Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1415

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
200.171.504/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging partneralimentatie bij convenant overeengekomen. Strenge maatstaf. Uitleg van het begrip 'paardenalimentatie'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2016/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.171.504/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/105173/FA RK 14-1408)

beschikking van de familiekamer van 16 februari 2016

inzake

[de man] ,

wonende te [A] ,

verzoeker,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.A.J.C. Koopman-van Lieshout, kantoorhoudend te Rosmalen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [A] ,

verweerster,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. T. Meijer, kantoorhoudende te Meppel; voorheen mr. L.I. Veenstra te Assen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 11 maart 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Ingediend zijn de volgende stukken:

- het beroepschrift, ingekomen op 11 juni 2015;

- het verweerschrift, ingekomen op 18 augustus 2015;
- een journaalbericht van mr. Veenstra van 17 augustus 2015;
- een journaalbericht met bijlagen van mr. Koopman-van Lieshout van 24 september
2015.

2.2

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2015. De man is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. Koopman-van Lieshout en door mr. F.E.C. Koopman. De vrouw is verschenen bijgestaan door mr. T. Meijer (die heeft waargenomen voor mr. Veenstra).

2.3

Het hof heeft partijen na de mondelinge behandeling, bij brieven van 30 oktober 2015, in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het antwoord van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) op prejudiciële vragen en heeft in verband daarmee de uitspraak enige tijd aangehouden. Het hof heeft kennisgenomen van de schriftelijke reacties van mr. Meijer van 13 november 2015 en van mr. Koopman-van Lieshout van 26 november 2015.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in] 1988 in de gemeente [B] met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee inmiddels meerderjarige kinderen geboren; in 1993 [C] en in 1996 [D] .

3.2

Bij beschikking van 13 januari 2010 heeft de rechtbank Amsterdam de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 9 februari 2010 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

3.3

In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de regeling zoals tussen partijen is overeengekomen in het aan de beschikking gehechte echtscheidingsconvenant d.d. 23 november 2009 inclusief ouderschapsplan van die datum, als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd en deel uitmaakt van de beschikking. In het echtscheidingsconvenant zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:
"(..)
3. PARTNERALIMENTATIE
Bij de afspraken over partneralimentatie hebben partijen de volgende gegevens als uitgangspunt genomen:
- het bruto jaarinkomen van de man per 1 januari 2009 ad € 72.000,- per jaar, exclusief
8% vakantietoeslag;
- het bruto jaarinkomen van de vrouw per 1 januari 2009 ad € 0,- per jaar
Indien er een aanzienlijke wijziging in de financiële situatie optreedt, of iedere verandering van de situatie zoals die aan het einde van het huwelijk is, treden man en vrouw met elkaar in overleg. Eventueel zal een onafhankelijk bureau gevraagd worden een alimentatieberekening (incl. draagkrachtvergelijking) te maken op basis van de financiële gegevens van de man en de vrouw op dat moment. Indien deze berekening aanleiding geeft tot wijzigen van partneralimentatie dienen man en vrouw een bedrag aan partneralimentatie met elkaar overeen te komen.
Artikel 3.1 Algemeen
(..)
b. De man zal maandelijks bij vooruitbetaling voor de 1e van de maand aan de vrouw voldoen een bedrag van € 4.000,-
bruto, als bijdrage in haar levensonderhoud, vermeerderd met een bedrag van 2/3 deel van het vakantiegeld van de
man, eenmaal per jaar te voldoen in de maand mei, bij wijze van vakantiegeld.
(..)
e. Indien er een aanzienlijke wijziging optreedt in de financiële of persoonlijke situatie van de alimentatiegerechtigde
en/of de alimentatieplichtige (bijv. opnieuw samenwonen, meerderjarig worden van inwonende kinderen, hoger
inkomen van de alimentatiegerechtigde), zal een onafhankelijk bureau opdracht gegeven worden opnieuw een
uitgebreide alimentatieberekening (incl. draagkrachtvergelijking) te maken op basis van de actuele financiële- en
gezinssituatie van zowel de man als vrouw op dat moment. Indien deze berekening aanleiding geeft tot wijzigen van
partneralimentatie en/of kinderalimentatie zullen man en vrouw alsdan opnieuw een bedrag aan partneralimentatie
en/of kinderalimentatie met elkaar overeen komen. Indien niet tot overeenstemming kan worden gekomen, treedt
artikel 9 b in werking.

Artikel 3.2 Inkomsten alimentatiegerechtigde

Eigen inkomsten van de alimentatiegerechtigde vormen geen grond voor vermindering van de partneralimentatie;
(..).

4 VERDELING GEMEENSCHAP
(..)
e. De paarden die mede eigendom zijn van [E] B.V. blijven gehuisvest op het erf aan de [a-straat]
51, [A] en worden verzorgd door de vrouw. [E] B.V. betaalt de kosten van de verzorging
van de paarden die door de man en de vrouw is vastgesteld op € 1.000,- per maand. De kosten van de verzorging van
de paarden kunnen in overleg jaarlijks worden gewijzigd.
(..). "

3.4

De man is nadien opnieuw gehuwd, met mw. [F] . De vrouw heeft ook een nieuwe relatie, met dhr. [G] .

3.5

Op 28 mei 2014 heeft de man een verzoekschrift ingediend waarin hij verzoekt - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de door de hem aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie per 1 juni 2014 op nihil te stellen, alsmede te bepalen dat de man (direct of indirect) per 1 juni 2014 niet meer gehouden is om het bedrag van € 1.000,- al dan niet middels [E] B.V. aan de vrouw te voldoen, althans zodanig te bepalen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, zulks met compensatie van kosten.

3.6

De vrouw heeft op 12 augustus 2014 een verweerschrift ingediend waarin zij concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de man, dan wel afwijzing van het verzoek van de man en tevens verzoekt om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de man te betalen kinderalimentatie per 1 januari 2014 vast te stellen op € 400,- althans zodanig te bepalen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. De (jong)meerderjarige [D] heeft de vrouw gemachtigd namens haar op te treden.

3.7

De man heeft op 31 oktober 2014 een verweerschrift met betrekking tot het zelfstandig verzoek van de vrouw ingediend waarin hij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.

3.8

De vrouw heeft op 29 oktober 2014 bij akte producties ingediend.

3.9

Op 13 november 2014 heeft de rechtbank de zaak ter terechtzitting behandeld. De man heeft daarna nog een akte genomen waarop zijdens de vrouw is gereageerd.

3.10

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank vervolgens aldus beslist dat de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in haar (zelfstandig) verzoek en dat het verzoek van de man is afgewezen, een en ander met beslissing omtrent proceskosten. De man is in hoger beroep gekomen van deze beschikking.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het geschil in deze procedure betreft de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie en meer in het bijzonder het verzoek van de man tot wijziging daarvan. Tegen de beslissing omtrent de kinderalimentatie is in dit verband geen grief gericht.

4.2

De man heeft in zijn beroepschrift drie grieven opgeworpen met betrekking tot de beslissing over de partneralimentatie. De man verzoekt het hof om de bestreden beschikking (het hof begrijpt: in zoverre het de beslissing over de partneralimentatie betreft) te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen dat zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de vrouw alsook de bijdrage zoals vermeld in het hiervoor aangehaalde artikel 4 onder e van het echtscheidingsconvenant, op nihil vast te stellen met ingang van 1 juni 2014, althans vast te stellen op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag met ingang van een datum die het hof in goede justitie juist acht.

4.3

De vrouw heeft in haar verweerschrift het verzoek van de man in hoger beroep en de gronden waarop dat berust bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing ervan met bekrachtiging van de bestreden beschikking.
De geschilpunten

4.4

De geschilpunten tussen partijen betreffen in het bijzonder:
- de draagkracht van de man op het punt van zijn inkomen en vermogen;
- de behoefte/behoeftigheid van de vrouw;
- de betekenis van de bepalingen van het echtscheidingsconvenant betreffende de
'paardenalimentatie’.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Partijen zijn het erover eens en hebben ter zitting van het hof desgevraagd bevestigd, dat het onderhavige wijzigingsverzoek van de man, gelet op de bewoordingen in het convenant, dient te worden beoordeeld naar de maatstaf genoemd in artikel 1:159 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

5.2

Dit brengt mee dat de overeenkomst tot levensonderhoud kan worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan de overeenkomst mag worden gehouden.

5.3

Hierbij dient, mede blijkens de toelichting op dit wetsartikel, te worden gedacht aan een situatie waarin sprake is van een zeer ingrijpende wijziging van omstandigheden waardoor sprake is van een volkomen wanverhouding tussen hetgeen partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en wel zodanig dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de vrouw de man aan het beding zou houden.

5.4

De man heeft aan zijn verzoek, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij op 25 maart 2014 is ontslagen als statutair bestuurder van [H] B.V. en van [I] B.V., en vervolgens per 1 juni 2014 is ontslagen als directeur van [H] B.V. Aangezien hij als directeur groot aandeelhouder niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering beschikt hij niet langer over een inkomen, waardoor hij niet langer in staat is de in het echtscheidingsconvenant overeengekomen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen

5.5

De man heeft in zijn inleidend verzoekschrift toegelicht dat hij in loondienst is geweest bij [H] B.V. tegen een bruto jaarinkomen van circa
€ 77.400,- en voorts dat hij via zijn management vennootschap R.F.A. [E] B.V., voor 25% aandeelhouder is van [J] B.V., welke voor 100% aandeelhouder isvan [I] B.V. Bij brief van 5 maart 2014 van mr. [K] is de man verzocht met onmiddellijke ingang zijn werkzaamheden te staken. Bij brief van mr. [K] van 25 maart 2014 is medegedeeld dat op de aandeelhoudersvergadering is besloten dat de man per direct is ontslagen als statutair bestuurder van [H] B.V. en van [I] B.V. Tevens is de arbeidsrelatie van de man met [H] B.V. met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van twee maanden beëindigd, derhalve per 1 juni 2014. De man stelt dat hij als gevolg van deze besluiten per 1 juni 2014 geen inkomen meer heeft, mede omdat hij als dga geen aanspraak heeft op een WW-uitkering. Ofschoon de man goede hoop had dat hij een vergoeding zou ontvangen in het kader van het ontslag, ter zake waarvan zijn advocaat op 11 april 2014 een brief heeft geschreven aan mr. [K] (die het ontslag had medegedeeld bij brief van 25 maart 2014), is deze tot dusver uitgebleven.

5.6

Voorts is namens de man onder meer opgemerkt dat [H] B.V. medio 2010 werd uitgekozen en uitgenodigd om in onderhandeling te treden met [I] B.V. om dat bedrijf over te nemen. Dat heeft er medio 2011 in geresulteerd dat [I] werd overgenomen voor de som van € 3.000.000,-. Daarvoor werd bij [L] B.V. de helft geleend in ruil waarvoor deze als vierde aandeelhouder toetrad tegen betaling van € 500.000,-. Daarbij werd een zogenaamde 'earn out' met [I] afgesproken van € 1.000.000,- in drie jaar, dus € 333.333,- per jaar. Daaromtrent is blijkens de toelichting van de man een (arbeids)conflict ontstaan. Volgens de man voldeed [I] niet aan haar verplichting die deel uitmaakte van de koopovereenkomst om haar klanten direct over te dragen aan [H] . De man ging zich daarom verzetten tegen het overmaken van de afgesproken jaarlijkse 'earn out' aan [I] en heeft dat in heldere en klare taal gedaan, hetgeen door de andere aandeelhouders is aangegrepen om het ontslag van [de man] te bewerkstelligen. De achterliggende reden was volgens de man dat hij een aanzienlijk lagere omzet haalde dan in voorgaande jaren als gevolg van het door de AFM ingestelde provisieverbod voor beleggingsondernemingen. Die provisie was nu juist het verdienmodel van [de man] en dus van [H] .

5.7

De rechtbank heeft in eerste aanleg het wijzigingsverzoek van de man afgewezen. Onder meer heeft de rechtbank daartoe in de bestreden beschikking overwogen, daarbij acht slaand op het door de vrouw gevoerde verweer, dat door de man onvoldoende is aangetoond en aannemelijk gemaakt dat de man zijn ontslag - dat in zijn ogen onterecht was - zonder enige voorwaarde of vergoeding geaccepteerd heeft. Daarnaast heeft de man volgens de rechtbank, hoewel daarom is verzocht en hij daartoe nader in de gelegenheid is gesteld, onvoldoende informatie verstrekt over zijn vermogenspositie en het verloop daarvan. De man heeft volgens de rechtbank niet althans onvoldoende aangetoond dat hij niet langer over draagkracht beschikt. De man voert naar het oordeel van de rechtbank een schimmenspel op omtrent de wijze waarop hij zijn posities bij [H] B.V. en [J] B.V. is kwijtgeraakt en hoe de financiële afwikkeling daarvan heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt verder onder meer dat de man, althans zijn holding [E] B.V., beschikte over 25% van de aandelen van [J] B.V. Het eigen vermogen van deze bv bedroeg, aldus de rechtbank, eind 2013
€ 3.076.594,- terwijl de man stelt dat hij deze aandelen heeft overgedragen voor slechts
€ 1,-. Daarmee zou een schuld die de man zou hebben aan de bv zijn kwijtgescholden, maar het hebben van die schuld blijkt volgens de rechtbank nergens uit. Het had ook voor de hand gelegen dat de man een ontslagvergoeding zou hebben gekregen indien de man inderdaad slechts € 1,- voor zijn aandelen heeft ontvangen. Daarnaast bestaat volgens de rechtbank onduidelijkheid over een procedure die de man zou zijn gestart tegen [H] c.s. Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat sprake is van onherstelbaar en niet verwijtbaar inkomensverlies en dat tevens niet is komen vast te staan dat de man niet meer de beschikking zou hebben over enig substantieel, inkomensvervangend, vermogen.
De inkomens- en vermogenspositie van de man

5.8

De tweede grief van de man heeft betrekking op de overwegingen van de rechtbank omtrent zijn ontslag en de inzichtelijkheid van de geldelijke afwikkeling daarvan. De derde grief heeft betrekking op de inzichtelijkheid van het vermogen van de man. Toegelicht is onder meer dat [H] B.V. in 2004 is opgericht door de man samen met twee andere personen, namelijk [M] en [N] . De aandelen werden destijds gelijk verdeeld waardoor ieder van hen in zijn personal holding 33,3% van [H] hield. Medio 2011 is met behulp van een externe financier [I] B.V. overgenomen. Daartoe is [J] opgericht als holding waarbij door de financier kapitaal is ingebracht en door de oude aandeelhouders hun aandelen in [H] . [J] B.V. heeft nu vier aandeelhouders (drie en de bestaande financier) die ieder 25% van de aandelen hebben.
Tussen de financier en [J] bestaat een overeenkomst van geldlening tegen een rente van 8% gedateerd 1 juli 2011. Daarin staat onder andere dat aflossingen dienen plaats te vinden in termijnen gelijk aan de netto winst van [J] en dat indien de lening niet voor 30 juni 2016 is afgelost de (resterende) lening wordt geconverteerd in aandelenkapitaal (5% voor iedere € 100.000,-). De benodigde aandelen [J] komen om niet in gelijke verdeling uit het aandelenbezit van de personal holdings van de drie oprichters. Op 31 maart 2012 is uit hoofde van de toezichthoudende bepalingen van de Nederlandse Bank (DNB) een 8% geldleningsovereenkomst gesloten tussen [J] en de vier aandeelhouders ter hoogte van € 450.000,- elk. Deze lening van [J] aan de aandeelhouders is gebruikt voor de financiering van een additionele kapitaalstorting op de aandelen van [J] . Die constructie is volgens de man noodzakelijk geweest om te kunnen voldoen aan de vereisten. Het prudentieel tekort diende te worden aangevuld. Het DNB kasrondje ofwel de lening heeft plaatsgevonden in juni 2012. In maart 2014 is de man ontslagen. Na overleg met zijn advocaat heeft de man, hoewel hij het niet eens is met het ontslag, vanwege het financieel risico van een procedure gekozen voor een minnelijk traject. De onderhandelingen tussen de advocaat van de man mr. F.E.C. Koopman en [H] zijn volgens de man in een vergevorderd stadium.

5.9

De grieven twee en drie van de man falen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden dat hij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan zijn onderhoudsplicht kan worden gehouden. De man heeft naar het oordeel van het hof zijn wijzigingsverzoek, in het bijzonder het door hem gestelde ontbreken van draagkracht, ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd. Hij heeft in dit verband nog steeds teveel onduidelijkheid laten bestaan omtrent de afwikkeling van zijn ontslag en omtrent zijn vermogen. Het hof stelt daarbij voorop dat de man gedurende een tiental jaren een bovengemiddeld goedlopend bedrijf heeft gehad, waaruit hij een inkomen genereerde. Dat de man helemaal geen vermogen heeft overgehouden of zal overhouden aan de verkoop van de aandelen vergt een nadere toelichting. Het hof beschikt bijvoorbeeld niet over de aangifte inkomstenbelasting 2014 van de man noch over informatie betreffende de uiteindelijke afloop van het ontslagtraject. Daarbij heeft de man geen inzicht gegeven in de financiële positie van zijn andere, naar de man stelt inactieve, bv ( [O] ), ontbreken stukken van de verschillende bv's van de man over 2011 tot en met 2013, de stukken van 2014 en 2015 van zijn persoonlijke holding en heeft de man in hoger beroep niet voldoende opgehelderd hoe het zit met de in de bestreden beschikking door de rechtbank geconstateerde hoge rentebate. In het bijzonder blijkt uit de als productie 11 bij het beroepschrift overgelegde bankafschriften niet dat dit geld van [F] afkomstig is. Daarbij neemt het hof in ogenschouw dat de man in de afgelopen jaren diverse keuzes heeft gemaakt in het voordeel van hem (en zijn nieuwe echtgenote) in privé, die onmiskenbaar de waarde van zijn onderneming hebben beïnvloed. Zo is hem vanuit het bedrijf een lening verstrekt van
€ 270.000,- tegen 0% rente en heeft zijn nieuwe echtgenote op de loonlijst gestaan voor
€ 1.800,- per maand zonder daar tegenover staande relevante werkzaamheden. Daarbij verricht de man momenteel naar eigen zeggen voor een substantieel aantal uren per week werkzaamheden in de onderneming van zijn echtgenote. Nu de man naar eigen zeggen sinds 1 juni 2014 (nagenoeg) zonder inkomen zit en de onderneming van zijn echtgenote verliesgevend is tot op heden, had van de man verwacht mogen worden elders op zoek te gaan naar werk. Bovendien heeft de man geen inzicht gegeven in de financiële situatie van zijn echtgenote. Nu de man naar eigen zeggen sinds 1 juni 2014 (nagenoeg) zonder inkomen zit en de onderneming van zijn echtgenote tot op heden verliesgevend is, rijst de vraag waarvan de man en zijn echtgenote leven, hetgeen zoals uit het voorgaande blijkt niet afdoende door de man is opgehelderd.

5.10

Voor zover de man (alsnog) mede een gewijzigde behoeftigheid van de vrouw aan zijn verzoek ten grondslag heeft willen leggen heeft de vrouw naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat aan haar zijde geen sprake is van zodanige gewijzigde omstandigheden dat tot een andere conclusie moet worden gekomen omtrent het wijzigingsverzoek van de man. Dat geldt ook voor de stelling dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd. Ook die stelling, voor zover gehandhaafd, is door de vrouw betwist en door de man in dat licht onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft ter zitting voorts onbetwist toegelicht dat zij zich heeft ingespannen om aan het werk te geraken en weer een eigen inkomen uit arbeid te verwerven. Zo heeft zij veelvuldig gesolliciteerd sinds de scheiding en is zij in 2012 met een opleiding begonnen (als doktersassistente) die zij in 2014 succesvol heeft afgerond met een diploma. In 2015 heeft zij uiteindelijk een (parttime) baan gevonden. Het inkomen daaruit is echter onvoldoende om in de (hoge) kosten van levensonderhoud te voorzien. Er is sprake van een hypotheekachterstand, waarvoor de man mede aansprakelijk is, en de vrouw heeft te kampen met een 'pensioengat' waarbij onzeker is wat de toekomst zal brengen.

5.11

Het voorgaande betekent dat het verzoek van de man tot wijziging van de partneralimentatie terecht is afgewezen en die beslissing in hoger beroep dus stand houdt.
De 'paardenalimentatie’

5.12

De afspraak tussen partijen in het echtscheidingsconvenant, hiervóór in r.o. 3.3 geciteerd, over de vergoeding voor de paarden betreft volgens de rechtbank een verplichting van [E] B.V. aan de vrouw en niet een alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw. Dat de man om hem moverende redenen (deels) de vergoeding voor de paarden in de praktijk zelf aan de vrouw heeft betaald kan daaraan niet af doen, aldus de rechtbank.

5.13

De man kan zich niet vinden in dat oordeel van de rechtbank. In zijn eerste grief betoogt de man in dit verband dat hetgeen partijen zijn overeengekomen ter zake van de kosten van de paarden, welk bedrag is vastgesteld op € 1.000,- per maand, als een vorm van partneralimentatie aangemerkt dient te worden. Daartoe heeft de man onder meer opgemerkt dat, alhoewel partijen dit anders hebben geformuleerd in het echtscheidingsconvenant, de praktijk leert dat het bedrag van € 1.000,- per maand eveneens als een verkapte vorm van partneralimentatie beschouwd dient te worden. Het voornoemde bedrag ziet feitelijk volgens de man niet alleen op kosten van verzorging van de paarden maar mede op vergoeding aan de vrouw voor het huishouden, zodat het haar en de dochters van partijen aan niets ontbrak. De man stelt verder dat tussen partijen al eerder is gesproken over bijstelling van de kosten van de paarden en dat het bedrag niet langer past bij de situatie.

5.14

De vrouw wijst op de bewoordingen van het convenant en de plaats waar de afspraak over de vergoeding voor de kosten van de paarden in dat convenant is opgenomen en betwist dat het aldaar overeengekomen bedrag als een vorm van partneralimentatie aangemerkt dient te worden. Het gaat volgens de vrouw (alleen) om kosten van de paarden en de vrouw wijst erop dat de paarden voor 2/3 deel niet eens haar eigendom zijn maar van [E] B.V. c.q. van de man. Daarbij wijst de vrouw erop dat het gaat om een vordering die de vrouw heeft op de bv en niet op de man. Verder betwist de vrouw dat tussen partijen is gesproken over verlaging van de vergoeding voor de paarden althans dat een lager bedrag is overeengekomen.

5.15

Het hof overweegt dat het bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst niet enkel aankomt op de taalkundige betekenis van de tekst van die overeenkomst maar dat vooral bepalend is de zin die partijen onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan een bepaling mogen toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten. Daarbij kan ook betekenis worden toegekend aan gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst.

5.16

Wat betreft de achtergronden van de hier bedoelde vergoeding voor de paarden is ter zitting van het hof onder meer gebleken dat beide partijen niet helder meer voor ogen hadden hoe het precies is gegaan tijdens het huwelijk wat betreft de (her)komst van de paarden en eigendomsverhoudingen. Niet in geschil is voorts dat de man op enig moment privé betalingen heeft verricht ter voldoening van de aanspraak van de vrouw op de hier bedoelde vergoeding voor de paarden.

5.17

Het hof wijst er in navolging van de vrouw op dat in het convenant door partijen uitdrukkelijk een onderscheid is gemaakt tussen enerzijds partneralimentatie (in artikel 3) en anderzijds de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk (artikel 4) en dat de hier bedoelde vergoeding voor de paarden niet in het kader van de partneralimentatie is opgenomen. Het betreft hier voorts geen persoonlijke verplichting van de man jegens de vrouw maar een verplichting van de bv jegens de vrouw uit hoofde van de rechtsverhouding tussen de bv en de vrouw ter zake van de gemeenschappelijke eigendom van de paarden,
een en ander in verband met de door haar op zich genomen verzorging van de paarden. Weliswaar is de bv niet als zodanig als (derde) partij in het convenant vermeld, maar dat leidt nog niet tot de conclusie dat de afspraak niet gold tussen de vrouw en de bv. Dat de man op enig moment de betalingen uit hoofde van die verplichting van zijn bv uit zijn privévermogen heeft voldaan, brengt op zichzelf geen wijziging teweeg in de aard van de hier bedoelde verplichting. Dat mede om fiscale redenen voor deze constructie is gekozen ten tijde van het convenant, wat daar ook van zij, kan evenmin tot de conclusie leiden dat het hier gaat om (verkapte) partneralimentatie.

5.18

Dit onderdeel van het verzoek van de man valt aldus buiten het bereik van de onderhavige alimentatieprocedure en is daarom terecht (eveneens) door de rechtbank afgewezen. Hiermee faalt ook grief 1 van de man.

6 De slotsom

6.1

Het voorgaande leidt tot een bekrachtiging van de bestreden beschikking, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen.

7 De beslissing

Het gerechtshof:


bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 11 maart 2015 voor zover aan dit hoger beroep onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. M.P. den Hollander en mr. I.A. Vermeulen en is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016 in bijzijn van de griffier.