Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1057

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2016
Datum publicatie
12-02-2016
Zaaknummer
21-003614-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van Megazaak Kastanje II. Grootschalige hypotheekfraude. Medeplegen van oplichting, en witwassen alsmede deelname criminele organisatie. Voorhanden hebben van uit eigen misdrijf verkregen geldbedragen niet, uitgeven daarvan wel gekwalificeerd als witwassen. Leidende rol verdachte. Gevangenisstraf van 48 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003614-13

Uitspraak d.d.: 11 februari 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 26 februari 2013 met parketnummer 19-614004-09 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 17 april 2015, 3 december 2015, 28 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 44 maanden, met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. S. Urcun, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging omdat (1) de verbaliseringsplicht meermalen is geschonden en (2) de kennisname van het dossier “ [naam 1] ” aan de verdediging is onthouden. Nu de verdediging geen kennis heeft kunnen nemen van het dossier [naam 1] , is voor de verdediging niet verifieerbaar en controleerbaar of er sprake is van onrechtmatig verkregen informatie in de zaak van verdachte en/of zijn medeverdachten, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft voornoemd verweer bestreden en tot ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie geconcludeerd.

Bij de beoordeling van het verweer stelt het hof voorop dat uit het dossier voldoende blijkt naar aanleiding waarvan het onderzoek Kastanje is aangevangen en hoe na verloop van tijd de verdenking jegens verdachte is ontstaan. De rechtbank heeft hieromtrent overwogen:

“De Rabobank heeft naar aanleiding van een brand in een woning in [plaats 1] , waar een hennepkwekerij werd aangetroffen en ten aanzien waarvan de aflossingen van de ten behoeve van die woning afgesloten hypothecaire lening vervolgens stopten, intern onderzoek gedaan naar mogelijke hypotheekfraude ten aanzien van de financiering van die woning. (…)

Naar aanleiding van dit interne onderzoek heeft de Rabobank in het najaar van 2006 aangifte gedaan van negen gevallen van zogenaamde hypotheekfraude. In de onderscheiden aangiftes wordt door de bank verklaard —kort gezegd- dat zij vermoedt dat de bij die bank afgesloten hypothecaire lening is verkregen door overlegging van één of meerdere valse werkgeversverklaringen en valse loonspecificaties welke afkomstig zijn van de ondernemingen [bedrijf 1] of [bedrijf 2] . Er wordt in die aangiften uitgebreid en gedetailleerd aangegeven op welke wijze de fraude zou hebben plaatsgevonden en welke personen en bedrijven daarbij betrokken zouden zijn. Op de bij die aangiften

gevoegde werkgeversverklaringen staat als werkgever en ondertekenaar [medeverdachte 1] vermeld en ze zijn voorzien van een firmastempel. [medeverdachte 1] was volgens het uittreksel uit het voor een ieder toegankelijke handelsregister van de Kamer van Koophandel algemeen directeur van [bedrijf 1] en de eenmanszaak [bedrijf 2] werd voor zijn rekening gedreven.

(…)

Het vestigingsadres van zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 1] is [adres 1] . Dit is volgens het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel ook het vestigingsadres van de eenmanszaak [bedrijf 3] . Deze onderneming heeft een werkgeversverklaring ten name van [medeverdachte 2] overgelegd ter verkrijging door [medeverdachte 2] van een hypothecaire lening bij Fortis ASR ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [adres 2] . Deze onderneming wordt gedreven voor rekening van [medeverdachte 3] . Ook in deze woning is een hennepkwekerij aangetroffen. De hypotheeknemer Fortis ASR heeft aangifte gedaan van hypotheekfraude.

(…)

In één van de aangiften van de Rabobank (met betrekking tot de woning aan de [adres 3] ) wordt aangegeven dat in het dossier een aantekening is gevonden bij de hypotheekbesprekingen een tolk genaamd “Trie” is opgetreden. Mogelijk zo wordt in die aangifte gerelateerd betreft het hier [medeverdachte 3], die eigenaar is van [bedrijf 3] , gevestigd op het adres [adres 1] .”

Deze overweging van de rechtbank is juist. Het hof neemt die over. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof aldus van oordeel dat volstrekt helder en controleerbaar is op welke wijze en op welk moment de verdenking jegens verdachte is gerezen. Uit het dossier blijkt tevens het verband met andere rechtspersonen en medeverdachten als [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en hoe de verdenking in dat opzicht is ontstaan.

Zowel ten aanzien van de gestelde schending van de verbaliseringsplicht als ten aanzien van het ontbreken van het dossier [naam 1] heeft de raadsman enkel aangevoerd dat hierdoor mogelijk relevante informatie aan verdachte is onthouden, zonder dit op enige wijze te concretiseren.

Het hof heeft, gelet op bovenstaand relaas omtrent de totstandkoming van de verdenking jegens verdachte en het feit dat er door de verdediging niets is aangevoerd dat erop zou kunnen wijzen dat één en ander toch anders is geweest, geen aanleiding te veronderstellen dat er op enige wijze informatie aan verdachte is onthouden die voor de beoordeling van zijn zaak relevant is. Voor zover er derhalve al sprake zou zijn van een schending van de verbaliseringsplicht en/of het recht op kennisname van processtukken, is niet gebleken in welk opzicht verdachte daardoor in zijn belangen is geschaad. De door de raadsman geschetste situatie waarin beginselen van een behoorlijke procesorde in ernstige mate zijn geschonden waardoor doelbewust of met een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan en/of dat er gehandeld is in strijd met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt, doet zich niet voor.

Het verweer wordt verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

(ZD 03)

hij in of omstreeks de periode 01 mei 2005 tot en met 30 juni 2005 in de gemeente(n) [gemeente 1] , [gemeente 2] , [gemeente 3] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (één of meer medewerkers van) (een filiaal van) de rechtspersoon/hypotheekverstrekker Coöperatieve Rabobank Bergum-Oostermeer e.o. U.A., althans Rabobank Nederland, heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (totaal) Euro 188.234,- (voor de aankoop/verbouwing van een het pand [adres 3] ) en/of tot het aangaan van een schuld (hypotheekovereenkomst), hierin bestaande dat verdachte en/of diens mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk, valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, (achtereenvolgens dan wel in een

andere volgorde, maar wel in een onderlinge samenhang)

- (op 24 mei 2005) een taxatierapport heeft/hebben laten opstellen betreffende het pand [adres 3] , en/of

- (op 30 mei 2005) een (voorlopig) koopcontract heeft/hebben ondertekend betreffende het pand [adres 3] , en/of

- een valse werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie, althans een vervalste werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie heeft/hebben opgesteld, of doen/laten opstellen (terwijl er geen sprake was van het aldaar vermelde dienstverband en/of loon), en/of

- (in april en mei 2005) twee maal een bedrag van Euro 1.593,20 (vermeend loon) heeft/hebben overgemaakt van de rekening van de vermeende werkgever ( [bedrijf 2] ) naar de rekening van de vermeende werknemer ( [medeverdachte 5] ), en/of

- (op 07 juni 2005) een aanvraag voor een offerte voor een hypotheek heeft/hebben gedaan, althans heeft/hebben laten doen, bij genoemde hypotheekverstrekker, en/of

- (bij die aanvraag) aan de hypotheekverstrekker heeft/hebben overgelegd een valse of vervalste werkgeversverklaring en/of een valse of vervalste salarisspecificatie (er was namelijk in het geheel geen sprake van het op die werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie vermelde dienstverband en/of loon), en/of

- (bij die aanvraag) aan de hypotheekverstrekker heeft/hebben overgelegd twee rekeningafschriften waaruit blijkt dat aan verdachte en/of diens mededader(s) loon is overgemaakt (terwijl er in het geheel geen sprake was van een dienstverband en/of loon), en/of

- (op 08 juni 2005) een door de hypotheekverstrekker (naar aanleiding van genoemde aanvraag) aangeboden offerte voor een hypotheek ter acceptatie (van de offerte) heeft/hebben ondertekend en/of heeft/hebben retour gezonden, en/of

- (op 15 juni 2005) naar een notaris is/zijn gegaan ter passering van de hypotheekakte en/of daarbij een handtekening heeft/hebben geplaatst waarmee de hypotheekovereenkomst tot stand is gekomen, en/of

zich aldus heeft/hebben voorgedaan als hebbende een vast betaald dienstverband en/of inkomen, althans als zijnde een bonafide (potentiele) hypotheekgever met voldoende solvabiliteit, waardoor genoemde benadeelde werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of tot het aangaan van bovengenoemde schuld;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte 5] in of omstreeks de periode 01 mei 2005 tot en met 30 juni 2005 in de gemeente(n) [gemeente 1] , [gemeente 2] , [gemeente 3] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (één of meer medewerkers van) (een filiaal van) de rechtspersoon/hypotheekverstrekker Coöperatieve Rabobank Bergum-Oostermeer e.o. U.A., althans Rabobank Nederland, heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (totaal) Euro 188.234,- (voor de

aankoop/verbouwing van een het pand [adres 3] ) en/of tot het aangaan van een schuld (hypotheekovereenkomst), hierin bestaande dat die [medeverdachte 5] en/of diens mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, (achtereenvolgens dan wel in een andere volgorde, maar wel in een onderlinge samenhang)

- (op 24 mei 2005) een taxatierapport heeft/hebben laten opstellen betreffende het pand [adres 3] , en/of

- (op 30 mei 2005) een (voorlopig) koopcontract heeft/hebben ondertekend betreffende het pand [adres 3] , en/of

- een valse werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie, althans een vervalste werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie heeft/hebben opgesteld, of doen/laten opstellen (terwijl er geen sprake was van het aldaar vermelde dienstverband en/of loon), en/of

- (in april en mei 2005) twee maal een bedrag van Euro 1.593,20 (vermeend loon) heeft/hebben overgemaakt van de rekening van de vermeende werkgever ( [bedrijf 2] ) naar de rekening van de vermeende werknemer ( [medeverdachte 5] ), en/of

- (op 07 juni 2005) een aanvraag voor een offerte voor een hypotheek heeft/hebben gedaan, althans heeft/hebben laten doen, bij genoemde hypotheekverstrekker, en/of

- (bij die aanvraag) aan de hypotheekverstrekker heeft/hebben overgelegd een valse of vervalste werkgeversverklaring en/of een valse of vervalste salarisspecificatie (er was namelijk in het geheel geen sprake van het op die werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie vermelde dienstverband en/of loon), en/of

- (bij die aanvraag) aan de hypotheekverstrekker heeft/hebben overgelegd twee rekeningafschriften waaruit blijkt dat aan verdachte en/of diens mededader(s) loon is overgemaakt (terwijl er in het geheel geen sprake was van een dienstverband en/of loon) en/of genoemd taxatierapport en/of genoemd koopcontract, en/of

- (op 08 juni 2005) een door de hypotheekverstrekker (naar aanleiding van genoemde aanvraag) aangeboden offerte voor een hypotheek ter acceptatie (van de offerte) heeft/hebben ondertekend en/of heeft/hebben retour gezonden, en/of

- (op 15 juni 2005) naar een notaris is/zijn gegaan ter passering van de hypotheekakte en/of daarbij een handtekening heeft/hebben geplaatst waarmee de hypotheekovereenkomst tot stand is gekomen, en/of

zich aldus heeft/hebben voorgedaan als hebbende een vast betaald dienstverband en/of inkomen, althans als zijnde een bonafide (potentiele) hypotheekgever met voldoende solvabiliteit, waardoor genoemde benadeelde werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of tot het aangaan van bovengenoemde schuld,

welk strafbaar feit verdachte in of omstreeks de periode 01 januari 2004 tot en met 30 juni 2005, in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door beloften, misleiding, het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, hebbende hij, verdachte, en/of diens mededader(s) toen, daar, met voormeld opzet

- die [medeverdachte 5] benaderd en gevraagd of die [medeverdachte 5] een woning wilde kopen, en/of

- (daarbij) aangeven dat hij, verdachte en/of diens mededader(s), alle (voor het kopen van de woning en/of het aanvragen van de benodigde hypotheek) benodigde papieren en/of handelingen zou(den) verzorgen, en/of

- (daarbij) aangegeven dat de woning (na aankoop) verhuurd zou worden, en/of

- (daarbij) aangegeven dat de huurder maandelijks huur zou betalen aan die [medeverdachte 5] , en/of

- (daarbij) aangegeven dat die [medeverdachte 5] een deel van die huurinkomsten moest gebruiken om de hypotheeklasten te betalen en het resterende deel van de huurinkomsten mocht houden.

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 30 mei 2005, althans in of omstreeks de periode 01 januari 2004 tot en met 07 juni 2005 in de gemeente [gemeente 3] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen een (model-)werkgeversverklaring betreffende [medeverdachte 5] (als bij de aanvraag voor een hypotheek voor de aankoop van de woning [adres 3] ) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid (op) die (model-) werkgeversverklaring

- aan te kruisen dat er sprake was van “een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst” (terwijl er geen sprake was van een dienstverband), en/of

-“nee” aan te kruisen bij de vraag “Zijn er voornemens het dienstverband

binnenkort te beëindigen?”, en/of

-te vermelden dat [medeverdachte 5] , sinds 01 februari 2005 als ploegleider

werkzaam was bij [bedrijf 2] , en/of

- te vermelden een bruto jaarsalaris van Euro 33.837,60 en/of een vakantietoeslag van Euro 7.836,78 en/of een totaal (bruto) jaarsalaris van Euro 41.674,38 (terwijl van (een) salaris(componenten) geen sprake was) en/of

- een firma-stempel te plaatsen, en/of

- te ondertekenen (als zijnde naar waarheid ingevuld);

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 07 juni 2005, althans in of omstreeks de periode 01 januari 2004 tot en met 07juni 2005 in de gemeente [gemeente 4] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) werkgeversverklaring betreffende [medeverdachte 5] (als bij de aanvraag voor een hypotheek voor de aankoop van de woning [adres 3] ), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of diens mededader(s) genoemde werkgeversverklaring heeft/hebben verstrekt aan (één of meer medewerkers van) (een filiaal van) de rechtspersoon/hypotheekverstrekker Coöperatieve Rabobank Bergum-Oostermeer e.o. U.A., althans Rabobank Nederland, bij het aanvragen van een hypotheek, en bestaande die valsheid of

vervalsing hierin dat (op) die werkgeversverklaring

- aan is gekruist dat er sprake was van “een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst” (terwijl er geen sprake was van een dienstverband), en/of

- “nee” aan is gekruist bij de vraag “Zijn er voornemens het dienstverband binnenkort te beëindigen?”, en/of

- is vermeld dat [medeverdachte 5] , sinds 01 februari 2005 als ploegleider werkzaam was bij [bedrijf 2] , en/of

-is vermeld een bruto jaarsalaris van Euro 33.837,60 en/of een vakantietoeslag van Euro 7.836,78 en/of een totaal (bruto) jaarsalaris van Euro 41.674,38 (terwijl van (een) salaris(componenten) geen sprake was) en/of

-een firma-stempel is geplaatst, en/of

- is ondertekend (als zijnde naar waarheid ingevuld).

2.

(ZD 04)

hij in of omstreeks de periode 26 april 2005 tot en met 07 juli 2005 in de gemeente(n) [gemeente 1] , [gemeente 5] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (één of meer medewerkers van) (een filiaal van) de rechtspersoon/hypotheekverstrekker Coöperatieve Rabobank Leeuwarden e.o. U.A., althans Rabobank Nederland, heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van (totaal) Euro 158.793,- (voor de aankoop/verbouwing van een het pand [adres 4] ) en/of tot het aangaan van een schuld

(hypotheekovereenkomst), hierin bestaande dat verdachte en/of diens mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk, valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, (achtereenvolgens dan wel in een andere volgorde, maar wel in een onderlinge samenhang)

- (op 26 april 2005) een taxatierapport heeft/hebben laten opstellen betreffende het pand [adres 4] , en/of

- (op 19 mei 2005) een (voorlopig) koopcontract heeft/hebben ondertekend betreffende het pand [adres 4] , en/of

- een valse werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie, althans een vervalste werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie heeft/hebben opgesteld, of doen/laten opstellen (terwijl er geen sprake was van het aldaar vermelde dienstverband en/of loon), en/of

- (in april 2005) twee maal een bedrag van Euro 1.392,36 (vermeend loon) heeft/hebben overgemaakt van de rekening van de vermeende werkgever ( [bedrijf 2] ) naar de rekening van de vermeende werknemer (een mededader van verdachte), en/of

- (op 15 juni 2005) een aanvraag voor een offerte voor een hypotheek heeft/hebben gedaan, althans heeft/hebben laten doen, bij genoemde hypotheekverstrekker, en/of

- (bij die aanvraag) aan de hypotheekverstrekker heeft/hebben overgelegd een valse of vervalste werkgeversverklaring en/of een valse of vervalste salarisspecificatie (er was namelijk in het geheel geen sprake van het op die werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie vermelde dienstverband en/of loon), en/of

- (bij die aanvraag) aan de hypotheekverstrekker heeft/hebben overgelegd genoemd taxatierapport en/of genoemd koopcontract, en/of

- (op 20 juni 2005) een door de hypotheekverstrekker (naar aanleiding van genoemde aanvraag) aangeboden offerte voor een hypotheek ter acceptatie (van de offerte) heeft/hebben ondertekend en/of heeft/hebben retour gezonden, en/of

- (op 07 juli 2005) naar een notaris is/zijn gegaan ter passering van de hypotheekakte en/of daarbij een handtekening heeft/hebben geplaatst waarmee de hypotheekovereenkomst tot stand is gekomen, en/of

- zich aldus heeft/hebben voorgedaan als hebbende een vast betaald dienstverband en/of inkomen, althans als zijnde een bonafide (potentiele) hypotheekgever met voldoende solvabiliteit, waardoor genoemde benadeelde werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of tot het aangaan van bovengenoemde schuld;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen terzake dat

hij op of omstreeks 18 mei 2005, althans in of omstreeks de periode 01 januari 2004 tot en met 15 juni 2005 in de gemeente [gemeente 5] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen een (model-) werkgeversverklaring betreffende [medeverdachte 6] (als bij de aanvraag voor een hypotheek voor de aankoop van de woning [adres 4] ) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, door opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid (op) die (model-) werkgeversverklaring

- aan te kruisen dat er sprake was van "een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst" (terwijl er geen sprake was van een dienstverband), en/of

- "nee" aan te kruisen bij de vraag "Zijn er voornemens het dienstverband binnenkort te beëindigen?", en/of

- te vermelden dat [medeverdachte 6] , sinds 01 februari 2005 als assistent bedrijfsleider werkzaam was bij [bedrijf 2] , en/of

- te vermelden een bruto jaarsalaris van Euro 25.889,90 en/of een vakantietoeslag van Euro 2.251,20 en/of een vaste eindejaarsuitkering van Euro 2.500,- en/of een totaal (bruto) jaarsalaris van Euro 30.641,10 (terwijl van (een) salaris(componenten) geen sprake was) en/of

- een firma-stempel te plaatsen, en/of

- te ondertekenen (als zijnde naar waarheid ingevuld);

althans, indien ook terzake van het laatstgemelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 15 juni 2005, althans in of omstreeks de periode 15 juni 2005 tot en met 07 juli 2005, in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) werkgeversverklaring betreffende [medeverdachte 6] (als bij de aanvraag voor een

hypotheek voor de aankoop van de woning [adres 4] ), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of diens mededader(s) genoemde werkgeversverklaring heeft/hebben verstrekt aan (één of meer

medewerkers van) (een filiaal van) de rechtspersoon/hypotheekverstrekker Coöperatieve Rabobank Leeuwarden e.o. U.A., althans Rabobank Nederland, bij het aanvragen van een hypotheek, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (op) die werkgeversverklaring

  • -

    aan is gekruist dat er sprake was van "een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst" (terwijl er geen sprake was van een dienstverband), en/of

  • -

    "nee" aan is gekruist bij de vraag "Zijn er voornemens het dienstverband binnenkort te beëindigen?", en/of

  • -

    is vermeld dat [medeverdachte 6] , sinds 01 februari 2005 als assistent bedrijfsleider werkzaam was bij [bedrijf 2] , en/of

  • -

    is vermeld een bruto jaarsalaris van Euro 25.889,90 en/of een vakantietoeslag van Euro 2.251,20 en/of een vaste eindejaarsuitkering van Euro 2.500,- en/of een totaal (bruto) jaarsalaris van Euro 30.641,10 (terwijl van (een) salaris(componenten) geen sprake was) en/of

  • -

    een firma-stempel is geplaatst, en/of

  • -

    is ondertekend (als zijnde naar waarheid ingevuld).

3.

(ZD 3)

hij op of omstreeks 23 juni 2005, in de gemeente(n) [gemeente 6] en/of [gemeente 5] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geldbedrag van Euro 20.825,- (als op dossierpagina 1139), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen of omgezet of van dat geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat genoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

4.

hij in of omstreeks de periode 01 juni 2003 tot en met 19 januari 2010 in de gemeente(n) [gemeente 7] , [gemeente 5] , [gemeente 8] , [gemeente 9] en/of [gemeente 6] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit het duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten (naast verdachte) de personen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] en/of één of meer andere personen, en/of de rechtspersonen [bedrijf 4] , [bedrijf 2] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] , [bedrijf 1] , [bedrijf 3] , [bedrijf 7] , [bedrijf 8] , [bedrijf 9] , [bedrijf 10] en/of één of meer andere

rechtspersonen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven,

te weten

  • -

    oplichting (als in artikel 326 lid 1, SR),

  • -

    valsheid in geschrifte en/of opzettelijk gebruik maken van valse en/of

vervalste geschriften (als in artikel 225 lid 1 en 2, SR),

- het opzettelijk telen, bereiden, verwerken, bewerken, verkopen, afleveren,

verstrekken en/of vervoeren, althans opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep

(als in artikel 3, sub B en C, OW),

- witwassen (als in artikel 420bis, lid 1, sub a en b, SR).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verweer partiële nietigheid dagvaarding

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat de tenlastelegging onbegrijpelijk is, nu dit feit begint met de naam van [medeverdachte 5] , en derhalve niet over verdachte lijkt te gaan.

Het hof kan de raadsman niet in dit verweer volgen. Uit de tekst van de tweede alinea van het subsidiair ten laste gelegde feit (“welk strafbaar feit …”) blijkt ondubbelzinnig dat verdachte uitlokking van een door [medeverdachte 5] gepleegd feit wordt verweten, welk feit is verwoord in de eerste alinea. Dat het de verdediging ook duidelijk is geweest welk feit verdachte onder 1 subsidiair wordt verweten, blijkt uit het feit dat de raadsman hieraan in de pleitnota een alinea heeft gewijd met als kopje: “Feit 1 subsidiair: uitlokken oplichting [adres 3] ”.

Bewijsoverwegingen

1 Standpunt verdediging

Met betrekking tot alle vier ten laste gelegde feiten is door de raadsman vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 en 2 is het verweer erin gelegen dat niet kan worden bewezen dat verdachte samen met een ander of anderen gebruik heeft gemaakt van een valse naam, valse hoedanigheid, listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels om de Rabobank te bewegen tot afgifte van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen en/of het verkrijgen van een hypotheekovereenkomst. De verklaringen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 6] , zijn volgens de raadsman onbetrouwbaar.

Van het onder 3 ten laste gelegde feit dient verdachte te worden vrijgesproken nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte de aankoop en financiering van de herkomst van het geldbedrag heeft geregeld en (aldus) wetenschap heeft gehad van het misdadige karakter van de herkomst van het geldbedrag. Daarnaast blijkt niet dat verdachte daadwerkelijk de beschikking heeft gekregen over het geldbedrag dan wel dat hij over de bankpasjes van de rekening van [bedrijf 1] beschikte. Daarbij is van belang dat de verklaring van [medeverdachte 1] op grond van de zogenoemde Vidgen-rechtspraak van het EHRM van het bewijs zou moeten worden uitgesloten, aldus de raadsman.

Voor het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich ten slotte op het standpunt gesteld dat van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafvordering niet kan worden gesproken, en zou dat wel het geval zijn, dat niet kan worden bewezen dat verdachte daarvan deel heeft uitgemaakt.

2 Standpunt advocaat-generaal:

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van alle aan hem ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld. Meer in het bijzonder heeft hij aangevoerd dat met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten kan worden geconcludeerd dat verdachte actief betrokken is geweest bij de koop van de betreffende woningen en het verkrijgen van de daarvoor benodigde hypothecaire leningen. De verklaringen die de verdediging heeft betwist zijn volgens de advocaat-generaal wel betrouwbaar nu zij bevestiging vinden in elkaar en/of andere bewijsmiddelen en de wijze waarop de hypotheekfraude in deze zaken is opgezet, steeds in hoge mate dezelfde is.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit kan uit de verklaring van [medeverdachte 5] worden afgeleid dat verdachte wetenschap heeft gehad van het misdadige karakter van de herkomst van het geld en daarnaast blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] dat verdachte (mede) de beschikkingsmacht had over de bankrekening van [bedrijf 1] en daarmee over het uitbetaalde geldbedrag.

Ook voor het onder 4 ten laste gelegde feit kan ten slotte een veroordeling volgen. Er is volgens de advocaat-generaal sprake geweest van een grootschalig, duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, waarbinnen verdachte een leidende rol heeft gespeeld.

3 Oordeel hof

Het hof gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van de volgende feiten uit.

3.1.

Vaststelling feiten

[bedrijf 2] en [bedrijf 1] ( [medeverdachte 1] )

De gegevens betreffende het hebben van een vast betaald dienstverband en inkomen die bij de aanvraag voor de financiering van de woningen [adres 3] (feit 1) en [adres 4] (feit 2) aan de Rabobank zijn overgelegd, zijn afkomstig van het bedrijf [bedrijf 2] . Dit betreft een bedrijf op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] . Naast [bedrijf 2] staat ook het bedrijf [bedrijf 1] op naam van [medeverdachte 1] .

[medeverdachte 1] heeft over voornoemde bedrijven verklaard dat hij [bedrijf 1] op verzoek van verdachte, door hem ‘ [verdachte] ’ genoemd, op naam heeft gekregen. Hiervoor zou hij een financiële vergoeding ontvangen. Volgens [medeverdachte 1] regelde verdachte alle documenten en hoefde hij alleen een handtekening op formulieren te zetten. [medeverdachte 1] heeft onder andere werkgeversverklaringen ondertekend, waarbij hij heeft verklaard dat hij nooit heeft gezien dat de (vermeende) werknemers daadwerkelijk aan het werk waren en dat hij ook nooit iemand opdracht heeft gegeven om bepaalde werkzaamheden uit te voeren. [medeverdachte 1] kende de mensen waarvoor hij de werkgeversverklaringen ondertekende niet en heeft ze ook nooit gezien.

J&J Klus is het tweede bedrijf dat [medeverdachte 1] op verzoek van verdachte tegen betaling op naam heeft gekregen. [medeverdachte 1] : “Voor [bedrijf 2] geldt hetzelfde verhaal als voor [bedrijf 1] ”. Ook ten aanzien van dit bedrijf heeft hij verklaard werkgeversverklaringen te hebben ondertekend. In totaal gaat het volgens [medeverdachte 1] om maximaal 10 werkgeversverklaringen.

Zaaksdossier 3 ( [adres 3] , [medeverdachte 5] )

Eén van de werkgeversverklaringen die [medeverdachte 1] heeft ondertekend is die van [medeverdachte 5] (zaaksdossier 3, feit 1). [medeverdachte 5] heeft eind mei 2005 een woning aan de [adres 3] laten taxeren, vervolgens gekocht en daarvoor op 15 juni 2005 een hypotheekovereenkomst afgesloten. Omtrent de gang van zaken rond de koop en hypotheekverlening heeft [medeverdachte 5] verklaard:

O: Op 31 oktober 2006 is er door [aangever 1] , van de Rabobank Nederland te Amsterdam, aangifte gedaan betreffende hypotheekfraude. In deze aangifte wordt onder zaak 3 de woning [adres 3] bedoeld.

V: Wat kun je daar over verklaren?

A: lk had de woning aan de [adres 5] al gekocht toen een Vietnamese man aan mij vroeg of ik nog een woning aan de [adres 3] wilde kopen. Deze woning zou weer onderverhuurd worden. De Vietnamese man zou verder regelen hoe ik het huis zou moeten kopen.

V: Wie is die Vietnamese man?

A: Die man heet [naam 2] .

V: Waar ken je die man van?

A: lk ken hem via een andere man: [naam 3] . Ik ken [naam 3] al uit de tijd dat ik in [gemeente 7] woonde.

V: Je had al een woning gekocht. Hoe is het toen verder gegaan?

A: [naam 2] en [naam 3] zeiden tegen mij dat ze alles verder zouden regelen en dat hebben ze ook gedaan.

(…)

V: Hoe lang heb je gewoond in de woning in [plaats 2] ?

A: lk heb nooit in de woning in [plaats 2] gewoond. Deze woning is verhuurd.

(…)

V: Aan wie is deze woning verhuurd?

A: Aan een Turkse man genaamd [naam 4] . Ik kreeg van deze man € 1000,- per maand.

V: Wat deed jij met die € 1000,-?

A: Van de € 1000,- moest ik € 540,- aan aflossing van de hypotheek betalen, de rest was voor mijzelf.

V: Op welke manier kwam je terecht bij de Rabobank Bergum-Oostermeer?

A: Via [naam 2] en [naam 3] , ik heb hun advies opgevolgd want ik spreek de Nederlandse taal niet. [naam 2] en [naam 3] spreken de Nederlandse taal wel.

Het huis kostte € 164.000,- daarover heen kwam 10% administratiekosten. lk moest van [naam 2] en [naam 3] € 20.000,- extra lenen en hiervan moest ik 5% aan [naam 2] en [naam 3] betalen.”

[medeverdachte 5] heeft verder verklaard dat [naam 2] en [naam 3] beiden mee zijn geweest naar de notaris om het huis te kopen. [medeverdachte 5] heeft verdachte herkend als de door hem genoemde ‘ [naam 2] ’. Toen [medeverdachte 5] werd voorgehouden dat verdachte in werkelijkheid [verdachte] heet, verklaarde hij: “Het kan zijn dat ik het niet goed heb verstaan. Ik kom uit het Noorden van Vietnam, daar lijkt [naam 2] en [verdachte] qua uitspraak veel op elkaar". Dit is door de tolk die bij het verhoor aanwezig was, bevestigd.

Naast verdachte heeft [medeverdachte 5] medeverdachte [medeverdachte 4] op een aan hem getoonde foto herkend als de door hem genoemde ‘ [naam 3] ’. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij via [naam 3] in contact is gekomen met verdachte.

Ten aanzien van de aan de bank overgelegde werkgeversverklaring heeft [medeverdachte 5] verklaard dat verdachte dit document voor hem heeft geregeld en dat hij dit document bij zich had toen ze naar de bank gingen voor het afsluiten van de hypotheek. [medeverdachte 5] heeft in werkelijkheid nooit bij het op de werkgeversverklaring genoemde bedrijf gewerkt. Naast de werkgeversverklaring werden er loonspecificaties gemaakt om de hypotheek bij de bank af te kunnen sluiten. Het vermeende salaris dat op de rekening van [medeverdachte 5] werd gestort, werd door hem opgenomen en vervolgens teruggeven aan verdachte en [medeverdachte 4] , zo heeft [medeverdachte 5] verklaard.

Op 26 maart 2006 is in voornoemde woning een hennepkwekerij aangetroffen.

Zaaksdossier 4 ( [adres 4] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte 6] )

Voorts is zaaksdossier 4 van belang (feit 2). Dit zaaksdossier ziet op de koop van de woning aan de [adres 4] op 19 mei 2005 door [medeverdachte 6] , echtgenote van [medeverdachte 11] . Voor het bekostigen van deze woning is op 7 juli 2005 een hypothecaire lening aan voornoemde personen verstrekt. Bij de aanvraag voor die lening werd door [medeverdachte 6] een werkgeversverklaring van het bedrijf [bedrijf 2] overgelegd, welke achteraf vals bleek te zijn. [medeverdachte 12] heeft over de gang van zaken rond de koop van de woning en de hypotheekverlening verklaard:

“O: Op 31 oktober 2006, is er door de heer [aangever 2] , werkzaam als senior adviseur Operationele Zaken bij de afdeling Crisismanagement en Fraudebestrijding van de Rabobank Nederland, gevestigd aan de Croeselaan 18 te 3521 CB Utrecht , aangifte gedaan betreffende hypotheekfraude. Deze aangifte heeft betrekking op het pand: [adres 4] .

V: Op welke manier kwamen jullie terecht bij de Rabobank Nederland?

A: Nadat ik de woning gevonden had ben ik naar de makelaar gegaan om het huis te kopen, vervolgens ben ik naar de Rabobank gegaan om een hypotheek af te sluiten. Bij de Rabobank was op dat moment een lage rente.

V: Is er iemand die jullie hierbij heeft geholpen cq. geïnformeerd?

A: Ja, we hebben hulp gehad van een tolk.

(…)

V: Hoe zag de tolk er uit?

A: lk heb hem één keer ontmoet in de kroeg. Hij heeft zich vrijwillig aangeboden om op te treden als tolk.

(…)

Deze derde persoon heeft aangeboden om ons te helpen met de koop van de nieuwe woning. We hadden al een hypotheek en konden daardoor geen 2e hypotheek afsluiten.

V: Jullie konden geen 2e hypotheek afsluiten, hoe kan een derde persoon dan wel een hypotheek voor jullie afsluiten?

A: lk weet niet hoe deze derde persoon dit heeft geregeld, wij moesten hem daarvoor betalen.

V: Hoeveel moesten jullie hem daarvoor betalen?

A: Wij moesten hem bijna € 2000,00 daarvoor betalen. Hij kon onze wensen waarmaken.

V: Hoe heet deze derde persoon?

A: Ik weet zijn naam niet. Jullie hebben mij eerder een foto laten zien, bij de eerste ontmoeting was deze man ook bij de derde persoon aanwezig. Wij moesten het hele salaris van mijn vrouw overmaken aan deze derde persoon.

O: Deze foto is voorzien van documentnummer OVG-007-25 (hof: dit betreft een foto van [medeverdachte 1] ).

V: Jullie moesten eerst € 2000,00 betalen aan de derde persoon en vervolgens ook nog twee keer het salaris van jouw vrouw betalen aan deze derde persoon?

A: Ja, dat klopt. Wij waren de dupe van de derde persoon. Wij hebben [bedrijf 2] nog nooit gezien of gehoord.

V: Is de derde persoon de tolk?

A: Ja. Van vervalste documenten weten wij niets af. Door hulp van de derde persoon/tolk zijn wij nu de dupe geworden.

(…)

V: Wij tonen verdachte document OVG-007-29. Wie is dit?

A: Ja, dit is de tolk, ik ben hier zeker van, lk herken hem door de bril. Er was ook nog een andere, oudere persoon bij.

V: Deze man met de bril heet [verdachte] , ken je deze naam?

A: Nee, ik wist niet dat de tolk zo heette. lk mocht in de kroeg geen namen weten.

V: Hoeveel personen waren er bij de eerste ontmoeting?

A: Vijf of zes personen waaronder een Nederlander, een Vietnamees en vermoedelijk een Indonesische. lk weet niet welke nationaliteit de man met de bril heeft, ik vermoed Vietnamees of Chinees. Hij spreekt vloeiend Vietnamees. Ook was er nog een andere Vietnamees bij die ouder is dan de man met de bril.

V: Wij tonen je documentnummer OVG-007-03-01. Wie is deze persoon?

A: Dit is de oudere Vietnamese man. Ik weet zijn naam niet.

V: Deze man is genaamd: [medeverdachte 4] .”

[medeverdachte 11] heeft voorts verklaard dat de tolk (verdachte) alle documenten bij zich had toen ze de hypotheek gingen afsluiten en dat hij ( [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 6] beiden hun handtekening hebben gezet.

[medeverdachte 6] heeft verklaard dat ene ‘ [naam 5] ’ haar advies gaf om een huis te kopen, dat de overgelegde werkgeversverklaring vals is en dat zij dit document van ‘ [naam 5] ’ gekregen heeft. Daarnaast heeft zij verklaard dat ze niet daadwerkelijk in de betreffende woning hebben gewoond.

Op 7 maart 2006 is in de woning een hennepkwekerij aangetroffen.

Naast de hiervoor besproken zaken, bevat het dossier nog meer gevallen van hypotheekfraude waarbij uit naam van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] door [medeverdachte 1] ondertekende (valse) werkgeversverklaringen zijn verstrekt, welke vervolgens zijn gebruikt bij de aanvraag van hypothecaire geldleningen. Het betreft hier de woningen [adres 7] en [adres 8] ( [medeverdachte 13] en [medeverdachte 14] ), [adres 9] en [adres 10] ( [medeverdachte 15] ), [adres 11] ( [medeverdachte 16] ) en [adres 12] ( [medeverdachte 17] ).

[bedrijf 7] / [bedrijf 8] ( [medeverdachte 4] )

Voorts kan worden vastgesteld dat verdachte betrokkenheid heeft gehad bij de bedrijven [bedrijf 7] en [bedrijf 8] . Medeverdachte [medeverdachte 4] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 8] , welk bedrijf op zijn beurt aandeelhouder en bestuurder is van [bedrijf 8] . [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij [bedrijf 7] samen met verdachte heeft opgericht en dat zij daartoe geld hebben geleend van [medeverdachte 1] . Volgens [medeverdachte 4] werd het bedrijf feitelijk door verdachte gerund.

Uit naam van de bedrijven [bedrijf 7] en [bedrijf 8] zijn werkgeversverklaringen verstrekt aan respectievelijk [medeverdachte 18] en [medeverdachte 2] . Deze werkgeversverklaringen zijn ondertekend en gestempeld door [medeverdachte 4] en gebruikt bij de aanvraag voor hypothecaire leningen voor de koop van in totaal 4 woningen. Deze werkgeversverklaringen bleken nadien vals te zijn. In de woningen [adres 13] , [adres 14] en [adres 15] zijn op een gegeven moment hennepkwekerijen aangetroffen. Het voorgaande is gerelateerd in de zaaksdossiers 2 en 10 en 5 en 7.

[medeverdachte 2]

, op wiens naam de woningen aan de [adres 14] en de [adres 15] zijn gekocht, is tevens betrokken geweest bij de koop van de woning aan de [adres 2] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij deze woning van verdachte heeft gekocht en dat verdachte alles met betrekking tot de aankoop van de woning en het afsluiten van de hypotheek heeft geregeld. [medeverdachte 2] : “Ik heb alleen mijn handtekening bij de notaris gezet”. Ook in deze zaak bleek de aan de bank overgelegde werkgeversverklaring vals te zijn. Daarnaast is gebleken dat er zogenaamd loon aan [medeverdachte 2] werd uitbetaald. [medeverdachte 2] : “Er is wel geld op mijn rekening gestort namens [bedrijf 3] . [verdachte] vertelde mij dat dit nodig was omdat de hypotheeknemer zou kunnen controleren of ik ook geld ontving van mijn werkgever. Ik weet niet meer hoe vaak ik geld heb ontvangen. Ik moest het geld dan contant teruggeven.” Ten slotte is gebleken dat [medeverdachte 2] nooit in de betreffende woning heeft gewoond, en dat er op 24 augustus 2006 een hennepkwekerij in de woning is aangetroffen.

[bedrijf 9] ( [medeverdachte 19] )

Uit informatie van de Kamer van Koophandel blijkt dat het bedrijf [bedrijf 8] vanaf 14 juni 2007 is overgegaan in het bedrijf [bedrijf 9] , en dat medeverdachte [medeverdachte 19] daarvan directeur en enig aandeelhouder was. Uit de verklaring die [medeverdachte 19] als getuige bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, blijkt dat hij dit bedrijf op verzoek van zijn “neef” [verdachte] op naam heeft gezet, “om hiermee een zakcentje te verdienen”. [medeverdachte 19] heeft daarnaast verklaard dat hij in de hoedanigheid van directeur diverse stukken heeft ondertekend, waaronder een werkgeversverklaring, maar dat hij er nooit iets van heeft gemerkt dat er ook maar iemand fysiek heeft gewerkt voor [bedrijf 9] (het hof begrijpt: [bedrijf 9] ) en dat hij zelf ook niet voor [bedrijf 9] heeft gewerkt. Gebleken is dat [medeverdachte 19] onder meer een (valse) werkgeversverklaring op naam van [getuige 1] heeft ondertekend, welke verklaring is gebruikt voor de financiering van de aankoop van een woning aan de [adres 16] .

Blijkens de verklaring van [medeverdachte 19] bij de politie werd het bedrijf [bedrijf 9] feitelijk gerund door ‘ [verdachte] ’. Hij regelde alles. [verdachte] heeft ervoor gezorgd dat er een bedrijfsstempel kwam en daarnaast zorgde [verdachte] voor betaling van de facturen van bijvoorbeeld het administratiekantoor, aldus [medeverdachte 19] .

[getuige 2]

In voornoemde verklaring van [medeverdachte 19] bij de raadsheer-commissaris noemt hij [getuige 2] ) en [naam 6] ‘aanhangers’ van verdachte. Hij verduidelijkt dit door te zeggen dat als hij [verdachte] (verdachte) ontmoette, [getuige 2] en [naam 6] er meestal ook bij waren. Deze [getuige 2] over wie [medeverdachte 19] spreekt, is als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris. Zijn verklaring houdt onder meer in dat hij huizen op naam heeft gehad (gehuurd) voor verdachte en een Turkse man en dat hij wist dat het de bedoeling was dat er hennepkwekerijen in de woning waren. Daarnaast verklaart hij:

“Ik wist dat [verdachte] via de Turkse man de hypotheken regelde. (..)

U vraagt mij hoe ik [verdachte] ken. Ik ken hem via een Vietnamese vriend van mij. [verdachte] is bevriend met de zus van een Vietnamese vriend van mij. [verdachte] kwam met het idee om via andere manieren geld te verdienen dan met het afsluiten van telefoons, want dat laatste deed ik in die tijd. Wij spraken daarover toen wij in de trein zaten. [verdachte] lachte mij daar mee min of meer uit en zei dat er in de hennep business veel meer te verdienen was.

(…)

U vraagt mij of ik behulpzaam ben geweest voor Vietnamese mensen met betrekking tot koopcontracten. Ja, ik heb mijn ex-schoonvader [getuige 1] voorgesteld. Mijn ex-schoonvader wilde een huis kopen en toen heb ik mijn ex-schoonvader in contact gebracht met [verdachte] .

Ja, ik wist wel dat er hennepkwekerijen aanwezig waren in de woningen die ik huurde. Dat maakte ik op uit het gesprek dat ik met [verdachte] had in de trein.”

Uit het dossier blijkt dat er daadwerkelijk een woning is gekocht op naam van [getuige 1] en dat er (onder meer) op basis van een door [medeverdachte 19] ondertekende valse werkgeversverklaring (zie hiervoor) een hypothecaire lening aan hem is verleend. Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat het initiatief om de woning te kopen niet van hem maar van [getuige 2] en een - volgens [getuige 1] - Chinese man uitging.

3.2.

Bruikbaarheid verklaringen

De raadsman heeft ten aanzien van de getuigen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte 6] aangevoerd dat hun verklaring onbetrouwbaar is. Volgens de raadsman hebben deze getuigen een motief om verdachte te belasten en proberen zij de schuld op verdachte af te schuiven.

Ten aanzien van [medeverdachte 11] en [medeverdachte 6] geldt in het bijzonder dat zij echtgenoten van elkaar zijn en dat hun verklaring daarom niet objectief is. Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat [medeverdachte 12] en [medeverdachte 6] vrijwillig hun handtekening onder de koopakte hebben gezet en dat zij hebben erkend dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting. Verdachte is derhalve niet degene die de Rabobank heeft opgelicht, maar [medeverdachte 12] en [medeverdachte 6] zelf. De herkenning van verdachte door [medeverdachte 12] is bovendien niet geloofwaardig, nu [medeverdachte 12] verdachte op het moment van de herkenning al 5 jaar niet had gezien, aldus de raadsman.

Bij de beoordeling van voornoemde verweren stelt het hof voorop dat het enkele feit dat de getuigen belastend over verdachte hebben verklaard en zij daar een motief voor zouden hebben, niet direct betekent dat zij de schuld op verdachte proberen af te schuiven en dat hun verklaring daarom onbetrouwbaar moet worden geacht. Het feit dat veel getuigen ook belastend over zichzelf hebben verklaard, weerspreekt deze stelling bovendien.

Met de advocaat-generaal en de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 1] voldoende steun vindt in de verklaring van [medeverdachte 2] en voor wat betreft de algemene werkwijze van verdachte ook in andere hiervoor genoemde bewijsmiddelen.

De verklaring van [medeverdachte 5] kan eveneens betrouwbaar worden geacht, nu uit de aangifte van de Rabobank blijkt dat hij zich bij het afsluiten van de hypotheekovereenkomst liet bijstaan door een tolk genaamd ‘ [verdachte] ’ en [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op verzoek van verdachte werkgeversverklaringen ondertekende. Anders dan de raadsman heeft bepleit, vormt dit een voldoende bevestiging van de verklaring van [medeverdachte 5] .

Met betrekking tot de verklaringen van [medeverdachte 12] en [medeverdachte 6] kan worden opgemerkt dat het feit dat zij vrijwillig hun handtekening onder het koopcontract hebben gezet, niet uitsluit dat er op dat punt sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met verdachte.

Voorts betekent de omstandigheid dat [medeverdachte 12] en [medeverdachte 6] echtgenoten van elkaar zijn niet dat hun verklaring enkel om die reden onbetrouwbaar zou moeten worden geacht. Een concrete omstandigheid die erop zou wijzen dat de verklaringen onderling zouden zijn afgestemd, heeft de raadsman niet aangevoerd en ook anderszins wekken de verklaringen die indruk niet.

[medeverdachte 12] heeft verdachte naar aanleiding van een enkelvoudige fotoconfrontatie herkend. Het resultaat van een dergelijke fotoconfrontatie kan voor het bewijs worden gebruikt, maar hierbij is wel behoedzaamheid op zijn plaats. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenning acht het hof onder meer van belang of de herkenning heeft plaatsgevonden op basis van specifieke, onderscheidende uiterlijke persoonskenmerken en in welke hoedanigheid en met welke frequentie de waarnemer en de op de foto afgebeelde persoon elkaar eerder hebben getroffen.

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 12] verdachte in ieder geval tweemaal, gedurende langere tijd heeft gezien, te weten in de kroeg en bij de bank. Dit betreffen belangrijke gebeurtenissen, nu bij de eerste ontmoeting werd gesproken over het kopen van een woning en het afsluiten van een (tweede) hypotheek, en bij de tweede ontmoeting de lening daadwerkelijk is afgesloten, terwijl bij beide gebeurtenissen verdachte een actieve rol vervulde.

Op basis van de duur en aard van de ontmoetingen acht het hof het aannemelijk dat [medeverdachte 12] (het uiterlijk van) verdachte goed in zich op moet hebben kunnen nemen. Om die reden is het hof van oordeel dat de herkenning van verdachte door [medeverdachte 11] betrouwbaar moet worden geacht. Dat de herkenning enkele jaren na de laatste ontmoeting heeft plaatsgevonden en dat [medeverdachte 6] verdachte niet heeft herkend, doet aan het voorgaande niet af.

Gezien het voorgaande en in aanmerking genomen dat voornoemde door de verdediging betwiste verklaringen onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd, op belangrijke punten met elkaar overeenkomen en steun vinden in elkaar en overige bewijsmiddelen en het hof ook anderszins geen aanleiding heeft aan deze verklaringen te twijfelen, worden zij betrouwbaar geacht en kunnen zij voor het bewijs worden gebruikt.

3.3.

Conclusie

3.3.1.

Algemeen

Uit het voorgaande blijkt dat verdachte, met behulp van anderen, meermalen mensen van veelal Vietnamese afkomst, die de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig waren, heeft benaderd/geadviseerd om woningen te kopen en dat hij daadwerkelijk bij de koop en hypotheekverstrekking van die woningen betrokken is geweest, zoals hiervoor is overwogen. De werkgeversverklaringen die in het kader van de hypotheekverstrekking werden overgelegd, bleken vals te zijn en na verloop van tijd werd er in nagenoeg alle aangekochte woningen een hennepkwekerij aangetroffen.

Het hof constateert dat de hierboven beschreven gang van zaken in de verschillende zaaksdossiers vrijwel steeds gelijk is en dat de zaken onderling een zodanige gelijkenis vertonen, dat kan worden vastgesteld dat het een bewust vooropgezette fraudeconstructie betreft. Aangenomen kan worden dat de hiervoor genoemde rechtspersonen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 7] , [bedrijf 8] en [bedrijf 9] puur en alleen in het kader van deze constructie zijn opgericht, met het doel om de ‘kopers’ de voor een hypothecaire lening benodigde arbeidsverhouding en inkomen te verschaffen. In werkelijkheid betroffen dit ‘lege’ BV’s en werden op deze wijze banken opgelicht. Een en ander vindt bevestiging in de verklaring van [medeverdachte 4] over [bedrijf 7] , inhoudende dat dit een fictief bedrijf betrof en dat de mensen in dienst waren “om hypotheken te kunnen afsluiten”, aldus [medeverdachte 4] .

Hoe een en ander zich tot de ten laste gelegde feiten verhoudt, zal hierna uiteen worden gezet.

3.3.2.

Feit 1 en 2 primair ((mede)plegen van oplichting)

Op basis van het hiervoor overwogene kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de Rabobank zoals ten laste gelegd onder 1 en 2 primair. Op initiatief van verdachte zijn de woningen aan de [adres 3] (feit 1) en [adres 4] (feit 2) gekocht door respectievelijk [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Met medewerking van verdachte is er in dat kader een combinatie van echte en valse gegevens overgelegd, op basis waarvan een hypothecaire geldlening aan hen is verstrekt. Behalve een echt taxatierapport van de woningen, zijn er valse inkomensgegevens en loonoverboekingen/salarisspecificaties overgelegd waardoor de kopers in een financiële positie leken te verkeren die een hypothecaire lening voor het betreffende pand kon rechtvaardigen. Op basis van het geheel van de hierboven genoemde gedragingen is de bank daar ook toe overgegaan.

Naast de katvangers kunnen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] als medeplegers van deze feiten worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er tussen hen en verdachte een bewuste en nauwe samenwerking bestond.

3.3.3.

Feit 3 (witwassen)

Onder 3 wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van het witwassen van een geldbedrag € 20.825,-.

Voornoemd geldbedrag is door de Rabobank op 23 juni 2005 uitbetaald op de rekening van [bedrijf 1] ter vergoeding van een ingediende factuur voor beweerde verbouwingswerkzaamheden aan de woning aan de [adres 3] (feit 1).

Uit de verklaring van [medeverdachte 1] blijkt dat verdachte het feitelijk voor het zeggen had binnen [bedrijf 1] en dat hij ook de beschikking had over de bankpasjes van dit bedrijf.

Anders dan de raadsman heeft bepleit is er geen aanleiding voornoemde verklaring van [medeverdachte 1] van het bewijs uit te sluiten, omdat geen sprake is van de situatie dat een bewezenverklaring van feit 3 uitsluitend of in beslissende mate (‘solely or to a decisive degree’) steunt op de verklaring van [medeverdachte 1] . Diens verklaring vindt immers steun in de verklaring van [medeverdachte 5] , zoals hiervoor reeds uiteen is gezet. Uit de verklaring van [medeverdachte 5] kan worden afgeleid dat verdachte wist dat het ontvangen geld (het uitbetaalde bouwdepot) van misdrijf afkomstig was.

Op grond van het voorgaande kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het op 23 juni 2005 gestorte geldbedrag van € 20.825,- heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Nu uit het dossier voorts blijkt dat van voornoemde rekening op 24 juni 2005 een bedrag van € 10.075,- is afgeschreven naar een rekening van [medeverdachte 5] met de omschrijving ‘annulering werkovereenkomst’ is in zoverre tevens sprake van het overdragen van uit misdrijf afkomstig geld.

Niet bewezen kan worden dat verdachte met betrekking tot dit feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gehandeld, zodat hij van het ten laste gelegde medeplegen zal worden vrijgesproken.

3.3.4

Feit 4 (criminele organisatie)

Onder 4 wordt verdachte verweten dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, valsheid in geschrifte, hennepteelt en/of witwassen. Volgens de raadsman kan primair het bestaan van een dergelijke organisatie niet worden bewezen en subsidiair niet dat verdachte daaraan heeft deelgenomen.

Onder een organisatie zoals hiervoor bedoeld wordt verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen verdachte en ten minste één andere persoon. Een zekere bestendigheid is vereist, echter is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband telkens dezelfde is.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een dergelijke organisatie. Onder verwijzing naar hetgeen onder 3.3.1. is overwogen kan worden vastgesteld dat verdachte een constructie heeft opgezet waarmee op grote schaal hypotheekfraude is gepleegd. De rechtspersonen [bedrijf 1] , [bedrijf 8] , [bedrijf 7] en [bedrijf 9] en de eenmanszaak [bedrijf 2] betreffen fictieve bedrijven die zijn opgericht om katvangers de voor een hypotheek benodigde arbeidsverhouding en inkomen te kunnen verschaffen. Verdachte is in vergelijking met de medeverdachten bij een groot aantal oplichtingen betrokken geweest en hij heeft daarbij een leidende rol gehad.

In de tenlastelegging is voorts opgenomen dat de criminele organisatie tevens het telen en verkopen van hennep (kort gezegd) ten doel zou hebben. Hieromtrent overweegt het hof als volgt.

In geen van de hiervoor weergegeven zaken waarbij woningen met behulp van valse werkgeversverklaringen zijn gekocht en gefinancierd, hebben de kopers deze zelf voor bewoning gebruikt. Daarnaast is van belang dat in nagenoeg alle gevallen na verloop van tijd een hennepkwekerij in de woning is aangetroffen. Dit, in samenhang met het feit dat er grote geldbedragen op de bedrijfsrekeningen werden gestort, er geen andere verklaring is gegeven voor het op deze wijze aanschaffen van woningen, leidt tot de vaststelling dat de huizen zijn gekocht met het doel om hierin een hennepkwekerij te exploiteren en daaruit inkomsten te verwerven. De onder 3.1. aangehaalde verklaring van [getuige 2] bevestigt dat dit inderdaad verdachtes opzet is geweest.

Aldus kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die als doel had het plegen van oplichting, valsheid in geschrifte, hennepteelt en witwassen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

(ZD 03)

hij in de periode 1 mei 2005 tot en met 30 juni 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, één of meer medewerkers van de rechtspersoon/hypotheekverstrekker Coöperatieve Rabobank Bergum-Oostermeer e.o. U.A., heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van totaal Euro 188.234,- voor de aankoop/verbouwing van een het pand [adres 3] (hypotheekovereenkomst), hierin bestaande dat verdachte en/of diens mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk, valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- op 24 mei 2005 een taxatierapport heeft/hebben laten opstellen betreffende het pand [adres 3] , en

- op 30 mei 2005 een (voorlopig) koopcontract heeft/hebben ondertekend betreffende het pand [adres 3] , en

- een valse werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie, heeft/hebben opgesteld, of doen/laten opstellen terwijl er geen sprake was van het aldaar vermelde dienstverband en/of loon, en

- in april en mei 2005 twee maal een bedrag van Euro 1.593,20 (vermeend loon) heeft/hebben overgemaakt van de rekening van de vermeende werkgever [bedrijf 2] naar de rekening van de vermeende werknemer [medeverdachte 5] , en

- op 7 juni 2005 een aanvraag voor een offerte voor een hypotheek heeft/hebben gedaan, bij genoemde hypotheekverstrekker, en

- bij die aanvraag aan de hypotheekverstrekker heeft/hebben overgelegd een valse of vervalste werkgeversverklaring en een valse of vervalste salarisspecificatie er was namelijk in het geheel geen sprake van het op die werkgeversverklaring en salarisspecificatie vermelde dienstverband en loon), en

- bij die aanvraag aan de hypotheekverstrekker heeft/hebben overgelegd twee rekeningafschriften waaruit blijkt dat aan verdachte en/of diens mededader(s) loon is overgemaakt terwijl er in het geheel geen sprake was van een dienstverband en loon, en/of

- op 8 juni 2005 een door de hypotheekverstrekker naar aanleiding van genoemde aanvraag aangeboden offerte voor een hypotheek ter acceptatie van de offerte heeft/hebben ondertekend en heeft/hebben retour gezonden, en

- op 15 juni 2005 naar een notaris is/zijn gegaan ter passering van de hypotheekakte en daarbij een handtekening heeft/hebben geplaatst waarmee de hypotheekovereenkomst tot stand is gekomen, en

zich aldus heeft/hebben voorgedaan als hebbende een vast betaald dienstverband en/of inkomen, waardoor genoemde benadeelde werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

2.

(ZD 04)

hij in de periode 26 april 2005 tot en met 7 juli 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, één of meer medewerkers van de rechtspersoon/hypotheekverstrekker Coöperatieve Rabobank Leeuwarden e.o. U.A., heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van totaal Euro 158.793,- voor de aankoop/verbouwing van een het pand [adres 4] (hypotheekovereenkomst), hierin bestaande dat verdachte en/of diens mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk, valselijk en/of listiglijk en/of

bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid,

- op 26 april 2005 een taxatierapport heeft/hebben laten opstellen betreffende het pand [adres 4] , en

- op 19 mei 2005 een (voorlopig) koopcontract heeft/hebben ondertekend betreffende het pand [adres 4] , en

- een valse werkgeversverklaring en salarisspecificatie, heeft/hebben opgesteld, of doen/laten opstellen terwijl er geen sprake was van het aldaar vermelde dienstverband en loon, en

- op 15 juni 2005 een aanvraag voor een offerte voor een hypotheek heeft/hebben gedaan bij genoemde hypotheekverstrekker, en

- bij die aanvraag aan de hypotheekverstrekker heeft/hebben overgelegd een valse of vervalste werkgeversverklaring en een valse of vervalste salarisspecificatie er was namelijk in het geheel geen sprake van het op die werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie vermelde dienstverband en loon, en

- bij die aanvraag aan de hypotheekverstrekker heeft/hebben overgelegd genoemd taxatierapport en genoemd koopcontract, en

- op 20 juni 2005 een door de hypotheekverstrekker naar aanleiding van genoemde aanvraag aangeboden offerte voor een hypotheek ter acceptatie van de offerte heeft/hebben ondertekend en heeft/hebben retour gezonden, en

- op 7 juli 2005 naar een notaris is/zijn gegaan ter passering van de hypotheekakte en daarbij een handtekening heeft/hebben geplaatst waarmee de hypotheekovereenkomst tot stand is gekomen, en

zich aldus heeft/hebben voorgedaan als hebbende een vast betaald dienstverband en inkomen, waardoor genoemde benadeelde werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

3.

(ZD 3)

hij op 23 juni 2005, in Nederland, een geldbedrag van Euro 20.825,- als op dossierpagina 1139, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en deels heeft overgedragen, terwijl hij wist dat genoemd geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

4.

hij in de periode 1 juni 2003 tot en met 19 januari 2010 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit het duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen, te weten naast verdachte de personen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , en de rechtspersonen, [bedrijf 1] , [bedrijf 7] , [bedrijf 8] en [bedrijf 9] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

  • -

    oplichting (als in artikel 326 lid 1, SR),

  • -

    valsheid in geschrifte en/of opzettelijk gebruik maken van valse en/of

vervalste geschriften (als in artikel 225 lid 1 en 2, SR),

- het opzettelijk telen, bereiden, verwerken, bewerken, verkopen, afleveren,

verstrekken en/of vervoeren (als in artikel 3, sub B, OW),

- witwassen (als in artikel 420bis, lid 1, sub a en b, SR).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen zijn als bijlage 1 bij dit arrest gevoegd en dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van oplichting.

Met betrekking tot het onder 3 bewezenverklaarde feit wordt overwogen:

Gelet op de in de bewijsoverwegingen beschreven rol van verdachte is het aannemelijk dat het verkregen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf, zoals bedoeld in de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent witwassen (o.a. HR 14 april 2015, ECLI:HR:2015:950). Nu er ten aanzien van het verwerven en voorhanden hebben van dat geldbedrag geen sprake is van gedragingen van verdachte die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan het bewezenverklaarde feit in zoverre niet als witwassen worden gekwalificeerd. Ten aanzien van de betaling die is gedaan op 24 juni 2005 aan [medeverdachte 5] geldt evenwel dat sprake is van het ‘overdragen’ van uit misdrijf verkregen geld. In zoverre kan het feit wél als witwassen worden gekwalificeerd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Witwassen, ten aanzien van het op 24 juni 2005 overgedragen geldbedrag van € 10.075,- .

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Zoals hiervoor is overwogen heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting en witwassen. Voormelde feiten zijn gepleegd in het kader van een crimineel samenwerkingsverband, waarbinnen naast verdachte, medeverdachte [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en meerdere rechtspersonen actief zijn geweest. Door de organisatie is op grote schaal met behulp van katvangers hypotheekfraude gepleegd. Deze katvangers waren veelal van Vietnamese afkomst en waren de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig. In die zin kon relatief makkelijk misbruik van hen worden gemaakt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de leden van de organisatie op gewiekste en doortrapte wijze te werk zijn gegaan en op die manier financiële instellingen om de tuin hebben weten te leiden. Dit alles met als doel het ter beschikking krijgen van gelden om woningen aan te laten kopen zodat daarin vervolgens hennepkwekerijen konden worden ingericht. Het handelen van de organisatie heeft niet alleen ten opzichte van de legale economie en de financiële instellingen schade veroorzaakt, ook de katvangers zelf zijn in veel gevallen ernstig benadeeld. Het voorgaande wordt verdachte, die een leidende rol heeft gehad binnen de organisatie, ernstig aangerekend.

Verdachte, die door de justitiële autoriteiten niet kon worden getraceerd, is in geen enkele fase van het geding over de hem ten laste gelegde feiten gehoord en heeft derhalve geen inzicht in zijn handelen kunnen geven. Ook omtrent de persoonlijke omstandigheden van verdachte bevat het dossier geen informatie; de raadsman heeft daarover evenmin informatie verstrekt. Het hof kan met eventuele strafverminderende of -verhogende factoren op dat gebied derhalve geen rekening houden.

Bij de strafoplegging wordt voorts in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 1 december 2015 niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

De positie die verdachte heeft gehad binnen de hiervoor beschreven omvangrijke vorm van georganiseerde misdaad, waarbij slechts het geldelijke gewin uit hennepteelt en -handel als drijfveer heeft gegolden, brengen naar het oordeel van het hof mee dat de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 44 maanden onvoldoende recht doet aan de ernst en aard van de gepleegde feiten. Mede in aanmerking genomen de straffen die aan verdachtes medeverdachten worden opgelegd, acht het hof gerechtvaardigd en noodzakelijk dat aan verdachte - de leider van de organisatie - een gevangenisstraf van 48 maanden wordt opgelegd. Deze straf is gelijk aan de straf die de rechtbank had opgelegd.

Ten aanzien van het tijdsverloop overweegt het hof als volgt.

Zowel voor de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep geldt dat deze meer dan twee jaren heeft geduurd. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is hierbij evenwel geen sprake van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. In dit kader is van belang dat de onderhavige zaak deel uitmaakt van een groot onderzoek en het een zeer omvangrijk dossier betreft. De zaken van verdachte en medeverdachten zijn in 2011 gezamenlijk op zitting aangebracht bij de (toenmalige) rechtbank Assen. In een deel van de zaken, waaronder die van verdachte, is na meerdere (regie)zittingen door de rechtbank uitspraak gedaan op 26 februari 2013. In de zaken van de overige verdachten is aanvankelijk bij vonnis van 29 oktober 2012 tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie beslist, welk vonnis door het hof bij arrest van 12 december 2013 werd vernietigd en waarbij de zaken werden teruggewezen naar de rechtbank. De rechtbank heeft in deze zaken vervolgens uitspraak gedaan op 16 januari 2015.

Vanwege de onderlinge samenhang is besloten de behandeling van het door verdachte en medeverdachten in 2013 ingestelde hoger beroep te bundelen met het hoger beroep dat door medeverdachten naar aanleiding van het vonnis in 2015 werd ingesteld. Het belang van een gezamenlijke behandeling is daarbij met name gelegen in het feit dat het hof de rol van de verdachte in perspectief kan plaatsen van het aandeel van iedere verdachte binnen de context van het gehele onderzoek. Aldus kan het hof beter tot een afgewogen oordeel komen in iedere zaak afzonderlijk zowel waar het betreft de vraag of de verdachte een strafbare rol heeft gehad en, zo ja welke, als waar het betreft de straftoemeting. Na een afweging van dit belang tegen het belang van een individuele, waarschijnlijk meer voortvarende behandeling, is het hof tot de conclusie gekomen dat het belang van een gezamenlijke behandeling zwaarder weegt. De beslissing om de behandeling van de zaken te bundelen, als gevolg waarvan een vertraging in de behandeling onontkoombaar was, is daarmee gerechtvaardigd. Het voorgaande maakt dat er geen sprake is van een onredelijke vertraging in het strafgeding die in de straf dient te worden verdisconteerd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63, 140, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 (ten aanzien van het overgedragen geldbedrag van € 10.075) - en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ontslaat verdachte met betrekking tot het verwerven en het voorhanden hebben van het geldbedrag van € 20.825,- van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. W.P.M. ter Berg en mr. T.H. Bosma, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier,

en op 11 februari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.