Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1412

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
200.176.185/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stamrecht BV. Geen sprake van een definitieve stamrechtovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.176.185/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/94667/FA RK 12-2297)

beschikking van de familiekamer van 16 februari 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. W.J.A. van Es, kantoorhoudend te Meppel,

tegen

[verweerster] ,

in hoedanigheid van enig erfgenaam in de nalatenschap van [B] , aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving,

wonende te [C] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerster] ,

advocaat: mr. W.J.P. Suringar, kantoorhoudend te Assen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de (voormalige) rechtbank Assen respectievelijk de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 24 oktober 2012, 30 oktober 2013, 7 januari 2015 en 3 juni 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 september 2015, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen. [verzoekster] verzoekt het hof die beschikkingen met inachtneming van haar grieven en wijziging van verzoeken te vernietigen en opnieuw beslissende, zo nodig onder verbetering van gronden:

I.

primair:

1. de aandelen van de besloten vennootschap [D] B.V. aan [verweerster] toe te delen, waarbij de toedeling "om niet" plaatsvindt;

2. te verklaren voor recht dat [verzoekster] uit hoofde van de verdeling van de (waarde van) pensioenrechten, althans de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap met wijlen [B] een vordering heeft op de ontbonden huwelijksgemeenschap, althans op [verweerster] van € 141.450,-, althans een zodanige vordering als het hof in goede justitie vermeent te behoren;

3. de stichting [E] aan [verweerster] toe te delen, zonder verdere verrekening met [verzoekster] ;

subsidiair:

1. de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap voor zover het betreft de [D] B.V., de stichting Stichting [E] en de (waarde van) pensioenrechten van [verzoekster] vast te stellen zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren;

II.

met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 november 2015, heeft [verweerster] het verzoek in hoger beroep van [verzoekster] bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen een journaalbericht met bijlagen van 29 september 2015 en een journaalbericht met bijlagen van 30 november 2015, beide van mr. Van Es.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 14 december 2015 plaatsgevonden. Verschenen zijn [verzoekster] , mr. Van Es, [verweerster] en mr. Suringar. Mr. Suringar heeft het woord gevoerd mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnotities. Mr. Suringar heeft ter zitting - met instemming van het hof - een brief van 10 december 2015 van de [a-bank] aan [D] B.V. overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

[B] (hierna: [B] ) en [verzoekster] zijn [in] 1991 in de gemeente Hoogeveen in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

3.2

[B] heeft op 12 april 2012 een inleidend verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen bij de rechtbank ingediend. [verzoekster] heeft daarop een verweerschrift ingediend.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 24 oktober 2012 is de echtscheiding tussen [B] en [verzoekster] uitgesproken, welke beschikking op 16 november 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4

[B] is [in] 2013 overleden. Bij testament van 16 april 2013, verleden voor mr. [F] , notaris te [G] , had hij [verweerster] tot zijn enig erfgenaam benoemd. [verweerster] heeft de nalatenschap van [B] beneficiair aanvaard.

3.5

Bij beschikking van 3 juni 2015 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang -

verstaan dat de aandelen in de besloten vennootschap [D] B.V. bij helfte worden verdeeld en dat deze aandelen dienen te worden geleverd uiterlijk op 1 januari 2015.

4 De omvang van het geschil

4.1

Ter zitting heeft [verzoekster] de grief inzake Stichting [E] ingetrokken. Deze grief is derhalve niet meer aan de orde en behoefte geen behandeling meer.

4.2

De geschilpunten betreffen:

- de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap op de volgende punten:

- de aandelen van de besloten vennootschap [D] B.V.;

- de waarde en de verdeling van de pensioenrechten/het stamrecht inzake [D] B.V.;

- de proceskostenveroordeling.

5 De motivering van de beslissing

De wijziging van het verzoek

5.1

[verzoekster] heeft in haar beroepschrift haar verzoek gewijzigd. [verweerster] heeft dit verzoek op inhoudelijke gronden bestreden. Nu [verweerster] voldoende gelegenheid heeft gehad om in te gaan op het gewijzigd verzoek en dit verzoek ook overigens niet in strijd is met de goede procesorde, zal het hof op dit gewijzigd verzoek recht doen.

De verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

Ten aanzien van de aandelen van de besloten vennootschap [D] B.V.

5.2

Niet (meer) in geschil is dat [verweerster] en [verzoekster] in december 2014 zijn overeengekomen dat de aandelen van de B.V. bij helfte dienden te worden verdeeld. Het hof is van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om te kunnen oordelen dat deze overeenkomst dient te worden vernietigd of op andere wijze moet worden aangetast. In het bijzonder zijn geen steekhoudende gronden aangevoerd op basis waarvan, in afwijking van vermelde overeenkomst, alle aandelen aan [verweerster] zouden moeten worden toegedeeld. Dat de aandelen inzake [D] B.V. geen waarde meer hebben en [verzoekster] daarom geen belang meer heeft bij de verdeling hiervan, zoals [verzoekster] heeft gesteld, acht het hof daartoe volstrekt onvoldoende.

Ten aanzien van de pensioenrechten/het stamrecht inzake [D] B.V.

5.3

[verzoekster] heeft - kort samengevat - gesteld dat zij een vordering heeft op [D] B.V., die door [B] is opgericht, hetzij uit hoofde van haar aanspraak op opgebouwde pensioenrechten tijdens het huwelijk die verevend dienen te worden volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps), hetzij uit hoofde van verdeling van de huwelijksgemeenschap. [verzoekster] is van mening dat zij er belang bij heeft dat in rechte komt vast te staan wat de hoogte is van haar (ouderdoms)pensioenrechten dienaangaande. Ook als de waarde van de aandelen inzake [D] B.V. op enig moment nihil is, blijft de vordering ten bedrage van het opgebouwde stamrecht ongewijzigd bestaan, aldus [verzoekster] . Volgens [verzoekster] is in [D] B.V. tot de datum van overlijden van [B] een voorziening, in de financiële stukken aangeduid als pensioen, opgebouwd. Deze voorziening is tot stand gekomen door een storting van € 100.000,- als ontslagvergoeding door de voormalige werkgever van [B] als vergoeding voor te derven inkomsten over een reeks van jaren, vermeerderd met een jaarlijkse verplichte rente van 4%.

Primair stelt [verzoekster] zich op het standpunt dat er een stamrechtovereenkomst bestaat, althans dat deze heeft bestaan, op grond waarvan zij aanspraak heeft op de pensioenvoorziening. [verzoekster] beschikt over het concept van de stamrechtovereenkomst en gaat er vanuit dat het door [B] en zijn voormalige werkgever ondertekende exemplaar is meegenomen door [B] dan wel dat hij (of zijn erfgename) deze heeft vernietigd. [D] B.V. had gelet op de opgebouwde pensioenvoorziening, die tot stand is gekomen door de storting van € 100.000,- als ontslagvergoeding door de voormalige werkgever van [B] , vermeerderd met een jaarlijkse verplichte rente van 4%, de verplichting om in de toekomst periodieke uitkeringen te doen aan [B] . Een stamrecht kan niet bestaan zonder dat hieraan een getekende overeenkomst tussen werkgever en werknemer ten grondslag ligt, aangezien de werkgever bij uitkering van een ontslagvergoeding zonder inhoudingen niet het risico wil lopen alsnog door de fiscus aansprakelijk te worden gesteld voor inhouding van loonbelasting. Dat er sprake is van een stamrechtovereenkomst volgt ook uit de uitlatingen die jegens [verzoekster] zijn gedaan. Bovendien strekken de jaarlijkse oprenting en de belastingaangiften door [B] tot bewijs van het feit dat het hier om een stamrecht ging.

5.4

Het hof overweegt hierover als volgt.

5.5

Voor zover [verzoekster] heeft gesteld dat er sprake is van een stamrechtverplichting die verdeeld dient te worden, overweegt het hof dat [verzoekster] , op wie krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht rust, haar stelling dat er sprake is van een stamrechtovereenkomst, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [verweerster] , onvoldoende nader heeft onderbouwd. Weliswaar kan als vaststaand aangenomen worden dat [B] in februari 2004 [D] B.V. heeft opgericht met als (primair) doel het afsluiten van een stamrechtovereenkomst met zijn voormalige werkgever, en heeft [verzoekster] een concept-stamrechtovereenkomst uit die periode overgelegd, maar een definitieve, ondertekende, stamrechtovereenkomst bevindt zich niet bij de stukken, terwijl [verweerster] gemotiveerd heeft betwist dat deze bestaat.

5.6

Het hof acht in dit verband van doorslaggevend belang de e-mail (productie 1 bij verweerschrift in appel) die [B] op 25 februari 2011 om 13.46 uur heeft verzonden en waarin staat vermeld:

“ Bijgaand alle documenten die ik nog gevonden heb:

vaststellingsovereenkomst

beschikking rechtbank

concept stamrechtovereenkomst, maar die ben ik dus nooit nodig geweest, en is nimmer ondertekend.”

5.7

Het hof verwijst ook naar de (ongedateerde) email van een van de beheerders van [D] B.V. (productie 3 bij brief van 3 december 2014, in hoger beroep overgelegd als productie V). De inhoud hiervan luidt:

"7. Er is geen stamrechtovereenkomst in de nalatenschap van [B] aangetroffen. Door zijn overlijden is de stamrechtverplichting van de BV vervallen en is het daardoor vrijgekomen bedrag toegevoegd aan het resultaat van de BV in 2013. Hierover is inmiddels met de Fiscus via de aangifte VPB afgerekend."

5.8

De cursief vermelde bewoordingen ondersteunen het verweer van [verweerster] dat de stamrechtovereenkomst nooit definitief tot stand is gekomen. Gelet hierop had het op de weg van [verzoekster] gelegen haar stelling dat deze er wel is geweest nader te onderbouwen, hetgeen zij niet genoegzaam heeft gedaan.

De wijze waarop de ontslagvergoeding in de boekhouding – inclusief belastingaangiften - is geadministreerd, acht het hof in dat verband onvoldoende. De stelling dat de voormalige werkgever van [B] de ontslagvergoeding niet had uitgekeerd, indien er geen definitieve stamrechtovereenkomst was ondertekend, aangezien een werkgever niet het risico wil lopen alsnog door de fiscus aansprakelijk te worden gesteld voor inhouding van loonbelasting, is evenmin voldoende om het bestaan van de stamrechtovereenkomst aan te nemen. Dat de voormalige werkgever van [B] niet over een getekende stamrechtovereenkomst beschikt, omdat archiefstukken ouder dan zeven jaar zijn vernietigd, kan evenmin tot de door [verzoekster] gewenste conclusie leiden.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er een (definitieve) stamrechtovereenkomst is totstandgekomen. Dit betekent dat het hof voorbij gaat aan de stelling van [verzoekster] dat er sprake is van een stamrechtverplichting die verdeeld zou moeten worden. Omdat [verzoekster] , zoals blijkt uit het voorgaande, niet heeft voldaan aan haar stelplicht komt het hof aan bewijslevering niet toe.

5.9

Voor zover [verzoekster] heeft gesteld dat er sprake is van een (stamrecht-)verplichting die op grond van de Wvps dient te worden verevend, gaat het hof aan haar stelling voorbij, nu uit bovenstaande overwegingen volgt dat een dergelijke verplichting niet is ontstaan omdat er geen stamrechtovereenkomst tot stand is gekomen. Evenmin is gebleken dat [B] en [verzoekster] afspraken hebben gemaakt om (eventuele) pensioenrechten te verrekenen. Voor zover [verzoekster] heeft gesteld dat sprake is van een pensioen in de zin van de Wvps dat verevend dient te worden op grond van die wet, is het hof dan ook van oordeel dat zij haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

5.10

Subsidiair heeft [verzoekster] gesteld dat zij aanspraak maakt op verdeling van het totaalbedrag van de (pensioen)voorziening die is ingebracht en verder opgebouwd in [D] B.V. op grond van het huwelijksgoederenregime, de bedoeling van partijen tijdens het huwelijk en de afspraak tijdens het huwelijk dat dit 'ons pensioen' was. Dat echter [verzoekster] , naast haar aanspraken op grond van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap op (aandelen van) de B.V., nog rechten zou kunnen doen gelden op het resultaat van de inbreng van de ontslagvergoeding in de B.V. ontbeert naar het oordeel van het hof juridische basis.

5.11

Evenmin kan [verzoekster] aanspraken ontlenen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding als voormalige echtgenoten beheersen. Het enkele feit dat de ontslagvergoeding in een stamrecht B.V. is ondergebracht en, zoals [verzoekster] stelt, aan de boedelverdeling van de huwelijksgoederengemeenschap is onttrokken, wat daar verder van zij, noopt daar niet toe.

De proceskostenveroordeling

5.12

Het hof ziet geen aanleiding om [verweerster] te veroordelen in de proceskosten, zoals [verzoekster] heeft verzocht, en zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu de procedure de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap betreft.

Slotsom

5.13

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikkingen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikkingen van de (voormalige) rechtbank Assen en de rechtbank Noord-Nederland waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 16 februari 2016 in bijzijn van de griffier.