Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10569

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-12-2016
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
200.192.284
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling. Informele rechtsingang minderjarige, bijzondere curator. Ontzegging recht op omgang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.192.284

(zaaknummer rechtbank Overijssel 172165)

beschikking van 29 december 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. L.J.A. Eshuijs-Nijmeijer te Wierden,

en

mr. G. Altena,

kantoorhoudende te Arnhem,

in zijn hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige

[kind] ,

verder te noemen de bijzondere curator.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.S. Wibbelink te Delden, gemeente Hof van Twente.

0.1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 12 februari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 mei 2016;

- het verweerschrift, ingekomen op 15 augustus 2016;

- een journaalbericht van mr. Eshuis-Nijmeijer van 20 juli 2016 met producties;

- een journaalbericht van mr. Eshuis-Nijmeijer van 15 november 2016 met producties;

- een journaalbericht van mr. Eshuis-Nijmeijer van 23 november 2016 met productie;

- een journaalbericht van mr. Eshuis-Nijmeijer van 24 november 2016 met productie.

2.2

Bij beschikking van 30 juni 2016 heeft dit hof, voor zover thans van belang,

mr. Altena benoemd tot bijzondere curator over hierna nader te noemen [kind] ter behartiging van diens belangen in deze procedure in hoger beroep.

2.3

Op 21 november 2016 is [kind] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen, belanghebbende en de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) door het hof is gehoord.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 24 november 2016 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens zijn de bijzondere curator en de moeder verschenen. Namens de raad is [vertegenwoordiger van de raad] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is op 6 april 2004 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 18 februari 2004 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van onder anderen [kind] , geboren op [geboortedatum] 2000 (verder: [kind] ).

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [kind] .

3.3

Bij beschikking van 25 maart 2005 heeft de rechtbank Almelo, voor zover thans van belang, een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen van partijen, onder wie [kind] , vastgesteld, die bij beschikking van 20 maart 2006 door de rechtbank is gewijzigd.

3.4

Bij beschikking van 27 februari 2007 heeft het hof Arnhem de bij beschikking van

20 maart 2006 gewijzigde omgangsregeling vernietigd en bepaald dat de vier minderjarige kinderen met ingang van 27 februari 2007 gedurende één dag per vier weken van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de vader verblijven en vervolgens met ingang van 1 juni 2007 of zoveel eerder als partijen overeenkomen gedurende één weekend per vier weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede de weken 4 en 5 van de schoolvakantie en de tweede volle week van de kerstvakantie van 10.00 uur op de eerste dag tot 18.00 uur op de laatste dag. Met ingang van 1 januari 2008 of zoveel eerder als partijen overeenkomen geldt dat de minderjarigen gedurende één weekend per twee weken bij de vader verblijven van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, met dien verstande dat de moeder de kinderen bij de vader brengt en de vader de kinderen terugbrengt bij de moeder. Tevens is bij die beschikking bepaald dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 1.000,- voor iedere keer dat zij geen medewerking verleent aan de hiervoor genoemde regeling, zulks met een maximum van

€ 15.000,-.

3.5

Bij beschikking van 4 april 2008 is het door de moeder bij de Hoge Raad ingestelde beroep in cassatie afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [kind] .

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking de beschikking van het hof Arnhem van27 februari 2007 gewijzigd in die zin dat - uitvoerbaar bij voorraad - aan de vader het recht op omgang met [kind] wordt ontzegd.

4.2

De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van die beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen in die zin dat het verzoek van [kind] alsnog wordt afgewezen.

4.3

De bijzondere curator verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, dan wel zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans in stand te laten, door de grief dan wel het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof stelt voorop dat een minderjarige in beginsel in rechte wordt vertegenwoordigd door degene die met het gezag over de minderjarige is belast. Slechts in expliciet in de wet genoemde gevallen kan een minderjarige zich zonder tussenkomst van zijn wettelijke vertegenwoordiger rechtstreeks tot de rechter wenden. [kind] heeft gebruik gemaakt van de informele rechtsingang die de wet hem op grond van artikel 1: 253a lid 4 juncto artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) biedt. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat de rechter, indien blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing kan geven op de voet van de artikelen 1:377a of 377b BW, dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 1:377e BW kan wijzigen. Ingevolge eerstgenoemd artikel(lid) dient daar waar in artikel 1:377g BW en in het hierna onder 5.3 te noemen artikel 1:377e BW gesproken wordt over omgang of een omgangsregeling, in plaats daarvan gelezen te worden : een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

5.2

Op grond van artikel 1:377a, eerste lid BW, hebben het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouders of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaar of ouders is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.3

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten onder andere een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.

5.4

Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een regeling inzake toedeling van zorg- en opvoedingstaken en elke beslissing waarbij een contactverbod is opgelegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een regeling te doen vaststellen.

5.5

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen.

5.6

Met de raad en de bijzondere curator is het hof van oordeel dat het verzoek van de vader, in het belang van [kind] , dient te worden afgewezen. Daartoe overweegt het hof als volgt. Uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling aan de orde is gekomen, is gebleken dat [kind] uitdrukkelijk bezwaar maakt tegen contact met de vader. In mei 2015 heeft [kind] in een brief aan de kinderrechter voor het eerst zijn verzoek om de omgangsregeling stop te zetten kenbaar gemaakt. [kind] is sindsdien consequent geweest in zijn wil om geen contact te hebben met de vader. Ook in de gesprekken die [kind] met de bijzondere curator en de voorzitter van dit hof heeft gevoerd, hield hij vast aan die mening. Het hof ziet geen aanleiding om in een beoordeling van de motieven van [kind] te treden, nu voor het hof vaststaat dat de gevoelens van [kind] ten aanzien van contact met de vader, door hem al geruime tijd oprecht worden ervaren. [kind] wil rust en zich thans niet met de omgang met zijn vader bezighouden. Daar komt bij dat [kind] , juist nu de onderhavige zaak in hoger beroep speelt, last heeft van extra spanningen, hetgeen zich uit in slecht slapen en nachtelijke paniekaanvallen. Ter mondelinge behandeling heeft de raad geadviseerd het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, nu een gedwongen contact tussen [kind] en de vader een bedreiging vormt voor de ontwikkeling van [kind] .

Voorts neemt het hof nog in aanmerking de leeftijd van [kind] (16 jaar). Door handhaving van de in 2007 vastgestelde zorgverdeling zou aan de gevoelens van [kind] , die legitiem zijn, voorbij worden gegaan. Dat acht het hof in strijd zijn met zijn belang.

5.7

Gebleken is dat [kind] niet met de raad heeft willen spreken over zijn verzoek. Voor zover de vader ter mondelinge behandeling heeft verzocht om een nieuw raadsonderzoek te gelasten waarbij de raad alsnog met [kind] spreekt, ziet het hof daartoe onvoldoende aanleiding. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de mening van [kind] , alsmede op grond van de stukken en de mondelinge behandeling, acht het hof zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo van 12 februari 2016;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, K.J. Haarhuis en B.F. Keulen, bijgestaan door de griffier, en is op 29 december 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.