Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10524

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
29-12-2016
Zaaknummer
200.199.591/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2017:1016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Incident eiswijziging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.199.591/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel (C/08/188731 / KG ZA 16-243)

arrest in kort geding in het incident van 27 december 2016

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M. Wullink,
kantoorhoudend te Hengelo,

tegen

Autoservice Luiken B.V.,
gevestigd te [B] ,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Luiken,

advocaat: mr. J.F.M. Verheij,
kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 1 september 2016 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, (hierna: de voorzieningenrechter) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 september 2016, tevens houdende de grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),
- een akte houdende wijziging van eis van [appellant] ,
- een antwoordakte van Luiken,
- een antwoordakte na verzet vermeerdering van eis van [appellant] .

2.2

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest in het incident overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald.

2.3

[appellant] vordert in de appeldagvaarding, samengevat en zakelijk weergegeven, schorsing van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo (hierna: de kantonrechter) in de bodemprocedure totdat het hof, locatie Arnhem, in de hoofdzaak (primair), althans op het incident tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring (subsidiair) heeft beslist onder de toevoeging als meer subsidiair aan de schorsing de voorwaarde van adequate zekerheidsstelling te verbinden. Voorts vordert [appellant] primair en subsidiair dat Luiken wordt veroordeeld hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis van de kantonrechter heeft voldaan aan hem terug te betalen. Dit alles met veroordeling van Luiken in de proceskosten de nakosten daaronder begrepen.

3 Het geschil en de beoordeling in eerste aanleg

3.1

Op 28 juni 2016 heeft de kantonrechter te Almelo, in een door Luiken aanhangig gemaakte procedure strekkende tot betaling van een reparatienota betreffende de Renault personenauto van [appellant] , [appellant] veroordeeld tot betaling van een bedrag in hoofdsom van € 3.141,01 en een proceskostenveroordeling. De tegenvordering van [appellant] werd afgewezen.

3.2

Op 7 juli 2016 heeft [appellant] aan Luiken een kortgedingdagvaarding uitgebracht en haar opgeroepen te verschijnen op de zitting van dinsdag 12 juli 2016 te 11.00 uur voor de voorzieningenrechter teneinde te worden gehoord op de door [appellant] ingediende eis tot – kort gezegd - schorsing van het vonnis tussen partijen dat de kantonrechter in de bodemprocedure op 28 juni 2016 heeft gewezen.

3.3

Kort voor de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [appellant] op 12 juli 2016 bij per e-mail en per fax verzonden bericht de voorzieningenrechter onder meer laten weten dat de rechtbank Overijssel locatie Zwolle niet bevoegd is en de zaak naar de locatie Almelo van de rechtbank moet worden verwezen.

3.4

[appellant] en zijn advocaat zijn op de zitting niet verschenen. Luiken is wel verschenen en heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft van de verhandeling op de zitting van 12 juli 2016 een proces-verbaal opgemaakt en [appellant] een termijn van twee weken gegeven op het verzoek van Luiken te reageren.

3.5

[appellant] heeft gereageerd bij brief van zijn advocaat van 27 juli 2016 en Luiken bij brief van zijn advocaat van 28 juli 2016. De voorzieningenrechter heeft vervolgens partijen in de gelegenheid gesteld hun verhinderdata op te geven voor een mondelinge behandeling, onder de mededeling dat bij uitblijven van een reactie de voorzieningenrechter op de vordering zal beslissen.

3.6

[appellant] heeft vervolgens een wrakingsverzoek ingediend, waarna de behandelende rechter in de wraking heeft berust en de zaak door een andere door het bestuur van de rechtbank aangewezen rechter in behandeling is genomen.

3.7

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 1 september 2016 beslist dat moet worden verstaan dat de door [appellant] verzochte voorlopige voorziening niet kan worden behandeld en als ingetrokken moet worden beschouwd, waarna [appellant] in de proceskosten aan de zijde van Luiken tot een bedrag van € 1.071,- is veroordeeld. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 Met betrekking tot de wijziging van eis

4.1

Op de roldatum dat Luiken zijn memorie na antwoord met producties nam heeft [appellant] een akte houdende wijziging van eis genomen. De wijziging van eis houdt kort gezegd in dat [appellant] naast schorsing van het vonnis van de kantonrechter in de bodemprocedure van 28 juli 2016 tevens vordert bij wijze van zekerstelling een depot bij de notaris waarop Luiken het bedrag heeft te storten dat ter uitvoering van het vonnis van de kantonrechter inmiddels heeft voldaan.

4.2

Luiken heeft zich tegen de eiswijziging verzet.

4.3

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De in artikel 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als de verandering of vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijke eiser is gesteld.

Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden.

Voorts kan in het algemeen een verandering of vermeerdering van eis na het nemen van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (ECLI:NL:HR:2008:BC4959 en ECLI:NL:HR:2009:BI8771).

4.4

In casu is de reden voor de eiswijziging gelegen in een pas na de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende de grieven, voorgevallen feit, te weten de executoriale executie van het vonnis van de kantonrechter waardoor Luiken een bedrag van € 4.500,- heeft verkregen, hetgeen naar het oordeel van het hof in dit geval een uitzondering op de zogenoemde tweeconclusie-regel rechtvaardigt. Het hof verstaat het verweer van Luiken tegen de eiswijziging aldus dat aan de inhoudelijke beoordeling van de gewijzigde vorderingen niet wordt toegekomen, doordat het bestreden vonnis van de kantonrechter slechts betrekking heeft op de proceskosten van een kort geding waarin [appellant] als eisende partij niet op aangezegde dag is verschenen. Op dit verweer zal eerst worden beslist als de hoofdzaak van het appel tegen het vonnis van de voorzieningenrechter aan het hof voorligt.

4.5

Het voorgaande brengt mee dat de zaak in beginsel gereed is voor het wijzen van arrest in de hoofdzaak. De zaak zal in overeenstemming met Hoge Raad, 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9038 naar de rol worden verwezen voor uitlating partijen. Elk oordeel over de proceskosten in het incident zal worden aangehouden totdat ook in de hoofdzaak kan worden beslist.

4.6

Nu de zaak als achtergrond heeft het beroep tegen het vonnis van de kantonrechter dat op de locatie Arnhem voorligt, in dat beroep tevens een incident tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring is gedaan en tegenstrijdige uitspraken dienen te worden voorkomen, zal het hof bepalen dat de zaak voor verdere behandeling op locatie Arnhem wordt behandeld.

5 De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
In het incident
laat de eiswijziging toe;
houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan totdat in de hoofdzaak zal worden beslist;

In de hoofdzaak

bepaalt dat de zaak verder op de locatie Arnhem zal worden behandeld;

verwijst de zaak voor beraad/vragen van arrest naar de rolzitting van dinsdag 10 januari 2017 op de locatie Arnhem;


houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.W. Zandbergen en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 december 2016.