Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10664

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
12-06-2017
Zaaknummer
21-007168-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:804, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007168-15

Uitspraak d.d.: 25 maart 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2015 met parketnummer 96-270700-14 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 maart 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.M.F. Aarts, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 13 november 2014 te De Bilt als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Door en namens verdachte is vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte niet heeft geweigerd om mee te werken aan de blaastest. Verdachte betwist de lezing van verbalisant [verbalisant], zoals weergegeven in het proces-verbaal. Hij heeft telkens voluit in het ademanalyseapparaat geblazen. Verdachte had ook geen enkele reden om de test te manipuleren, omdat hij die dag niet teveel had gedronken. De eerste test, die een resultaat van 100 µgl opleverde, bevestigt dat ook, maar dit is niet in het proces-verbaal vermeld. Dat de overige blaastesten niet zijn gelukt, is te wijten aan een defect van het apparaat.

Het hof acht de lezing van verdachte niet aannemelijk en is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door het proces-verbaal van bevindingen, zoals hieronder opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van dat proces-verbaal te twijfelen.

Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 20 november 2014 door verbalisant [verbalisant], surveillant van politie Eenheid Midden-Nederland, vermeldt voor zover van belang het volgende - zakelijk weergegeven -:

Op 14 november 2014 bevond ik, verbalisant [verbalisant], mij in uniform gekleed en met alcoholcontrole belast op de openbare weg, Utrechtseweg te De Bilt, gemeente De Bilt. Mijn collega had een verdachte artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 in onze alcoholbus. Ik was bedienaar ademanalyse. Ik, verbalisant, liet deze verdachte, [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats], omstreeks 00:21 uur blazen op het ademanalyseapparaat. Ik hoorde dat verdachte aan mij vroeg: “Kan jij niet voor mij blazen?”. Ik zei tegen hem dat hij dat beter zelf kon doen. Ik heb verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 3, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem medegedeeld dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de daartoe aangewezen bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten diensten van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Een verdachte krijgt tijdens de ademanalyse vier kansen om op aanwijzing van de bedienaar een balk op het display vol te blazen. Tijdens het blazen mag er tussentijds niet gestopt worden met blazen voor een voltooide ademtest. Er moeten twee blaastesten voldoende zijn voor een voltooide ademanalyse.

Ik zag hoe verdachte de slang met het blaaspijpje met zijn rechterhand beetpakte en deze naar zijn mond bracht. Ik zag dat hij zijn vuist om het blaaspijpje heen hield. Ik zag dat hij zijn wangen bolde. Ik hoorde dat hij langs zijn vuist en het pijpje lucht blies. Ik hoorde een geluid dat klonk alsof iemand krachtig op zijn vuist of hand blies. Ik zag tevens op het display van de ademanalyse dat de blauwe lijn die de hoeveelheid inkomende lucht aangeeft, haast niet omhoog kwam. Uit mijn opleiding weet ik dat de lijn in de grafiek duidelijk omhoog komt als iemand goed blaast en voldoende volume geeft. Ik zag op het display van het ademanalyse apparaat vervolgens dat verdachte vroegtijdig was gestopt met blazen.

Ik vorderde verdachte nog een blaastest. De tweede blaastest was gelukt.

Het ademanalyseapparaat gaf op het display aan dat verdachte voor de derde keer mocht blazen. Ik zag dat verdachte de slang met daaraan het blaaspijpje weer met zijn rechtervuist vastpakte en vervolgens tegen zijn mond hield. Ik zag vervolgens dat hij zijn tong in het blaaspijpje stopte en zijn wangen bolde. Ik hoorde dat hij langs zijn buist en het pijpje lucht blies. Ik hoorde een geluid dat klonk alsof iemand krachtig op zijn vuist of hand blies. Ik zag tevens op het display van het ademanalyse apparaat dat de blauwe lijn die de hoeveelheid inkomende lucht aangeeft haast niet omhoog kwam. Ik zag op het display van het ademanalyse apparaat de melding dat verdachte gestopt was met blazen.

Verdachte had nog een kans om de blaastest goed af te ronden en ik heb hem dit ook medegedeeld. Verdachte nam vervolgen het blaaspijpje weer in zijn rechtervuist en ik zag en hoorde vervolgens dat hij zijn tong nogmaals in het pijpje stak. Ik hoorde vervolgens dat hij nogmaals langs zijn vuist en het pijpje lucht blies. Ik hoorde weer een geluid dat klonk alsof iemand krachtig op zijn vuist of hand blies. Ik zag tevens op het display van het ademanalyse apparaat dat de blauwe lijn die de hoeveelheid inkomende lucht aangeeft haast niet omhoog kwam. Ik zag vervolgens dat er wederom op het scherm van het ademanalyseapparaat “gestopt” kwam te staan.

Ik heb vervolgens aan verdachte medegedeeld dat ik zag dat hij zijn tong in het blaaspijpje stak en dat hij weigerde mee te werken aan de ademanalyse.

Bewezenverklaring

Door voornoemde wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 13 november 2014 te De Bilt als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

Het vonnis van de politierechter

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 1.100, subsidiair 21 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van tien maanden met aftrek van de tijd dat zijn rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als opgelegd door de politierechter.

Het standpunt van verdachte en zijn raadsvrouw

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben, in geval het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de benarde financiële situatie van verdachte en het feit dat hij zijn medewerking verleent aan een EMA-cursus. Verdachte heeft verklaard dat hij € 1100 heeft betaald om deel te kunnen nemen aan die cursus. Zij hebben gevraagd een eventueel op te leggen geldboete om te zetten in een taakstraf dan wel een betaling in termijnen toe te staan. De gevorderde termijn van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, dient te worden gematigd dan wel dient de ontzegging voorwaardelijk te worden opgelegd voor de termijn dat het rijbewijs niet ingevorderd is geweest. Verdachte heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn baan als koerier, waarmee hij op korte termijn kan starten.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft geweigerd te voldoen aan een bevel medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Daardoor heeft hij verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of het alcoholgehalte in de door hem uitgeademde lucht hoger was dan het toegelaten alcoholgehalte. Door deze handelwijze wordt de controle op de naleving van voorschriften die de verkeersveiligheid dienen, gefrustreerd.

Volgens de rechterlijke oriëntatiepunten voor straftoemeting is voor een dergelijk feit een geldboete van € 1.000, subsidiair 20 dagen hechtenis en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van negen maanden in beginsel gerechtvaardigd.

Blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 februari 2016 is verdachte eerder met justitie in aanmerking gekomen ter zake van rijden onder invloed. Hij heeft daarvoor in 2009 een transactie voldaan en in 2012 is hem bij strafbeschikking een werkstraf opgelegd, die hij heeft verricht. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden wederom de Wegenverkeerswet te overtreden. Dit valt verdachte in hoge mate te verwijten. Gelet hierop acht het hof de door de politierechter opgelegde straffen passend en geboden en zal het hof deze opleggen, met dien verstande dat verdachte gezien zijn draagkracht de geldboete in termijnen mag betalen. Verdachte heeft zijn stelling dat hij als koerier gaat werken en dat hij € 1100 heeft betaald voor deelname aan de EMA-cursus niet onderbouwd met schriftelijke stukken, zodat het hof (ook) om die reden geen reden ziet om tot een andere strafoplegging te komen dan de politierechter.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.100,-- (duizend honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 11 (elf) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 100,-- (honderd euro).

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.D. den Hartog, voorzitter,

mr. P.R. Wery en mr. R. de Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.H.A. Bijl, griffier,

en op 25 maart 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.