Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10667

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2016
Datum publicatie
22-05-2017
Zaaknummer
21-002337-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:515, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002337-15

Uitspraak d.d.: 27 mei 2016

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 10 april 2015 met parketnummer 05-150741-14 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. B.J. Sanders, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 7 maart 2013 te Leuvenheim, gemeente Brummen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/schuur aan de [a-straat 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 345 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 250 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan)

1. subsidiair:
een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 7 maart 2013 te Leuvenheim, gemeente Brummen, met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand/schuur aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 345 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 7 maart 2013 te Leuvenheim, gemeente Brummen,, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand/schuur voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2:
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 7 maart 2013 te Leuvenheim, gemeente Brummen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of valse sleutel (door een of meer (ijk)zegel(s) en/of het deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en/of (vervolgens) een elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval buiten de meter om, te maken);

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij geen wetenschap droeg van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in zijn schuur en dat hij de schuur achter zijn woning sedert enkele maanden verhuurde aan [betrokkene]. Bovendien zou hij ook de woning, waar verdachte feitelijk zelf weinig meer verbleef, sedert 1 maart 2013 aan [betrokkene] hebben verhuurd. Ter staving van deze stellingen heeft verdachte huurovereenkomsten overgelegd, alsmede een werkgeversverklaring betreffende [betrokkene].

Het hof acht dit alternatieve scenario ongeloofwaardig.

Vooropgesteld moet worden dat de woning en schuur aan verdachte in eigendom toebehoorden en dat hij ook op dat adres ingeschreven stond. Verdachte heeft ook erkend dat de woning door hem werd bewoond, zij het dat hij ten tijde van de beweerdelijke verhuur van de schuur doorgaans elders, bij zijn vriendin zou verblijven. Zo bevatte de woning verdachtes inboedel, ook na 1 maart 2013, aldus verdachte.

De beweerdelijke huurder, [betrokkene], beschikte voor 1 maart 2013 niet over een sleutel van de woning, aldus verdachte. Uit onderzoek is evenwel gebleken dat de in de schuur aangetroffen hennepkwekerij reeds maanden bestond en dat de daarvoor benodigde stroom werd betrokken uit/via de meterkast in de woning. Uit onderzoek bleek verder dat de beweerdelijke huurder, [betrokkene], een ernstig aan drugs verslaafde man betrof, zonder dienstverband, die desgevraagd heeft verklaard dat hij na de ontmanteling van de hennepkwekerij is benaderd met het verzoek om tegen betaling enkele huurovereenkomsten te ondertekenen, aan welk verzoek hij heeft voldaan. Deze door [betrokkene] geschetste gang van zaken acht het hof geloofwaardig in het licht van het volgende. Verdachte is op de dag van de ontmanteling, 7 maart 2013, door een verbalisant telefonisch op de hoogte gesteld dat van de bevindingen van de politie. Verdachte zegde daarop toe binnen een half uur ter plaatse te komen. Verdachte meldde zich vervolgens eerst op 26 maart 2013 bij de politie. Desgevraagd verklaarde verdachte dat hem in bedoeld telefoongesprek niet duidelijk werd dat hij met de politie sprak en evenmin dat er in zijn pand een hennepkwekerij was aangetroffen. Dit vanwege een gebrekkig werkende telefoon. Niet eerder dan enkele dagen voor 26 maart 2013 zou verdachte van de hennepkwekerij c.a. op de hoogte zijn gebracht, aldus verdachte, Deze verklaring acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. Nu bovendien de gepresenteerde contracten gekenmerkt worden door slordigheden en het weinig aannemelijk voorkomt dat een ervaren verhuurder als verdachte zijn eigen woonhuis met zijn eigen inboedel aan een man als [betrokkene] toevertrouwt, hecht het hof geen geloof aan het door verdachte gepresenteerde alternatieve scenario van verhuur.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2013 tot en met 7 maart 2013 te Leuvenheim, gemeente Brummen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/schuur aan de [a-straat 1]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 345 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet; terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 250 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan)

2:
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 7 maart 2013 te Leuvenheim, gemeente Brummen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid energie (stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of valse sleutel (door een of meer (ijk)zegel(s) en/of het deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en/of (vervolgens) een elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval buiten de meter om, te maken).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennepplanten. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennep een stof is die, eenmaal in het verkeer gebracht, schadelijk kan zijn en risico's meebrengt voor de gezondheid van gebruikers en mede daardoor schade van velerlei aard in de samenleving veroorzaakt. Voorts heeft verdachte door zich schuldig te maken aan diefstal van elektra blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen.

Bij de strafoplegging heeft het hof rekening gehouden met het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 18 april 2016 waaruit blijkt dat verdachte eerder een werkstraf heeft verricht voor een aan de Opiumwet gerelateerd feit.

Alles overwegende en met de politierechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, beide van na te noemen duur, passend en geboden zijn, waarbij het voorwaardelijke deel verdachte er van dient te weerhouden om in de toekomst strafbare feiten te plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. A.J. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier,

en op 27 mei 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 27 mei 2016.

Tegenwoordig:

mr. A.H. Garos, voorzitter,

mr. L. van Kooten, advocaat-generaal,

mr. J. de Jong, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.