Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10658

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2016
Datum publicatie
15-05-2017
Zaaknummer
21-002445-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:811, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002445-15

Uitspraak d.d.: 14 maart 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 10 april 2015 met parketnummer 16-652070-15 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.M.S. Bal, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2015 tot en met 4 februari 2015 te Losser, althans in het arrondissement Oost-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand (gelegen aan de [a-straat 1]) heeft/hebben weggenomen een kluis met daarin één of meerdere tegoedbon(nen) en/of een geldbedrag van ongeveer 200 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

subsidiair:
hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2015 tot en met 4 februari 2015 te Losser en/of Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kluis met daarin één of meerdere tegoedbon(nen) en/of een geldbedrag van 200 euro heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder.

Vooropgesteld zij dat aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat betrokkene die goederen ook heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang. Daarnaast geldt dat de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs kan bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.

Verdachte en zijn medeverdachten worden ‘s nachts aangetroffen in een auto waarin zich in de kofferbak een kluis bevindt die maximaal twaalf uur daarvoor - en mogelijk zelfs (aanzienlijk) korter daarvoor - is gestolen uit het pand van [A] te Losser.

Verdachte zat op de achterbank. Het is een feit van algemene bekendheid dat een kluis van een soort en met afmetingen zoals bij verdachten aangetroffen een zodanig gewicht heeft dat het verplaatsen en met name tillen ervan meerdere personen vereist.

In de auto bevinden zich tevens kledingstukken en gereedschappen (een boormachine in het vak van het bijrijdersportier, een aantal schroevendraaiers in een kapotte ruimte achter de bijrijdersstoel, zogenaamde kerntrekker onder de bekleding van de bestuurdersstoel, handschoenen op de grond bij de bijrijdersstoel en donkerkleurige kleding in de kofferbak bij de kluis) die geschikt zijn voor het plegen van inbraken. Uit forensisch onderzoek blijkt dat een van de schroevendraaiers zeer waarschijnlijk is gebruikt bij het wegnemen van de kluis en dat zich op een van de andere schroevendraaiers die op dezelfde plek in de auto is aangetroffen DNA bevindt van medeverdachte [medeverdachte 1].

Gelet op het vorenstaande moet het ervoor worden gehouden dat verdachten degenen zijn geweest die de kluis hebben weggenomen, tenzij verdachten voor de aanwezigheid van die kluis en de overige goederen in de auto een aannemelijke verklaring geven. Verdachten geven die verklaring niet. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2], inhoudende dat zij die avond bij vriendinnen in Amersfoort waren, sluit het (tevens) gepleegd hebben van de inbraak in Losser niet uit, en wordt bovendien weersproken door de rijrichting van de auto van verdachten, zoals blijkt uit het feit dat de auto om 4.40 uur werd gesignaleerd op de autosnelweg A1 ter hoogte van Hoevelaken - en daarmee ten oosten van Amersfoort - en de drie verdachten vervolgens omstreeks 5:00 uur werden aangehouden op de [b-straat 1] te Amersfoort. Verdachten hebben zich dus met de door medeverdachte [medeverdachte 2] bestuurde auto juist in de richting van Amersfoort bewogen, iets wat niet te rijmen valt met het gestelde eerdere bezoek aan personen in Amersfoort.

Om voormelde redenen is het hof van oordeel dat op grond van het aantreffen van de kluis, in onderling verband beschouwd met de inhoud van de verdere bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de diefstal van die kluis.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij in of omstreeks de periode van 3 februari 2015 tot en met 4 februari 2015 te Losser, althans in het arrondissement Oost-Nederland , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in /uit een bedrijfspand (gelegen aan de [a-straat 1]) heeft/ hebben weggenomen een kluis met daarin één of meerdere tegoedbon ( nen ) en/ of een geldbedrag van ongeveer 200 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/ of zijn mededader ( s ) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft /hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming ;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte en zijn mededaders hebben zich schuldig gemaakt aan inbraak. Feiten als het onderhavige brengen naast overlast doorgaans ergernis en financiële schade voor de benadeelden met zich mee. Bovendien draagt dit soort feiten bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 februari 2016, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen eerder is veroordeeld wegens vermogensdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen. Alles afwegend acht het hof de door de politierechter opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Vordering van de benadeelde partij [A]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 492,40. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade (hoofdelijk) gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 27, 36f, 47 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [A]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 492,40 (vierhonderdtweeënnegentig euro en veertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A], ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 492,40 (vierhonderdtweeënnegentig euro en veertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 (negen) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

De voorlopige hechtenis

Heft op het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van de ondergane voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van de tenuitvoerlegging van de onvoorwaardelijke opgelegde vrijheidsstraf.

Aldus gewezen door

mr. J.P. Bordes, voorzitter,

mr. J.W. Rijkers en mr. M.M.L.A.T. Doll, raadsheren,

in tegenwoordigheid van C.M.M. van der Waerden, griffier,

en op 14 maart 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.