Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1331

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
200.138.175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring? Aanneming van werk of opdracht? Tekortkoming door gebrekkig advies van garagehouder? Idem door gebrekkig demonteren van de motor en wijze van opslag van auto? Oorzakelijk verband van 6:98 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/627
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.138.175

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Amersfoort 850101)

arrest van 23 februari 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] Autobedrijven B.V., tevens handelend onder de naam [geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 2 december 2014 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de aanvullende memorie van grieven,

- de antwoordmemorie na tussenarrest.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

[appellant] heeft in eerste aanleg (samengevat) gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van, na eisvermindering, € 18.465,83, met rente en kosten, dit uit hoofde van door [geïntimeerde] jegens [appellant] gepleegde wanprestatie. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. In het bestreden vonnis van 18 september 2013 heeft de kantonrechter het gevorderde afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. [appellant] is in hoger beroep opgekomen tegen deze beslissingen. Na het tussenarrest heeft [appellant] gereageerd op het door [geïntimeerde] in de memorie van antwoord uitgebreide verweer.

3 De nadere beoordeling van de grieven en de vordering

3.1

[geïntimeerde] is autodealer en drijft een garagebedrijf. Op 18 november 2005 (zo is vastgesteld in het bestreden vonnis onder 2.1) ondervond [appellant] tijdens een rit met zijn auto problemen met de motor. [appellant] heeft de auto naar [geïntimeerde] laten brengen voor een inspectie van de motor. Partijen bespraken dat [geïntimeerde] daarvoor de cilinderkop van de motor zou demonteren. [geïntimeerde] heeft dit uitgevoerd en heeft meteen ook andere onderdelen van de motor gedemonteerd, waaronder de zuigers. Hierna heeft [geïntimeerde] aan [appellant] bericht dat de motor ernstig beschadigd was, waarop [appellant] heeft geantwoord dat hij zich wilde beraden over de door hem te ondernemen stappen.
In januari 2006 heeft [appellant] [geïntimeerde] bericht dat hij de auto voor een second opinion zou laten ophalen. Op 16 februari 2006 is de auto naar autobedrijf [A] gebracht. Van [A] hoorde [appellant] dat de motor gedemonteerd was en dat onderdelen daarvan ongeordend in de auto lagen. [appellant] heeft de motor laten reviseren door weer een ander autobedrijf.

3.2

Het hof verwerpt het beroep van [geïntimeerde] op de verjaring van artikel 7:761 lid 1 BW. [geïntimeerde] stelt ten onrechte dat de door partijen gesloten overeenkomst een overeenkomst van aanneming is, in de zin van artikel 7:750 BW. Uit het door [geïntimeerde] gestelde op pagina 3 van de conclusie van antwoord en in § 9 van de antwoordmemorie na tussenarrest blijkt immers dat de opdracht strekte tot advisering van [appellant] bij de keuze tussen reparatie van de motor (revisie), en inbouw van een vervangende motor. [appellant] wilde weten wat de goedkoopste oplossing zou zijn. Dat [geïntimeerde] daarvoor de binnenkant van de motor moest bekijken en dat daarom de cilinderkop moest worden gedemonteerd, brengt niet mee dat de overeenkomst tot aanneming van werk is. Op de eerste plaats stond immers het geven van advies.

3.3

Nu [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een garagebedrijf uitoefende en partijen geen bijzondere afspraken hebben gemaakt over de norm, waaraan het door [geïntimeerde] te geven advies moest voldoen, is voor de vraag of [geïntimeerde] tekortgeschoten is bepalend of de kwaliteit van het advies overeenkomt met wat onder de gegeven omstandigheden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend garagist mocht worden verwacht. De vraag of het defect kon ontstaan door achterstallig onderhoud speelt daarbij slechts een afgeleide rol. [geïntimeerde] moest immers, gegeven de klachten over het functioneren van de motor, adviseren over wat [appellant] het beste daaraan kon doen.

3.4

[appellant], die stelt dat [geïntimeerde] jegens hem tekortgeschoten is, draagt volgens de (hier toepasselijke) hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden waarop hij zijn stelling dat [geïntimeerde] tekort geschoten is heeft gebaseerd. Volgens [appellant] (zie grief X) had [geïntimeerde] moeten adviseren om uitsluitend de turbo-installatie in de motor te laten vervangen, waarna alleen nog de cilinderkop met een nieuwe pakking op het motorblok hoefde te worden gemonteerd, maar deze stelling wordt, anders dan [appellant] meent, niet onderbouwd door het als productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde rapport van 20 april 2006 van de Stichting Rechtsbijstand Ipos (opgesteld door [B]). Daaruit blijkt namelijk niet dat in november 2005 had kunnen worden volstaan met vervanging van de turbo-installatie en een nieuwe koppakking. De rapporteur schrijft in het rapport juist dat hij/zij niet meer kon vaststellen of er in november 2005 nog meer gebreken aan de motor waren dan het defect aan de turbo-installatie, beschadigingen aan de zuigers en een beschadigd drijfstanglager, en het door [geïntimeerde] gegeven advies is juist gebaseerd op de aanwezigheid van meer gebreken en/of slijtage dan alleen aan de turbo-installatie. Op pagina 8 van het rapport valt eerder af te leiden dat er nog meer gebreken waren, nu daar ook geschreven is over (kleine) beschadigingen aan de zuigers en één beschadigd drijfstanglager. Of de gebreken van zodanige aard waren dat [appellant] enkel op grond daarvan niet zou hebben gekozen voor revisie, is niet relevant. Dat het advies in het licht van de geringe ernst van de overigens geconstateerde schade aan de motor anders had moeten luiden, heeft [appellant] niet voldoende feitelijk onderbouwd. Nu [appellant] ook al geen nader bewijs heeft aangeboden en er geen reden is om hem ambtshalve met bewijslevering te belasten, verwerpt het hof de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] hem een ander advies had moeten geven.

3.5

[geïntimeerde] is volgens [appellant] (tevens) tekortgeschoten in de wijze waarop zij de inspectie/ diagnose heeft uitgevoerd. Zij heeft ten onrechte aan [appellant] voorgesteld om daarvoor de cilinderkop te demonteren, en had moeten voorstellen om (eerst) het binnenste van de motor met een endoscoop te bekijken en met een compressietest de werking van de motor vast te stellen. Zij heeft ten onrechte meer onderdelen gedemonteerd dan alleen de cilinderkop. Bovendien heeft zij daarbij verzuimd om iedere zuiger, na demontage, zodanig op te bergen dat duidelijk was in welke cilinder hij van fabriekswege was gemonteerd, aldus nog steeds [appellant]. Door deze onordentelijke werkwijze werd volgens hem de goedkopere oplossing, te weten het alleen vervangen van de turbo en de koppakking, niet meer mogelijk.
Nu hiervoor al is geconstateerd dat niet vast is komen te staan dat [geïntimeerde] had moeten adviseren tot deze goedkopere oplossing kan echter ook niet worden aangenomen dat de door [geïntimeerde] gekozen wijze van inspectie heeft geleid tot een toerekenbare tekortkoming en de door [appellant] gestelde schade. Afgezien hiervan valt uit de stellingen van [appellant] af te leiden dat met een endoscoop niet onder de zuigers kan worden gekeken en dat een compressietest slechts uitsluitsel geeft over onderlinge verschillen tussen de compressie in elk van de cilinders. [appellant] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] op de door [appellant] beschreven wijze reeds voldoende informatie zou hebben gehad om [appellant] behoorlijk te adviseren. [appellant] is ook al niet ingegaan op het verweer van [geïntimeerde], dat naar haar ervaring het beeld van de klachten over het functioneren van de motor een indicatie was om voor demontage van de cilinderkop te kiezen. Weliswaar zijn partijen het niet eens over de vraag of de motor was vastgelopen toen de auto bij [geïntimeerde] werd gebracht, maar [appellant] bestrijdt niet dat de achterstand in onderhoud relevant was voor de door [geïntimeerde] te kiezen werkwijze. Kortom, [appellant] heeft niet voldoende feitelijk toegelicht dat demontage van de cilinderkop zodanig sterk contra-geïndiceerd was, dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam garagist iets anders had gekozen.
Dat [geïntimeerde] tekortgeschoten is door niet alleen de cilinderkop te demonteren, maar ook andere motoronderdelen, is evenmin gefundeerd op feiten en/of omstandigheden. Aangenomen moet worden dat [geïntimeerde] na verwijdering van de cilinderkop nog geen goed beeld had gekregen van de staat, waarin de rest van de motor verkeerde en daardoor geen behoorlijk advies kon geven.

3.6

Nadat [geïntimeerde] [appellant] van de resultaten van de inspectie op de hoogte had gesteld, heeft [appellant] te kennen gegeven zich over verdere stappen te willen beraden. [geïntimeerde] heeft de auto op haar terrein laten staan zonder eerst de motor in elkaar te zetten, of corrosie op andere wijze tegen te gaan. In februari 2006 bleek het metaal van de cilinders te hebben geroest. Volgens [appellant] moesten de cilinders daardoor worden uitgeboord en moesten er dientengevolge ook andere zuigers worden gemonteerd. Sleutel stelt dat [geïntimeerde] jegens hem aansprakelijk is ter zake van de vergoeding van deze roestschade.
Partijen hebben over en weer verschillende oorzaken van de roestvorming aangedragen en hebben gediscussieerd over de vraag aan wie van hen beiden die oorzaken kunnen worden toegerekend. Daarbij hebben zij het over de toerekening van artikel 6:98 BW. Aan deze toerekening gaat echter de vraag vooraf in hoeverre [appellant] schade blijkt te hebben geleden als gevolg van de roestvorming (het oorzakelijk verband van artikel 6:74 BW - conditio sine qua non) en daarvan is hier niet gebleken. [geïntimeerde] heeft namelijk gemotiveerd bestreden dat het motorblok in november 2005 had kunnen worden gereviseerd zonder de cilinders uit te boren, zodat er sowieso andere zuigers moesten worden gemonteerd. Dat [appellant] gelijk heeft waar hij heeft gesteld dat montage in november 2005 nog zonder uitboren had gekund, blijkt niet uit bewijsmiddelen. Met name blijkt dit niet uit het onder 3.4 bedoelde rapport. Het hof ziet ook geen reden om ambtshalve bewijs op te dragen.

3.7

Nu gelet op het vorenstaande niet vast is komen te staan dat de door [geïntimeerde] gedemonteerde zuigers opnieuw hadden kunnen worden gebruikt indien [geïntimeerde] deze op een ordentelijke wijze zou hebben bewaard of gemarkeerd, blijkt ook niet dat [appellant] schade heeft geleden als gevolg van de wijze van opslag van die zuigers. Dat de wijze van opbergen van andere motoronderdelen tot schade heeft geleid, is evenmin onderbouwd.
De conclusie is dat niet van enig tekortschieten van [geïntimeerde] jegens [appellant] is gebleken.

4 De slotsom

4.1

Nu de vordering ongegrond blijkt te zijn, blijkt tevens dat de kantonrechter de vorderingen terecht heeft afgewezen. De grieven falen daarom en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Deze kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.862 aan griffierecht en € 1.788 voor salaris advocaat (2 punten x tarief II), in totaal € 3.650. Als niet afzonderlijk weersproken zal het hof ook de wettelijke rente over de kostenveroordeling toekennen.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 18 september 2013 van de kantonrechter te Amersfoort;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.862 voor verschotten en op € 1.788 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, telkens te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, L.M. Croes en C.G. ter Veer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2016.