Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1394

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
24-02-2016
Zaaknummer
200.185.167/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Zie ook 200.181.708/01 (ECLI:NL:GHARL:2016:1395)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.185.167/01

beschikking van de familiekamer van 4 februari 2016

inzake

de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord-Nederland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

verzoeker,

verder te noemen: de raad,


en

1 [de moeder] ,

wonende te [A] ,
advocaat: mr. P. van Bommel, kantoorhoudende te Franeker,

2. [de vader],

wonende te [B] ,

advocaat: mr. W.J.H. Dingemanse, kantoorhoudende te Goes,

hierna gezamenlijk ook wel genoemd: de ouders.

1 De motivering van de beslissing


Feiten en achtergronden

1.1

Partijen zijn [in] 2007 in Zeeland met elkaar gehuwd. Uit de voorhuwelijkse relatie van partijen is op 22 juni 2005 in Zeeland geboren de thans tienjarige [de minderjarige] . De vader en de moeder hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] .

1.2

De moeder heeft op of omstreeks 4 augustus 2014 de (voormalig) echtelijke woning van partijen in [B] (Zeeland) verlaten en [de minderjarige] met zich meegenomen. Sindsdien wonen de moeder en [de minderjarige] in Friesland. De vader woont nog altijd in de (voormalig) echtelijke woning. Sinds maart 2015 gaat [de minderjarige] eens per twee weken een weekend naar de vader.

1.3

De moeder is in verwachting van een andere man en is omstreeks eind februari 2016 uitgerekend. De biologische vader van het nog ongeboren kindje woont volgens de moeder in Duitsland.

1.4

Bij beschikking van 11 maart 2015 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken (welke echtscheidingsbeschikking op 31 maart 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand) en - voor zover hier van belang - de raad verzocht te adviseren ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling met betrekking tot [de minderjarige] .

1.5

De raad heeft op 29 april 2015 een rapport uitgebracht. Daarbij is de rechtbank geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder te bepalen en tussen de vader en [de minderjarige] een zorgregeling vast te stellen van één weekend per veertien dagen van vrijdag tot en met zondag alsmede tenminste de helft van de vakanties. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de raad van mening is dat het het meest in het belang van [de minderjarige] is als zij samen met de moeder terugverhuist naar Zeeland.

1.6

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 18 november 2015 heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - bepaald dat [de minderjarige] vanaf de voorjaarsvakantie 2016, te weten uiterlijk 27 februari 2016, haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader indien de moeder in Friesland blijft wonen en dat [de minderjarige] vanaf de voorjaarsvakantie 2016, te weten uiterlijk 27 februari 2016, haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder indien en zolang de moeder dan daadwerkelijk

- in Nederland - binnen een straal van 60 kilometer rond [B] , Zeeland, woont.

Voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige] een weekend per twee weken en in onderling overleg een deel van de schoolvakanties en feestdagen bij de niet-verzorgende ouder verblijft, met dien verstande dat iedere partij de helft van het halen en brengen voor zijn/haar rekening neemt.

Overwegingen

1.7

Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van het hof van 4 februari 2016, in de procedure tussen de ouders inzake het hoofdverblijf van [de minderjarige] en de zorgregeling, bekend onder zaaknummer 200.181.708/01, heeft het hof op verzoek van de raad en met de uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke instemming van partijen, de hierna genoemde minderjarige [de minderjarige] met onmiddellijke ingang voor de duur van een jaar, op de voet van artikel 1:255 BW onder toezicht gesteld.

1.8

De gronden voor de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] zijn onder meer gelegen in de ernstige aantijgingen door derden over de zorgen over de opvoedingsvaardigheden van de ouders, de slechte onderlinge verstandhouding en communicatie, de ernstige zorgen over het welbevinden en mogelijk ook de veiligheid van [de minderjarige] in combinatie met ook haar persoonlijke problematiek en/of de persoonlijke problematiek bij de ouder(s). Het hof is van oordeel dat die gronden een ernstige bedreiging vormen voor de ontwikkeling van [de minderjarige] , mede gelet op de overige beschikbare gegevens in het dossier. Voorts hebben de ouders ingestemd met de ondertoezichtstelling zodat nader onderzoek op dat punt niet nodig is.

1.9

De hulpverlening die tot op heden is ingezet, heeft niet geleid tot verbetering van de situatie. Met de juiste inzet van hulp in het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling kan onder meer worden gewerkt aan verbetering van de onderlinge verhouding tussen de ouders en kunnen de opvoedingsvaardigheden van de ouder(s) en/ook de problematiek van [de minderjarige] worden onderzocht.

1.10

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing

2 De beslissing

Het hof:


stelt de minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2005 met ingang van 4 februari 2016 voor de duur van een jaar onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus mondeling uitgesproken ter zitting van het hof van 4 februari 2016 en schriftelijk neergelegd in deze beschikking van 11 februari 2016 gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. J.G. Idsardi en mr. M.P. den Hollander in tegenwoordigheid van de griffier.