Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10571

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
16/00368
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:831, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:1151
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Bron van inkomen? Objectieve voordeelsverwachting? Verkoop autoaccessoires.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/90
V-N 2017/13.1.2
FutD 2017-0140
NTFR 2017/390 met annotatie van mr.dr. C. Bruijsten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 16/00368

uitspraakdatum: 27 december 2016

nummer /

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 18 februari 2016, nummer AWB 15/3593, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd en is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de beschikking. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2016 te Arnhem. Als gemachtigde van belanghebbende is [A] , belanghebbendes echtgenote, verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen [B] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is in december 2009 begonnen als verkoper van auto-accessoires. Het opstarten van deze genoemde activiteiten werd de eerste negen maanden gefaciliteerd vanuit het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: het UWV). Belanghebbende ontving in het jaar 2010 een werkloosheidsuitkering. Met ingang van augustus 2010 is belanghebbende een dienstbetrekking aangegaan bij [C] te [D] . Als gevolg van een non-concurrentiebeding heeft belanghebbende de activiteiten als verkoper van autoaccessoires buiten deze dienstbetrekking gedurende dit dienstverband, stopgezet. Het dienstverband bij [C] is na een jaar beëindigd.

2.2.

Op 30 maart 2011 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 6.168. Dit inkomen is als volgt samengesteld:

Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking € 22.904

Loon uit vroegere dienstbetrekking € 10.444

Totaal € 33.348

Winst/Resultaat

Bruto resultaat uit werkzaamheden € -28.732

Af: Totaal kosten resultaat uit werkzaamheden € 10.784

Netto resultaat uit werkzaamheden € -39.516

Belastbaar inkomen uit werk en woning € -6.168

2.3.

Naar aanleiding van de aangifte heeft de Inspecteur hem een vragenbrief gezonden. In reactie op deze vragenbrief heeft belanghebbende het opgevoerde verlies als volgt gespecificeerd:

Omzet (één transactie) € 540

Autokosten (33.400 x € 0,19) € 6.346

Inkoop € 3.875

Telefoon € 370

Porti € 108

Diversen € 250

Zelfstandigenaftrek € 9.427

Startersaftrek € 2.110

Totale kosten € 22.486

Resultaat € -21.946

2.4.

De Inspecteur heeft bij brief van 5 september 2013 aangekondigd te zullen afwijken van de aangifte. Bij brief van 24 september 2013 heeft de echtgenote van belanghebbende gereageerd op het aangekondigde voornemen tot afwijking van de aangifte IB/PVV 2010. In deze brief staat onder meer het volgende:

“Mijn man is nu niet meer actief bezig met klantenbezoeken omdat hij een werkloosheidsuitkering heeft en nu de faciliteiten vanuit de UWV niet meer aanwezig zijn. Per maart 2014 loopt de uitkering af, en dan pakt mijn man zijn werkzaamheden weer op. Inmiddels hebben we ook aan de Kamer van Koophandel laten weten dat de onderneming nog steeds bestaat.

Het eerste halfjaar wordt de onderneming dan gefinancierd vanuit het levenslooptegoed waar ik bij de aegon nog recht op heb.”

2.5.

De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat hetgeen belanghebbende opvoert als onderneming geen bron van inkomen is en heeft de (negatieve) belastbare winst uit onderneming gecorrigeerd. Daarnaast heeft hij het loon van eiser gecorrigeerd met een bedrag van € 7.057. In de aanslag met dagtekening 21 november 2013 heeft de Inspecteur het belastbare inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 40.405.

2.6.

Over de jaren 2011, 2012 en 2013 zijn geen aangiften omzetbelasting ingediend. In 2014 is een omzet aangegeven van € 985, in 2015 van € 4.288 en in het eerste kwartaal van 2016 € 1.823.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de hiervoor omschreven activiteiten van belanghebbende als verkoper van autoaccessoires een bron van inkomen vormen, meer in het bijzonder of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. Belanghebbende stelt dat zijn activiteiten een bron van inkomen zijn. De Inspecteur betwist dat daarvan sprake is.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en vermindering van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De door belanghebbende verrichte activiteiten kunnen een bron van inkomen zijn als redelijkerwijs te verwachten valt dat daarmee voordeel zal worden behaald. De bewijslast voor deze stelling rust, nu met de activiteiten in 2010 een negatief resultaat is behaald, op belanghebbende.

4.2.

Belanghebbende is in 2010 activiteiten gestart waarbij relatief hoge aanloopkosten zijn gemaakt. Belanghebbende heeft deze activiteiten acht maanden later voor onbepaalde tijd stilgelegd wegens het aanvaarden van een dienstbetrekking. In deze acht maanden heeft één betaalde transactie plaatsgevonden, waarbij een zowel absoluut als relatief zeer geringe omzet is gegenereerd. Uit niets blijkt dat belanghebbende door middel van een marktanalyse of anderszins heeft onderzocht in hoeverre met deze activiteiten omzet kan worden behaald, dan wel welke kosten gemaakt dienen te worden om voldoende omzet te kunnen genereren. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat een ondernemingsplan is opgesteld, doch dit plan is niet overgelegd, zodat geen controle mogelijk is in hoeverre dit ondernemingsplan in 2010 reëel was. Onder deze omstandigheden kan naar ’s Hofs oordeel niet worden geoordeeld dat in 2010 redelijkerwijs kon worden verwacht dat met de door belanghebbende ontplooide activiteiten als verkoper van autoaccessoires voordeel zou kunnen worden behaald. Het feit dat deze activiteiten door het UWV zijn gefaciliteerd, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

4.3.

Het Hof betrekt bij dit oordeel de omstandigheid dat ook in de jaren 2011 (vanaf augustus), 2012 en 2013 geen omzet is behaald en dat de som van de omzetten van 2014, 2015 en 2016 (eerste kwartaal) lager is dan de in 2010 opgevoerde kosten. Hoewel de vraag of een belastingplichtige in een jaar een onderneming uitoefent, en met name of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, in beginsel moet worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar, kunnen feiten en omstandigheden van andere jaren licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen deze daarom mede in aanmerking worden genomen (vergelijk HR 24 juni 2011, nr. 10/01299; ECLI:NL:HR:2011:BP5707).

4.4.

Slotsom is dat het gelijk aan de Inspecteur is. De activiteiten als verkoper van autoaccessoires vormen voor belanghebbende in 2010 geen bron van inkomen.

4.5.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

4.6.

Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de wederpartij in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof heeft moeten maken.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. R.A.V. Boxem, voorzitter, R.F.C. Spek en
A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 27 december 2016 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(J.L.M. Egberts)

(R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 3 januari 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.