewel een bedrag van € 351,04 per maand.

5.43

De netto behoefte van de vrouw bedraagt aldus € 1.815,01 per maand.
* De draagkracht van de man

5.44

Het hof zal ook voor de berekening van de draagkracht van de man voor partneralimentatie uitgaan van het inkomen zoals hiervoor vermeld onder de rechtsoverwegingen 5.11 tot en met 5.13, met dien verstande dat in het kader van de berekening van de partneralimentatie wel rekening wordt gehouden met de gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning.

5.45

Onder post 125 zal het hof gelijk de rechtbank rekening houden met een bedrag van
€ 1.414,- (€ 581,- aan premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en € 833,- aan toevoeging aan de oudedagsreserve).

5.46

De vrouw heeft zich ten aanzien van de woonlasten van de man op het standpunt gesteld dat door de rechtbank ten onrechte rekening is gehouden met toekomstige woonlasten van de man.

5.47

De rechtbank heeft in dat verband, voor zover van belang, overwogen:

" In het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zijn partijen overeengekomen dat de echtelijke woning en de onderneming aan de man worden toegescheiden onder betaling van de helft van de waarde van beide objecten aan de vrouw. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een nieuwe hypothecaire lening zal moeten aangaan om de 'uitkoop' van de vrouw te kunnen financieren. Hij heeft in dat kader meerdere overzichten in het geding gebracht van mogelijke nieuwe woonlasten. De rechtbank acht het redelijk om thans met de toekomstige woonlasten rekening te houden bij de berekening van de draagkracht van de man voor het betalen van partneralimentatie. In dit kader heeft de rechtbank in haar berekening rekening gehouden met de overgelegde gegevens van een hypotheek van [b-bank] (voorstel 2) overgelegd bij brief van 17 september 2014. Hieruit blijkt een hypotheekrente van € 10.707,- per jaar, oftewel € 892,- per maand en een aflossing hypotheek van € 8.424,- per jaar, oftewel € 702,- per maand. Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met het forfait eigenaarslasten van € 95,- per maand."

5.48

Het hof schaart zich, na eigen onderzoek, achter de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking en maakt die tot de zijne. Naar het oordeel van het hof volgt de noodzaak voor het aangaan van een nieuwe hypothecaire geldlening door de man uit de door partijen gemaakte afspraken ter zake de boedelverdeling, zoals die blijken uit het proces-verbaal van de zitting van 13 augustus 2014. Ter zitting is echter gebleken dat de man zijn overbedelingsuitkering op dat moment nog niet had voldaan. Het hof beschikt niet over stukken waaruit blijkt per welke datum de overbedelingsuitkering is voldaan en de hypotheek derhalve is overgesloten. Het hof zal er bij gebrek aan wetenschap van uitgaan dat de hypotheek van de man in elk geval per 1 januari 2016 is overgesloten. Tot die periode zal het hof rekening houden met de oude hypotheekrente van de man ter hoogte van € 852,- per maand. In de periode vanaf 1 januari 2016 zal het hof rekening houden met de nieuwe woonlasten van de man. Het hof acht het in dit verband redelijk om evenals de rechtbank de offerte van [b-bank] -bank tot uitgangspunt te nemen voor het vaststellen van de hoogte van de nieuwe woonlasten van de man. Anders dan de vrouw stelt, kan van de man niet worden verlangd dat hij een kleinere woning gaat betrekken, onder verkoop van de voormalige echtelijke woning. Het hof ziet evenmin aanleiding om rekening te houden met de woonlasten die partijen ten tijde van hun huwelijk hadden, nu vast staat dat de man zijn nieuwe hypothecaire geldlening na oversluiting niet onder dezelfde voorwaarden als destijds zal kunnen verkrijgen. Van de man kan niet worden verlangd dat hij zijn woonlasten verlaagt door een looptijd van 30 jaar overeen te komen in plaats van een looptijd van 20 jaar. Indien de annuïtaire aflossingsvorm ertoe zou leiden dat de woonlasten van de man in de toekomst aanzienlijk zouden dalen, staat het de vrouw vrij alsdan een wijzigingsverzoek in te dienen. Het hof houdt daarmee op dit moment geen rekening.

5.49

Het voorgaande en mede in aanmerking genomen de niet betwiste posten in de draagkrachtberekening van de rechtbank in eerste aanleg, leidt tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier van het hof gewaarmerkte berekeningen van de draagkracht van de man voor partneralimentatie.

5.50

Uit de draagkrachtberekeningen blijkt dat de draagkrachtruimte van de man in de periode tot 1 januari 2016 € 2.513,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2016
€ 1.753,- per maand bedraagt. Van deze draagkrachtruimte is in beginsel 60% beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de vrouw, oftewel in de periode tot 1 januari 2016 € 1.508,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2015 € 1.052,- per maand.

5.51

Deze voor partneralimentatie beschikbare draagkrachtruimte dient evenwel te worden verminderd met het aandeel dat de man levert, inclusief de zorg, in de kosten van de kinderen. Partijen twisten over het bedrag dat ter zake hiervan in aanmerking dient te worden genomen.

5.52

Ten aanzien van [de minderjarige2] volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 476,99 per maand. Ten aanzien van [de minderjarige1] ziet het hof aanleiding om rekening te houden met haar behoefte, die evenals bij [de minderjarige2] op
€ 496,- per maand kan worden gesteld. Het hof overweegt daartoe dat de kosten die voor [de minderjarige1] moeten worden voldaan -gelet op de draagkracht van de vrouw- voor rekening van de man komen. Ten aanzien van [de jongmeerderjarige] ziet het hof aanleiding om haar behoefte, die eveneens op € 496,- per maand kan worden gesteld, ex aequo et bono te verminderen met een bedrag van € 100,- per maand ter zake eigen inkomsten (basisbeurs, stagevergoeding en/of anderszins) en derhalve uit te gaan van een bedrag van € 396,- per maand.

5.53

Op grond van het vorenstaande resteert voor de vrouw in de periode tot 1 januari 2016 een bedrag van € 139,- per maand (€ 1.508,- minus € 1.369,-). Gelet op de het door de man te genieten fiscaal voordeel wegens de mogelijkheid om betaalde partneralimentatie van zijn inkomen af te trekken, kan de man ten behoeve van de vrouw in de periode in de periode tot 1 januari 2016 een bedrag van € 239,- per maand betalen.

5.54

In de periode vanaf 1 januari 2016 heeft de man geen draagkracht om bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. Het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud dient dan ook te worden afgewezen voor zover het de periode vanaf 1 januari 2016 betreft.

5.55

Voor zover de man zijn verzoek onder III tot een nihilstelling betreffende de periode van 26 november 2014 tot 18 februari 2015 heeft beoogd te handhaven, ziet het hof daartoe geen aanleiding, nu van een partneralimentatieverplichting pas sprake is per de datum van ontbinding van het huwelijk, derhalve per 18 februari 2015, en de man geen wijziging van de voorlopige voorziening heeft verzocht.

5.56

Het verzoek van de vrouw, de man in de kosten van het geding te veroordelen, zal worden afgewezen, gelet op de aard van de procedure. Het hof zal de kosten van het geding in hoger beroep compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
De slotsom

5.57

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als volgt.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

In principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 november 2014, voor zover het de daarbij vastgestelde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige2] betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van 18 februari 2015 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige2] , geboren [in] 2001 met een bedrag van € 402,59 per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 november 2014, voor zover het de daarbij vastgestelde bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] in de periode vanaf 18 februari 2015 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het inleidend verzoek tot het vaststellen van een bijdrage voor de minderjarige [de minderjarige1] , geboren [in] 1999;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 november 2014, voor zover daarbij de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil is bepaald, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van 18 februari 2015 tot 1 januari 2016 dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 239,- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;


wijst af het inleidend verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw voor zover het de periode vanaf 1 januari 2016 betreft;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. I.A. Vermeulen en

mr. S. Rezel, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2016 in bijzijn van de griffier.