Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1397

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
200.177.177/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag en omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling civiel recht

locatie Leeuwarden

zaaknummer: 200.177.177/01

zaaknummer rechtbank: C/18/149626 / FA RK 14-1896

beschikking van de familiekamer van 11 februari 2016

inzake

[de moeder] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.T. van Daatselaar, kantoorhoudende te Hoogeveen,

en

[de vader] ,
wonende te [B] ,
verder te noemen: de vader,
advocaat in eerste aanleg mr. P. Rietberg, kantoorhoudende te Groningen.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:


Jeugdbescherming Noord-Nederland,
(gecertificeerde instelling)
kantoorhoudende te Groningen,
verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 juni 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 september 2015, heeft de moeder het hof verzocht die beschikking te vernietigen. Het beroepschrift bevat tevens een schorsingsverzoek dat nadien door de moeder is ingetrokken.

2.2

De GI heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 5 oktober 2015. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld is zijdens de vader geen verweerschrift ingediend in hoger beroep.

2.3

Het hof heeft kennisgenomen van de brief met bijlage van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 24 september 2015 en van de brief met bijlagen van mr. Van Daatselaar van 29 oktober 2015.

2.4

De mondelinge behandeling van de zaak heeft op 3 december 2015 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat, namens de GI mw. [C] (jeugdbeschermer) en voorts is namens de raad in het kader van zijn adviserende taak verschenen mw. [D] . Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen is de vader niet verschenen. Desgevraagd heeft zijn advocaat het hof telefonisch bevestigd dat de vader wel op de hoogte was van de zitting maar dat zij en haar cliënt bewust hebben afgezien van verschijnen ter zitting.

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit de affectieve relatie die partijen, de vader en de moeder, met elkaar hebben gehad is [in] 2009 te [E] geboren de thans nog minderjarige [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ). De vader heeft [de minderjarige] erkend.

3.2

De vader heeft de relatie met de moeder in 2013 verbroken en heeft in datzelfde jaar een nieuwe relatie gekregen. Partijen hebben zich in januari 2014 tot een mediator gewend en hebben als uitkomst daarvan onder meer afspraken gemaakt over de omgang tussen de vader en [de minderjarige] , ondertekend op 19 mei 2014. Partijen hebben elkaar daarna verschillende keren in rechte getroffen in het kader van de uitvoering van de omgangsregeling.

3.3

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 7 juli 2014, heeft de vader verzocht om hem voortaan gezamenlijk met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en te bepalen dat een omgangsregeling wordt vastgesteld waarbij de vader [de minderjarige] bij zich kan ontvangen gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 18.30 uur en de helft van alle schoolvakanties, een en ander bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.4

De moeder heeft op 11 september 2014 een verweerschrift ingediend waarin zij heeft geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van de vader. Daarbij heeft de moeder bij wege van zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat er geen omgang zal zijn tussen de vader en [de minderjarige] in afwachting van de eindbeslissing.

3.5

Bij aanvullend voorwaardelijk verzoek van 16 september 2014 heeft de vader verzocht te bepalen dat, indien de moeder de omgangsregeling blijft blokkeren, de vader alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] waarbij zij het hoofdverblijf bij de vader zal hebben en een omgangsregeling met de moeder, alsmede te bepalen dat indien de moeder een baan in Engeland accepteert, [de minderjarige] niet met haar mag verhuizen naar Engeland en te bepalen dat [de minderjarige] alsdan voorlopig het hoofdverblijf bij de vader zal hebben en/of te bepalen dat indien de moeder zich reeds in Engeland heeft gevestigd, [de minderjarige] niet met haar mag verhuizen naar Engeland en [de minderjarige] voorlopig het hoofdverblijf bij de vader zal hebben.

3.6

Bij tussenbeschikking van 11 november 2014 heeft de rechtbank, kort gezegd, een raadsonderzoek gelast.

3.7

De raad heeft op 27 maart 2015 rapport uitgebracht en daarin de rechtbank geadviseerd om de ouders voortaan gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige] te belasten en een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [de minderjarige] van een weekend per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag 17.00 uur tot en met zondagavond 18.30 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, overeenkomstig de omgangsregeling als opgenomen in het kortgedingvonnis van 18 juli 2014. Tevens is door de raad (ambtshalve) het onderzoek uitgebreid naar een beschermingsonderzoek waaruit is geconcludeerd dat ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is geïndiceerd.

3.8

[de minderjarige] is door de kinderrechter op verzoek van de raad met ingang van 16 juni 2015 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de GI in verband met de problematiek tussen haar ouders en het gegeven dat zij klem zit tussen de ouders.

3.9

In de hier bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast (forensische mediation). Daarbij heeft de rechtbank voorlopige beslissingen gegeven over het hoofdverblijf van [de minderjarige] en de omgangsregeling en de definitieve beslissingen daarover aangehouden.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Het geschil tussen partijen betreft de beslissing over het gezag en de voorlopige beslissingen, als hiervóór onder 3.9 omschreven.

4.2

De moeder heeft twee grieven aangevoerd in haar beroepschrift. De eerste grief strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte partijen voortaan gezamenlijk heeft belast met het gezag over [de minderjarige] . De tweede grief is gericht tegen de voorlopige beslissingen. Tegen de beslissing van de rechtbank om een deskundigenonderzoek (forensische mediation) te gelasten is geen grief gericht.

4.3

Voor wat betreft het gezag geldt op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW), kort gezegd en voor zover van belang, dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechter kan verzoeken om de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten en dat zo'n verzoek slechts kan worden afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.4

Het hof is gebleken dat partijen sinds de relatiebreuk in 2013 verwikkeld zijn geraakt in een langdurige en hevige 'vechtscheiding' en dat die onderlinge strijd zich met name heeft geconcentreerd rondom de omgang tussen de vader en [de minderjarige] . Partijen hebben in dat kader verschillende procedures tegen elkaar gevoerd en ook buiten rechte hebben zich confrontaties tussen partijen voorgedaan, waaronder een handgemeen op 1 juni 2014. De vader en zijn partner hebben aangifte tegen de moeder gedaan van onder meer mishandeling, stalking, bedreiging, valse aangifte en fraude. De moeder heeft zich ook meerdere keren met beschuldigingen jegens de vader en/of zijn nieuwe partner tot de politie gewend. De aangiften/beschuldigingen hebben (nog) niet tot strafrechtelijke vervolging geleid.

4.5

De rechtbank heeft in het onderhavige geval het gezamenlijk gezag in het belang van [de minderjarige] geacht om redenen vermeld in de bestreden beschikking, waaronder dat de vader op die manier in beeld blijft en de kans krijgt zich als gelijkwaardig ouder te positioneren, dat de ouders genoodzaakt blijven te werken aan het verbeteren van de situatie, dat de vader dan niet langer afhankelijk is van de moeder bij het verkrijgen van informatie omtrent [de minderjarige] bij derden en dat de moeder op deze manier niet de mogelijkheid krijgt om zonder overleg met de vader met [de minderjarige] naar het buitenland te verhuizen.

4.6

Op grond van in hoger beroep gebleken feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat nog geen definitieve beslissing dient te worden gegeven op het punt van het gezag en dat daarvoor eerst het eindverslag van de nog lopende forensische mediation dient te worden afgewacht. Het hof zal daarom de beslissing omtrent het gezag aanhouden in afwachting van de eindresultaten van de forensische mediation. Ter zitting van het hof is in dit verband gebleken dat aan de zijde van de vader sprake is van een wending. Daar waar hij tot voor kort nog streed voor een plek in het leven van [de minderjarige] door middel van onder meer het gezamenlijk gezag, omgang en (voorwaardelijk) hoofdverblijf, heeft hij zich thans, nadat hem gezamenlijk gezag is toegekend, volledig teruggetrokken. Dit laatste overigens met voorbijgaan aan adviezen van deskundigen en de rechterlijke beslissing om mee te blijven werken aan verbetering van de situatie en de (overigens niet vrijblijvende) forensische mediation. De vader en zijn advocaat zijn niet ter zitting van het hof verschenen maar door de jeugdbeschermer is, met verwijzing naar het plan van aanpak van de ondertoezichtstelling, toegelicht dat de vader het thans in het belang van [de minderjarige] acht dat hij zich volledig terugtrekt. De vader heeft de jeugdbeschermer verzocht om dat namens hem aldus toe te lichten dat de vader niet meer met de moeder in gesprek wil omdat de moeder volgens de vader alles aangrijpt om de onderlinge strijd in stand te houden. De vader vindt dat niet in het belang van [de minderjarige] en ziet daarom op dit moment geen andere mogelijkheid dan zich volledig terug te trekken. Hij heeft de jeugdbeschermer daarbij verzocht in de gaten te houden hoe [de minderjarige] zich ontwikkelt en heeft benadrukt dat de deur voor [de minderjarige] altijd open staat bij hem, mits de vader niet met de moeder in contact hoeft te treden. De vader wil wel omgang met [de minderjarige] maar dan zonder contact en communicatie met de moeder.

4.7

Naar het oordeel van het hof is dit gewijzigde standpunt van de vader niet in het belang van [de minderjarige] . Dit kan daarom geen 'eindstation' zijn. Het hof wil partijen aansporen zich alsnog volledig te gaan inzetten voor verbetering van de situatie voor [de minderjarige] . Daar waar de vader de moeder verwijt dat zij in het verleden rechterlijke uitspraken en adviezen van deskundigen naast zich neer heeft gelegd, met alle financiële en niet financiële gevolgen van dien, zien we thans bij de vader hetzelfde gebeuren. Dat is niet in het belang van [de minderjarige] . Wel in haar belang is dat beide ouders blijven zoeken naar mogelijkheden om de situatie en onderlinge communicatie te verbeteren, te beginnen in het kader van de door de rechtbank opgedragen forensische mediation. Door uit beeld te verdwijnen zou de vader [de minderjarige] de mogelijkheid onthouden om haar eigen beeld van hem te vormen dan wel, zo nodig vanwege een verkeerde voorstelling van zaken, het bestaande beeld bij te stellen. In het nieuwe standpunt van de vader ziet het hof een risico op verdere beschadiging van de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] , die inmiddels reeds het nodige heeft meegekregen van de weinig verheffende strijd tussen haar ouders. Dat klemt te meer nu bij de moeder tot op heden een adequaat probleeminzicht ontbreekt. Het hof vindt het zorgelijk in dit verband dat de moeder ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat het goed met [de minderjarige] gaat. De moeder gaat daarmee voorbij aan de ontwikkelingsbedreigingen en gedragsproblemen die van diverse kanten bij [de minderjarige] zijn geconstateerd en die wijzen in de richting van een ernstig klem zitten van [de minderjarige] tussen de ouders en een loyaliteitsconflict, zo niet een dreigende ouderverstoting. Naar het oordeel van het hof is daarom ten aanzien van [de minderjarige] zeker een psychodiagnostisch onderzoek aangewezen. Zo'n onderzoek gaat het bestek van de onderhavige procedure te buiten maar het hof gaat ervan uit dat de GI dat in het kader van de ondertoezichtstelling zal regisseren. De moeder heeft ter zitting van het hof in ieder geval haar toestemming gegeven voor zo'n onderzoek en de uitleg van de GI waarom dit nog niet heeft plaatsgevonden heeft het hof niet overtuigd. Duidelijk moet worden hoe het nu met de ontwikkeling van [de minderjarige] is gesteld, wat haar opvoedingsbehoeften zijn en of de ouders daaraan in voldoende mate tegemoet kunnen komen.

4.8

Naast het gewijzigde standpunt van de vader oordeelt het hof ook de houding die de moeder tot dusverre heeft getoond ten aanzien van de positie van de vader in het leven van [de minderjarige] niet in het belang van [de minderjarige] . Positief is de toelichting van de moeder ter zitting van het hof dat zij inmiddels psychologische hulp voor zichzelf heeft ingeschakeld, zij het dat die is gericht op verwerking van het verleden en niet op verbetering van de contacten tussen de ouders over [de minderjarige] en ondersteuning van de contacten tussen [de minderjarige] en de vader. De moeder heeft ook toegezegd zich in te zullen zetten voor de forensische mediation en dat zij daartoe al contact heeft gehad met mw. [F] , de forensisch mediator. Dat is eveneens een stap in de goede richting.

4.9

Partijen lijken met eigen belangen en conflicten te schermen en dit dient naar het oordeel van het hof plaats te maken voor een meer constructieve opstelling, gericht op wat [de minderjarige] nodig heeft van de ouders. Dat vergt dat de ouders zich niet langer gaan verschuilen achter standpunten en (emotionele) blokkades maar zich kwetsbaar durven opstellen jegens de hulpverlening en elkaar en daartoe alle in dat kader gedane handreikingen aangrijpen, waaronder bijvoorbeeld ook de lopende forensische mediation. Duidelijk is dat er bij beide partijen (emotionele) blokkades zijn die aangepakt moeten worden. Het hof ziet, anders dan de vader, nog voldoende mogelijkheden voor de ouders om met de nodige hulp en begeleiding en onder regie van de GI, te werken aan verbetering van de situatie.

4.10

Gelet op de hiervóór geschetste ontwikkelingen en stand van zaken zal het hof de voorlopige beslissing van de rechtbank betreffende de omgang vernietigen. Bij de huidige stand van zaken is naar het oordeel van het hof omgang tussen de vader en [de minderjarige] niet in het belang van [de minderjarige] . De vader stelt zich immers op het onnavolgbare standpunt dat die omgang zonder contact met de moeder dient plaats te vinden. Het hof zal de invulling van de contacten tussen [de minderjarige] en de vader, in afwachting van de definitieve beslissing van de rechtbank op dat punt, overlaten aan de GI. De vernietiging van de voorlopige omgangsregeling in de onderhavige beschikking betekent met andere woorden niet dat er geen contact kan plaatsvinden tussen [de minderjarige] en de vader maar dat zulks ter beoordeling aan de GI zal worden overgelaten.

Ten aanzien van de voorlopige beslissing omtrent het hoofdverblijf (bij de vader) is het hof eveneens van oordeel dat deze dient te worden vernietigd nu een voorlopig hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader in ieder geval niet past in zijn huidige standpunt ten aanzien van zijn rol in het leven van [de minderjarige] .

4.11

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beschikking, op grond van in hoger beroep gebleken ontwikkelingen, niet in stand kan blijven voor zover het betreft de bestreden voorlopige beslissingen omtrent de omgang en het hoofdverblijf en dat de beslissing over het gezag zal worden aangehouden. Het hof geeft partijen in overweging de kwestie van het gezag ook te doen betrekken bij de forensische mediation en verzoekt partijen de rapportage van de forensische mediation tevens aan het hof te zenden.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 juni 2015 voor wat betreft de beslissingen omtrent het voorlopig hoofdverblijf en de voorlopige omgangsregeling;

bepaalt dat de voorlopige omgangsregeling door de GI zal worden ingevuld;

houdt de beslissing over het gezag aan tot een nader te bepalen datum in afwachting van de door de rechtbank opgedragen forensische mediation en verzoekt partijen de betreffende rapportage aan het hof te zenden;

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. J.G. Idsardi en mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2016 in bijzijn van de griffier.