Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1281

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
21-006880-14
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2538, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Uit de inhoud van het strafdossier kan niet worden vastgesteld dat sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Ondanks vrijspraak roekeloosheid wordt dezelfde straf opgelegd als door de rechtbank werd opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006880-14

Uitspraak d.d.: 23 februari 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 14 november 2014 met parketnummer 08-951240-13 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.W.G.J. IJsseldijk, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair:
hij op of omstreeks 01 november 2013 te Enschede, gemeente Enschede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Hogelandsingel (komende uit de richting Varviksingel en gaande in de richting van de Gronausestraat), roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hieruit bestaande dat verdachte, terwijl voornoemde Hogelandsingel ter plaatse was verdeeld in 2 rijbanen met elk twee rijstroken, welke rijbanen (elk) aan de rechterzijde waren voorzien van een fietssuggestiestrook en/of welke rijbanen waren gescheiden door een (brede) begroeide middenberm, en/of

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een voor het besturen van dat motorrijtuig (personenauto) vereist rijbewijs, en/of (derhalve) niet beschikte over de vereiste vaardigheden om genoemd motorvoertuig te besturen, en/of

terwijl hij, verdachte, onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol, althans het motorvoertuig bestuurde na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveel alcohol (houdende drank), en/of

(daarbij) heeft gereden met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar voor verdachte toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, en/of

(daarbij) een aantal voertuigen aan de rechterzijde heeft ingehaald, waarbij hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk op de fietssuggestiestrook heeft gereden (op het moment dat zich daar een fietser met kinderen bevond), en/of

(vervolgens) naar links heeft gestuurd, en/of (daarbij) het motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of (vervolgens) in de middenberm is gegleden of gereden in elk geval terecht gekomen, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een in die berm staande boom, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] (passagier in het door verdachte bestuurde motorrijtuig) werd gedood,

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, en/of

terwijl hij, verdachte, toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht, dan wel na dit feit niet heeft voldaan aan bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede lid Wegenverkeerswet 1994;

1. subsidiair:
hij op of omstreeks 01 november 2013 te Enschede, gemeente Enschede, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hogelandsingel (komende uit de richting van Varviksingel en gaande in de richting van de Gronausestraat),

terwijl voornoemde Hogelandsingel ter plaatse was verdeeld in 2 rijbanen met elk twee rijstroken, welke rijbanen (elk) aan de rechterzijde waren voorzien van een fietssuggestiestrook en/of welke rijbanen waren gescheiden door een (brede) begroeide middenberm, en/of

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een voor het besturen van dat motorrijtuig (personenauto) vereist rijbewijs, en/of (derhalve) niet beschikte over de vereiste vaardigheden om genoemd motorvoertuig te besturen en/of

terwijl hij, verdachte, onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol, althans het motorvoertuig bestuurde na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveel alcohol (houdende drank) en/of

(daarbij) heeft gereden met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar voor verdachte toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, en/of

(daarbij) een aantal voertuigen aan de rechterzijde heeft ingehaald, waarbij hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk op de fietssuggestiestrook heeft gereden (op het moment dat zich daar een fietser met kinderen bevond), en/of (vervolgens) naar links heeft gestuurd, en/of (daarbij) het motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of (vervolgens) in de middenberm is gegleden of gereden in elk geval terecht gekomen, en/of (vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een in die berm staande boom,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2:
hij op of omstreeks 01 november 2013 te Enschede als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

3:
hij, op of omstreeks 1 november 2013 (op of omstreeks 16.30 uur) te Enschede, gemeente Enschede, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval op/aan de Hogelandsingel, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) was gedood, althans letsel en/of schade was toegebracht.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

Hoewel verdachte naar het oordeel van het hof ontegenzeggelijk zeer onvoorzichtig heeft gereden, kan uit de inhoud van het strafdossier niet worden vastgesteld dat sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, nu niet is voldaan aan de vereisten die in de jurisprudentie van de Hoge Raad daaraan worden gesteld, zodat verdachte van dit onderdeel van het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair:
hij op of omstreeks 01 november 2013 te Enschede, gemeente Enschede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Hogelandsingel (komende uit de richting Varviksingel en gaande in de richting van de Gronausestraat), roekeloos, in elk geval zeer althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hieruit bestaande dat verdachte, terwijl voornoemde Hogelandsingel ter plaatse was verdeeld in 2 rijbanen met elk twee rijstroken, welke rijbanen (elk) aan de rechterzijde waren voorzien van een fietssuggestiestrook en/of welke rijbanen waren gescheiden door een (brede) begroeide middenberm, en/of

terwijl hij, verdachte, niet in het bezit was van een voor het besturen van dat motorrijtuig (personenauto) vereist rijbewijs, en/of (derhalve) niet beschikte over de vereiste vaardigheden om genoemd motorvoertuig te besturen, en/of

terwijl hij, verdachte, onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol, althans het motorvoertuig bestuurde na het gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveel alcohol (houdende drank), en/of

(daarbij) heeft gereden met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de aldaar voor verdachte toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, en/of

(daarbij) een aantal voertuigen aan de rechterzijde heeft ingehaald, waarbij hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig geheel of gedeeltelijk op de fietssuggestiestrook heeft gereden (op het moment dat zich daar een fietser met kinderen bevond), en/of

(vervolgens) naar links heeft gestuurd, en/of (daarbij) het motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of (vervolgens) in de middenberm is gegleden of gereden in elk geval terecht gekomen, en/of (vervolgens) is gebotst tegen althans in aanrijding is gekomen met een in die berm staande boom, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] (passagier in het door verdachte bestuurde motorrijtuig) werd gedood,

zulks terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden, en/of

terwijl hij, verdachte, toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht, dan wel na dit feit niet heeft voldaan aan bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede lid Wegenverkeerswet 1994;


2:
hij op of omstreeks 01 november 2013 te Enschede als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;


3:
hij, op of omstreeks 1 november 2013 (op of omstreeks 16.30 uur) te Enschede, gemeente Enschede, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval op/aan de Hogelandsingel, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) was gedood, althans letsel en/of schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en de schuldige na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, tweede lid van deze wet, en het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden en de schuldige gevaarlijk heeft ingehaald.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte, die niet in het bezit is van een rijbewijs, met hoge snelheid heeft gereden over de Hogelandsingel in Enschede, onder meer een aantal voertuigen aan de rechterzijde heeft ingehaald en in de middenberm terecht is gekomen en vervolgens tegen een boom is gebotst. Verdachte heeft zeer onvoorzichtig gereden en daardoor een verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Verdachte heeft vervolgens de plaats van het ongeval verlaten en geweigerd medewerking te verlenen aan een ademanalyse. Verdachte heeft lang ontkend dat hij de bestuurder was van de personenauto, waardoor de nabestaanden van [slachtoffer] lange tijd in onzekerheid gebleven zijn over de veroorzaker van het ongeval.

Bij de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 januari 2016, waaruit blijkt dat verdachte herhaaldelijk is veroordeeld, waaronder voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994.

Hoewel het hof, anders dan de rechtbank, niet bewezen acht dat verdachte roekeloos heeft gereden, is de straf die de rechtbank heeft opgelegd naar het oordeel van het hof een passende. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting behorende bij overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Uit die oriëntatiepunten volgt dat voor een grove verkeersfout met dodelijke afloop een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaar het uitgangspunt is, waarbij het hof in het nadeel van verdachte uitgaat van een alcoholpercentage boven de 570 mg/l aangezien hij heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een ademanalyse.

Aan verdachte zal, conform de oriëntatiepunten, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden worden opgelegd en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaar ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde.

Deze straf is naar het oordeel van het hof passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 163, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) jaren.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Aldus gewezen door

mr. M.E. van Wees, voorzitter,

mr. G. Mintjes en mr. M. Keppels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.I.D. Leene, griffier,

en op 23 februari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.