Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:117

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-01-2016
Datum publicatie
05-02-2016
Zaaknummer
200.117.216
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Herroeping
Inhoudsindicatie

382 Rv

Vervolg van ECLI:NL:GHARL:2013:10361 en ECLI:NL:GHARL:2014:41. Vordering tot herroeping.

Partijperikelen: dagvaarding van verkeerde persoon. Geen niet-ontvankelijk in geding tegen de andere gedaagden in het geding tot herroeping, want geen processuele ondeelbaarheid.

Aangevoerde grond voor herziening ondeugdelijk. Wel gehandeld in strijd met waarheidsplicht, wat hier echter geen gevolgen heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/142
Module Pacht en landelijk gebied 2016/418
TvAR 2016/5848, UDH:TvAR/13375 met annotatie van E.H.M. Harbers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.117.216/02

arrest in het geding tot herroeping van 12 januari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Holthurnse Hof Beheer B.V.,

gevestigd te Berg en Dal, gemeente Groesbeek,

eiser in het geding tot herroeping,

hierna: “De Holthurnse Hof”,

advocaat: mr. P.V. Kleijn,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna: “ [gedaagde sub 1] ”,

advocaat: mr. H.H. van Gaal,

2. [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna: “ [gedaagde sub 2] ”,

advocaat: mr. J. Groot Koerkamp,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna: “ [gedaagde sub 3] ”,

niet verschenen,

4. [gedaagde sub 4] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna: “ [gedaagde sub 4] ”,

niet verschenen,

gedaagden in het geding tot herroeping.

1 Het verloop van het geding

1.1

De onderhavige zaak betreft een geding tot herroeping van de arresten die het hof op 1 oktober 2013 en 7 januari 2014 heeft gewezen in twee samenhangende zaken met nummers 200.117.216 en 200.117.751. In de zaak met nummer 200.117.216 was [gedaagde sub 3] appellant en De Holthurnse Hof geïntimeerde en verder waren ook partij [gedaagde sub 1] en “ [gedaagde sub 2] ”. Partijen zijn het erover eens dat met de laatste [gedaagde sub 4] werd bedoeld. In de zaak met nummer 200.117.751 was [gedaagde sub 1] appellant in het principaal beroep en geïntimeerde in het incidenteel beroep en was De Holthurnse Hof geïntimeerde in het principaal beroep en appellante in het incidenteel beroep.

1.2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

■ de dagvaarding houdende eis tot herroeping d.d. 19 december 2014;

■ het herstel- en oproepingsexploot van 15 januari 2015;

■ de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] ;

■ de aantekening op de rol van 31 maart 2015 volgens welke de procedure tussen De Holthurnse Hof en [gedaagde sub 2] is geroyeerd;

■ de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] ;

■ de akte van De Holthurnse Hof;

■ de antwoordakte van [gedaagde sub 1] .

1.3

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd, hebben De Holthurnse Hof en [gedaagde sub 1] de stukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De motivering van de beslissing

2.1

De vordering tot herroeping is gegrond op de stelling dat gedaagden in het geding dat heeft geleid tot de arresten van het hof van 1 oktober 2013 en 7 januari 2014 ten onrechte achter hebben gehouden een allonge d.d. 5 juni 2012 bij een koopovereenkomst van 25 oktober 2011, waarbij partij waren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4]

2.2

Allereerst is aan de orde de vraag wie partij zijn in het onderhavige geding. [gedaagde sub 2] is dat in ieder geval niet meer, omdat de procedure tegen hem is geroyeerd naar aanleiding van een minnelijke regeling tussen De Holthurnse Hof en [gedaagde sub 2] Dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] partij zijn in het geding is niet in geschil. Wel is in geschil of ook [gedaagde sub 4] partij is. [gedaagde sub 1] meent van niet en beroept zich in verband daarmee op de niet-ontvankelijkheid van De Holthurnse Hof.

2.3

Vast staat dat de dagvaarding houdende eis tot herroeping uitgebracht is op naam van “ [gedaagde sub 2] ”. Dat is een vergissing die De Holthurnse Hof geprobeerd heeft te herstellen bij het exploot van 15 januari 2015, zich daarbij erop beroepende dat van de aanvang af voor [gedaagde sub 4] duidelijk moet zijn geweest dat de eis tot herroeping tegen hem werd ingesteld. Volgens [gedaagde sub 1] heeft het exploot van 15 januari 2015 geen effect gesorteerd, omdat het is uitgebracht buiten de herroepingstermijn van drie maanden als bedoeld in artikel 383 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (volgens de dagvaarding van eis tot herroeping onder 1.17 is De Holthurnse Hof op 25 september 2014 bekend geworden met de allonge).

2.4

In de procedure tussen enerzijds De Holthurnse Hof en anderzijds [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] leidt een gebrek in de oproeping van [gedaagde sub 4] alleen dan tot niet-ontvankelijkheid van De Holthurnse Hof indien het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing van het hof ten aanzien van alle gedaagden luidt in dezelfde zin en daarom over de rechtsverhouding slechts behoort te worden beslist in een geding waarin zij allen partij zijn. Dat dit geval zich voordoet, is door [gedaagde sub 1] niet toegelicht en ligt ook niet zozeer voor de hand dat een zodanige toelichting achterwege kon blijven. De arresten van het hof waarvan de herziening is gevorderd, betreffen de appelinstantie van een procedure waarin De Holthurnse Hof eiseres in conventie was en gedaagde in reconventie en [gedaagde sub 1] gedaagde in conventie en eiser in reconventie en waarin [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] zich aan de zijde van [gedaagde sub 1] hadden gevoegd. Bij het eindarrest van 7 januari 2014 zijn de vorderingen in conventie afgewezen en is De Holthurnse Hof veroordeeld tot ongedaanmaking van hetgeen (alleen) [gedaagde sub 1] ter uitvoering van het bestreden vonnis had verricht. Niet valt in te zien welk bezwaar zich zou voordoen indien de rechtskracht van de arresten van 1 oktober 2013 en 7 januari 2014 tussen enerzijds De Holthurnse Hof en anderzijds [gedaagde sub 1] zou vervallen terwijl zij tussen De Holthurnse Hof en een of meer van de andere partijen in stand zou blijven. Intussen raakt de in concreto door De Holthurnse Hof ingestelde vordering mogelijk niet mede de rechtspositie van [gedaagde sub 3] . De vordering strekt immers alleen tot veroordeling van [gedaagde sub 1] om het door [gedaagde sub 4] gepachte perceel in eigendom aan De Holthurnse Hof over te dragen en niet mede het (voorheen?) door [gedaagde sub 3] gepachte perceel. Mogelijk ook beoogt De Holthurnse Hof met haar vordering echter wel een andere beslissing omtrent de proceskosten van [gedaagde sub 3] (afhankelijk van de wijze waarop de laatste zinsnede van het petitum van De Holthurnse Hof moet worden gelezen).

2.5

Uit het voorgaande volgt dat De Holthurnse Hof in ieder geval in het geding tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] kan worden ontvangen.

2.6

Vervolgens is aan de orde de vraag of zich inderdaad een grond voor herroeping voordoet. Volgens De Holthurnse Hof betreft de allonge d.d. 5 juni 2012 een stuk van beslissende aard dat door toedoen van [gedaagde sub 1] is achtergehouden en/of berusten de arresten op bedrog door [gedaagde sub 1] in het geding gepleegd in de zin van artikel 382 aanhef en onder c respectievelijk a Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (hierna kortweg aan te duiden als “de grond onder c” respectievelijk “de grond onder a”).

2.7

Stukken van beslissende aard in de zin van de grond onder c zijn stukken die de uitspraak anders zouden hebben doen uitvallen als zij aan de rechter bekend zouden zijn geweest. Het hof verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 1950, NJ 1950/703. Ook de grond onder a veronderstelt dat de uitspraak anders is uitgevallen dan bij een correcte proceshouding van partijen het geval zou zijn geweest. Het te herroepen vonnis of arrest moet volgens die grond immers berusten op het gepleegde bedrog.

2.8

Het hof dient dus te onderzoeken of, indien het hof ten tijde van het wijzen van de arresten van 1 oktober 2013 en 7 januari 2014 op de hoogte zou zijn geweest van het bestaan en de inhoud van de allonge d.d. 5 juni 2012 bij de koopovereenkomst van 25 oktober 2011, het anders zou hebben beslist dan in die arresten is neergelegd. Deze vraag beantwoordt het hof ontkennend. In dit verband is het volgende redengevend.

2.9

De koopovereenkomst van 25 oktober 2011 heeft in de beslissingen van het hof geen enkele rol gespeeld. Die overeenkomst is in het arrest van 1 oktober 2013 onder 3 (de vaststaande feiten) niet vermeld. Zij wordt ook niet vermeld in de overwegingen van het hof. Het hof is ook niet impliciet van het bestaan van die koopovereenkomst uitgegaan. Dat zou het hof ook niet hebben kunnen doen, omdat dit bestaan, althans de datering van die overeenkomst, van de zijde van De Holthurnse Hof uitdrukkelijk was betwist. Het hof verwijst naar de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel van 16 april 2013, het elfde en twaalfde blad, onder c en d. Het hof is op grond van andere feiten en omstandigheden, die in het arrest van 1 oktober 2013 uitvoerig zijn vermeld en besproken, aangevuld met een bespreking van de schriftelijke verklaring van [getuige] in het eindarrest van 7 januari 2014, tot de conclusie gekomen dat naar de bedoeling van partijen het optierecht zoals neergelegd in de leveringsakte van 30 maart 2011 was vervallen omdat reeds vóór 28 september 2011 (het moment waarop De Holthurnse Hof liet weten de optie te willen uitoefenen) [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] met [gedaagde sub 1] onderhandelden over aankoop van de door hen gepachte gronden. Of het daadwerkelijk tot aankoop was gekomen, achtte het hof in verband met die bedoeling van partijen niet van belang, en – zoals gezegd – dat heeft het hof ook in het midden gelaten. Waar voor het hof niet van belang was of het daadwerkelijk tot aankoop door (onder meer) [gedaagde sub 4] was gekomen, daar is ook niet van belang of een eventueel daadwerkelijk tot stand gekomen koopovereenkomst in een later stadium weer ongedaan is gemaakt (zoals met allonge van d.d. 5 juni 2012 zou zijn gebeurd).

2.10

Ten onrechte beroept De Holthurnse Hof zich op het slot van rechtsoverweging 4.18 van het arrest van 1 oktober 2013, waar het hof heeft overwogen dat De Holthurnse Hof haar optierecht niet ten koste van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] kon doorzetten. Die overweging, gelezen in de context waarin zij is gesteld, betekent niets anders dan dat het optierecht – dat tot uiterlijk 30 september 2011 kon worden uitgeoefend – reeds vóór 28 september 2011 definitief was vervallen als gevolg van een door De Holthurnse Hof en [gedaagde sub 1] aan het optierecht verbonden ontbindende voorwaarde. Het hof heeft met de bedoelde overweging tot uitdrukking gebracht dat die ontbindende voorwaarde het belang van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] diende. Meer kan en mag in de overweging niet worden gelezen. Dat [gedaagde sub 4] uiteindelijk medio 2012 alsnog van aankoop heeft afgezien – zodat vanaf dat moment het belang van [gedaagde sub 4] niet meer op het spel stond – doet niet ter zake, omdat het optierecht toen reeds was vervallen.

2.11

De slotsom in het geding tussen enerzijds De Holthurnse Hof en anderzijds [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] is dus dat de vordering tot herroeping geen doel treft, omdat indien het hof ten tijde van het wijzen van de arresten van 1 oktober 2013 en 7 januari 2014 op de hoogte zou zijn geweest van het bestaan en de inhoud van de allonge d.d. 5 juni 2012 bij een koopovereenkomst van 25 oktober 2011, het niet anders zou hebben beslist dan in die arresten is neergelegd. Daarmee is niet gezegd dat het [gedaagde sub 1] vrijstond om de koopovereenkomst van 25 oktober 2011 in het geding te brengen zónder de allonge en ook zonder het bestaan en de inhoud van de allonge te vermelden. Die handelwijze van [gedaagde sub 1] acht het hof integendeel in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De reden dat [gedaagde sub 1] de koopovereenkomst van 25 oktober 2011 in het geding bracht, was immers onmiskenbaar dat hij meende dat die overeenkomst mogelijk wél van belang zou zijn. Gelet daarop had hij meer volledig en naar waarheid óók moeten aanvoeren dat door de allonge d.d. 5 juni 2012 de bedoelde overeenkomst achteraf haar werking had verloren.

2.12

Het hof heeft zich de vraag gesteld of er aanleiding bestaat om aan de schending van de waarheidsplicht door [gedaagde sub 1] consequenties te verbinden, bijvoorbeeld in die zin dat de kosten van de onderhavige procedure geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening worden gebracht, maar beantwoordt die vraag uiteindelijk ontkennend. Gelet op de ondubbelzinnige inhoud van de arresten van 1 oktober 2013 en 7 januari 2014 bestond er redelijkerwijs voor De Holthurnse Hof geen aanleiding tot het aanhangig maken van een geding tot herroeping; uit die arresten was voldoende duidelijk dat het bestaan van de koopovereenkomst van 25 oktober 2011 in de beslissing van het hof geen rol had gespeeld.

2.13

Vervolgens staat ter beoordeling de vordering tot herroeping in het geding tussen De Holthurnse Hof en [gedaagde sub 4] De ontvankelijkheid van De Holthurnse Hof in dat geding is in de eerste plaats afhankelijk van de vraag of het exploot van 19 december 2014 [gedaagde sub 4] heeft bereikt vóór afloop van de termijn van herroeping op 29 december 2014 (25 en 26 december 2014 zijn algemeen erkende feestdagen in de zin van artikel 3 lid 1 Algemene termijnenwet, terwijl 27 en 28 december respectievelijk een zaterdag en een zondag zijn, zodat volgens artikel 1 lid 1 de herroepingstermijn werd verlengd) en in de twee plaats de vraag of het voor [gedaagde sub 4] vervolgens onmiskenbaar is geweest dat in dat exploot in plaats van zijn zoon hij werd bedoeld. Dit laatste acht het hof, ervan uitgaande dat het exploot [gedaagde sub 4] daadwerkelijk heeft bereikt, redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar (het exploot vermeldt duidelijk dat het betreft een vordering tot herroeping van de arresten van 1 oktober 2013 en 7 januari 2014 en bij die arresten was [gedaagde sub 4] partij en niet [gedaagde sub 2] ). Het eerste (dat het exploot van 19 december 2014 [gedaagde sub 4] tijdig heeft bereikt) staat echter niet vast. Eventueel zou dat alsnog kunnen vast komen te staan, bijvoorbeeld middels een getuigenverhoor.

2.14

Strikt genomen gaat de vraag naar de ontvankelijkheid van De Holthurnse Hof vooraf aan de vraag naar de toewijsbaarheid van haar vordering. Omdat de gronden van de vordering tot herroeping tegenover [gedaagde sub 4] niet anders zijn dan die tegenover [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] , en die gronden dus tegenover [gedaagde sub 4] evenzeer ondeugdelijk zijn als tegenover [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] , brengt het belang van een doelmatige rechtspleging echter mee dat het hof de ontvankelijkheid van De Holthurnse Hof in het geding tegen [gedaagde sub 4] veronderstelt. Op dezelfde overwegingen als in het geding tussen enerzijds De Holthurnse Hof en anderzijds [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] komt het hof vervolgens tot een afwijzing van de vordering tot herroeping.

2.15

De slotsom is dat tegenover alle gedaagden die thans nog partij bij het geding zijn, dus tegenover [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] de vordering tot herroeping moet worden afgewezen. Het hof zal De Holthurnse Hof veroordelen in de kosten van het geding en zal de aan de zijde van [gedaagde sub 1] gevallen kosten begroten op € 894,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (één punt tarief II). Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld. Wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar omdat het niet betreft vertraging in de nakoming van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in het geding tot herroeping:

wijst de vordering tot herroeping af;

veroordeelt De Holthurnse Hof in de kosten van het geding en begroot de aan de zijde van [gedaagde sub 1] gevallen kosten op € 894,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt De Holthurnse Hof in de nakosten, begroot op € 131,—, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,— in geval De Holthurnse Hof niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, K.J. Haarhuis en F.J. de Vries, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2016.