Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1132

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
03-03-2016
Zaaknummer
200.127.995
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op tussenarrest d.d. 21 juli 2015. Vaststelling schade-omvang; nieuwe stukken te laat vóór de zitting ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.127.995

(zaaknummer rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel: 813504)

arrest van 16 februari 2016

in de zaak van

de vennootschap onder firma
[appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna: ‘[appellante]’,

advocaat: mr. A.H. Lanting,

tegen:

[geïntimeerde] , h.o.d.n. […],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna: ‘[geïntimeerde]’,

advocaat: mr. A. van Weverwijk.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van de tussenarresten van 16 juli 2013 en 21 juli 2015 hier over. Na het laatstvermelde arrest is op 28 september 2015 een comparitie van partijen gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Ter comparitie hebben partijen verzocht om arrest te wijzen en hebben zij afgezien van aanvullend fourneren. Hierop heeft de raadsheer-commissaris bepaald dat arrest zal worden gewezen.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

[geïntimeerde] is op 27 februari 2014 overleden. De erven van [geïntimeerde] hebben de procedure niet doen schorsen.

2.2

In het tussenarrest van 21 juli 2015 heeft het hof onder meer overwogen dat de eerste grief gegrond is, zodat andere verweren van [geïntimeerde] moeten worden onderzocht, en heeft het de comparitie van partijen bepaald en partijen in de gelegenheid gesteld om voorafgaand daaraan stukken in de procedure te brengen, waarbij het termijnen voor de indiening daarvan heeft vastgesteld. Het hof heeft daarna ontvangen:

  • -

    een door [appellante] opgestelde akte na tussenarrest, toegezonden bij rolbericht van 31 augustus 2015,

  • -

    een brief van 8 september 2015 van de advocaat van [geïntimeerde],

  • -

    een antwoordakte van [geïntimeerde],

  • -

    producties 1 tot en met 5, afkomstig van [appellante], ontvangen per fax op 23 september 2015 en in origineel op 24 september 2015.

2.3

[geïntimeerde] heeft doen betogen dat de door [appellante] opgestelde akte, alsmede de door hem overgelegde producties niet aan het dossier mogen worden toegevoegd, omdat die stukken te laat zijn overgelegd en hij daarop niet behoorlijk heeft kunnen reageren. De akte van [appellante] heeft de advocaat van [geïntimeerde] op of omstreeks 7 september 2015 bereikt. Dat was te laat: ingevolge het tussenarrest van 21 juli 2015 had die akte uiterlijk vier weken vóór de dag van de comparitie moeten zijn toegezonden, dat is op 31 augustus 2015.

2.4

Enkel het feit dat de akte te laat is ingediend, is echter onvoldoende om daaraan de consequentie te verbinden dat zij geen deel is gaan uitmaken van het procesdossier. Volgens [appellante] is de fout veroorzaakt doordat de akte is toegestuurd aan een mailadres, waarin een typefout is gemaakt, maar uit het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2002 (ECLI:NL: HR:2002:AF1210) blijkt dat de oorzaak van de vertraging niet maatgevend is. De rechter moet er blijkens dat arrest op letten dat de fundamentele regel van hoor en wederhoor wordt nageleefd, ook indien het gaat om bescheiden die zijn overgelegd vóór een zitting waarop zij aan de orde komen. Indien de aard en omvang van hetgeen wordt overgelegd, gelet op het tijdstip waarop dat is gebeurd, het vermoeden wettigen dat tot de betrokken zitting, de tijd en gelegenheid voor een behoorlijke kennisneming ervan en een deugdelijke voorbereiding van verweer ertegen hebben ontbroken, zal de rechter een daarmee in overeenstemming zijnde beslissing moeten geven (en daarvan blijk geven in zijn uitspraak of het proces-verbaal).

2.5

In de akte heeft [appellante] herhaald dat hij wegens het niet doorgaan van de reis geen geld van WIZZ Air of van anderen heeft terugontvangen en dat hij kosteloos alternatieve reizen aan de reisdeelnemers heeft aangeboden. Bovendien heeft hij daarin opgegeven dat hij en zijn personeel (minstens) 40 uren à (€ 20 per uur) hebben moeten werken als gevolg van het niet doorgaan van de reis. [appellante] heeft daarin tevens bewijs aangeboden van de door hem gestelde betalingen aan WIZZ-Air en heeft daarin erkend dat hij een winstopslag (van 20%) hanteert. Gelet op deze inhoud van de akte, waarin immers voor iemand die het procesdossier al langer kent weinig nieuws te ontdekken valt, kan het hof niet inzien dat de advocaat van [geïntimeerde] onvoldoende tijd heeft gekregen om op de inhoud van de akte te reageren. Zij hebben daarop overigens ook gereageerd in hun antwoordakte. In zoverre is het verzet van [geïntimeerde] tegen het toelaten van de akte van [appellante] ongegrond.

2.6

De op 23/24 september 2015 overgelegde producties zijn (1) een door [appellante] gemaakte lijst van reserveringen van vliegtickets, met daarnaast per ticket opgave van de aanschafkosten, (2) een in een vreemde taal (vermoedelijk Oekraïens of Russisch) gesteld mailbericht waarvan de inhoud voor het hof onleesbaar is, (3a) een bankafschrift van 7 september 2011, (3b) een mailbericht van 10 juni 2011, (4a) een bankafschrift van 1 juli 2011, (4b) een deels in het Engels en verder in een (andere) vreemde taal gesteld geschrift (mogelijk een formulier waarmee een betalingsopdracht aan een bank kan worden gegeven), en (5) een bankafschrift van 1 augustus 2011. Voor het voorbereiden van de zitting restte nog hoogstens drie werkdagen. Ter zitting heeft [appellante] daarop weliswaar een toelichting kunnen geven, die in het proces-verbaal is opgenomen, maar heeft daarmee naar het oordeel van het hof niet duidelijk gemaakt welke inhoud de producties hebben en in welke relatie die producties staan tot de vorderingen. Dit betekent dat de vertraging de advocaat van [geïntimeerde] heeft bemoeilijkt in het voorbereiden van een visie op hetgeen [appellante] heeft overgelegd. Door de producties zo laat over te leggen, handelde [appellante] dan ook in strijd met de goede procesorde. Daarom laat het hof de producties verder buiten beschouwing.

2.7

In het tussenarrest is reeds aangekondigd welke beslissing zal volgen ten aanzien van de schadeposten 14 restituties ad totaal € 10.610 (zullen worden afgewezen), dinerkosten ad € 768 (toegewezen) en buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van 15% van de hoofdsom (afgewezen). Het hof ziet geen aanleiding om op die aangekondigde beslissingen terug te komen. Het betalingsbewijs, dat als productie 5 op 23/24 september 2015 is overgelegd, heeft betrekking op de post dinerkosten, en doet daaraan evenmin iets toe of af.

2.8

Met betrekking tot de 35 alternatieve trips ad totaal € 8.400 had [appellante] als onderdeel van productie 2 bij de memorie van grieven reeds een door hem opgesteld overzicht overgelegd, getiteld ‘aankoop tickets reis Oekraïne juli 2011’, waaruit blijkt dat de aanschaf van 14 van de 50 tickets geen schade heeft veroorzaakt. Hij heeft daarom op het beweerdelijke totaalbedrag van de ticketkosten (€ 11.608,21) een bedrag van € 3.192,07 in mindering gebracht. Het feit dat enerzijds artikel 9 van de algemene voorwaarden van Wizz Air inhoudt dat de ticketprijs bij het missen van het vliegtuig, na aftrek van bepaalde kosten, wordt terugbetaald, en anderzijds Wizz Air in een mailbericht van 30 augustus 2011 (productie 1 bij akte van 4 februari 2014) aan [appellante] heeft geschreven dat de tickets non refundable zijn, is echter nog steeds niet verklaard. Evenmin heeft [appellante] bescheiden overgelegd waaruit blijkt van de betalingen van per saldo € 11.608,21. ondanks het feit dat hij bij het tussenarrest van 21 juli 2015 daartoe eveneens werd uitgenodigd. Ter comparitie heeft [appellante] aangeboden om alsnog deze betalingsbewijzen over te leggen, maar hij heeft niet toegelicht dat hij de betalingsbewijzen niet binnen de in het tussenarrest bepaalde termijn kon overleggen. Daarom passeert het hof het te laat, immers eerst ter comparitie gedane aanvullende bewijsaanbod. Nu noch van de betaling is gebleken, noch van de gestelde onmogelijkheid om de betaalde ticketprijzen terug te ontvangen, wijst het hof deze schadepost af.

2.9

De annuleringskosten ad € 500 zijn pas ter comparitie nader onderbouwd: het zou gaan om kosten in verband met het afzeggen van bezoeken aan de ambassade van Nederland en aan agrarische bedrijven, telefoonkosten en provisie die verschuldigd was, ook al gingen de bezoeken niet door. Die schadepost is steeds bestreden en [appellante] heeft ondanks de hem daartoe geboden gelegenheid geen nadere specificatie van de opgevoerde schadeposten gegeven. Los van het feit dat een op dit punt toegesneden bewijsaanbod ontbreekt, zal vordering tot vergoeding van deze post als onvoldoende onderbouwd en daarom ongegrond worden afgewezen.

2.10

Dat [appellante] tijd heeft moeten besteden aan het onderhouden van contacten met zijn klanten, nadat deze het vliegtuig hadden gemist, ligt voor de hand. Met de begroting daarvan (40 uur à € 20) heeft hij dit deel van het gevorderde voldoende onderbouwd. Het bedrag zal worden toegewezen, hetgeen los staat van de inhoud van de laatst overgelegde producties.

3 Slotsom

3.1

De producties die op 23/24 september 2015 zijn toegezonden, maken geen deel uit van het dossier.

3.2

[appellante] is niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover het is gericht tegen het tussenvonnis van 27 juni 2012, waarbij de rechtbank niet anders heeft beslist dan dat een comparitie van partijen zou worden gehouden. Tegen dit tussenvonnis staat ingevolge het bepaalde in artikel 131 (laatste volzin) Rv geen hoger beroep open. In zoverre verklaart het hof [appellante] ambtshalve niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

3.3

De grieven slagen, zodat het bestreden eindvonnis van 12 december 2012 zal worden vernietigd. Een gedeelte van de oorspronkelijke vordering, groot (€ 768 + € 800 =) € 1.568, is gegrond en zal alsnog worden toegewezen, met de wettelijke rente daarover met ingang van de dag waarop de memorie van grieven is genomen, zoals laatstelijk gevorderd. Voor het overige is de schadevordering ongegrond en zal zij worden afgewezen.

3.4

Beide partijen worden op onderdelen in het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom de proceskosten van de beide instanties compenseren, zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, burgerlijk recht, sector kanton) van 27 juni 2012;

vernietigt het beroepen eindvonnis van de kantonrechter van 12 december 2012 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] het bedrag van € 1.568 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 september 2013 tot de dag van de betaling;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg alsmede die in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, A.E.B. ter Heide en D.J. Buijs en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2016.