Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10510

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
200.196.173/02
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af, omdat de aangevoerde feiten noch afzonderlijk, noch in onderling verband en samenhang bezien, grond vormen voor wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/4059
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

wrakingskamer

zaaknummer gerechtshof 200.196.173/02

beslissing van 23 december 2016

op het verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het wrakingsincident

hierna: [verzoeker],

advocaat voorheen: mr. J.Ph. van der Veen, kantoorhoudend te Rotterdam, onttrokken,

thans zonder advocaat,

dat strekt tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:

mr. I. Tubben, mr. B.J.H. Hofstee en mr. M.A.L.M. Willems,

raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,

verweerders in het wrakingsincident.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij de afdeling civiel recht van het hof is onder zaaknummer 200.196.173/01 een procedure aanhangig tussen [verzoeker] en [B] , ziende op het faillissement van [verzoeker] .

1.2

Op 23 november 2016 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de civiele kamer van dit hof. Aanwezig waren [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. Van der Veen, mr. Van Gasteren namens [B] en mr. D. Koerselman namens de curator (mr. Janssen). Mr. Van der Veen heeft namens [verzoeker] tijdens deze mondelinge behandeling mrs. Tubben, Hofstee en Willems gewraakt. De voorzitter heeft de behandeling van de zaak geschorst. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.

1.3

Mrs. Tubben, Hofstee en Willems hebben niet in de wraking berust. Mr. Tubben heeft (mede namens mr. Hofstee en mr. Willems), bij verweerschrift van 8 december 2016 op het wrakingsverzoek gereageerd.

1.4

Ter griffie is verder binnengekomen:

- een faxbericht van 28 november 2016 van [verzoeker] ;

- een faxbericht van 29 november 2016 om 17.35 uur van mr. Van der Veen;

- een faxbericht van 29 november 2016 om 17.44 uur van mr. Van der Veen;

- een faxbericht van 29 november 2016 om 17.58 uur van mr. Van der Veen;

- een journaalbericht van 7 december 2016 van mr. Van der Veen met bijgevoegd een faxbericht van diezelfde datum, waarin hij aangeeft zich als advocaat van [verzoeker] te onttrekken;

- een faxbericht van 13 december 2016 van de curator, mr. Janssen, waarin hij aangeeft niet ter zitting te zullen verschijnen;

- een faxbericht van 13 december 2016 om 11.05 uur van [verzoeker] ;

- een faxbericht van 13 december 2016 om 11:35 uur van [verzoeker] .

1.5

Het wrakingsverzoek is ter zitting van 13 december 2016 behandeld door de wrakingskamer. [verzoeker] is bij deze behandeling verschenen.

Mrs. Tubben, Hofstee en Willems zijn bij deze behandeling niet verschenen.

Namens [B] is niemand verschenen. De curator is evenmin verschenen.

[verzoeker] heeft het verzoek mondeling toegelicht.

1.6

Op 14 december 2016 is - met toestemming van de wrakingskamer - een faxbericht van [verzoeker] binnengekomen, waarin hij de gronden van zijn wrakingsverzoek (nader) schriftelijk heeft toegelicht.

1.7

Voorts is nog binnengekomen een brief van 15 december 2016 met bijlagen van [verzoeker] .

1.8

De wrakingskamer heeft geen aanleiding gezien de na het verweerschrift van 8 december 2016 van de betrokken raadsheren aanvullend ontvangen stukken van [verzoeker] voor nader commentaar aan hen voor te leggen.

2 De beoordeling van het verzoek
De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

2.1

[verzoeker] heeft ter zitting van de wrakingskamer zijn wrakingsverzoek ten aanzien van mr. Hofstee en mr. Willems ingetrokken. Dit brengt met zich dat het hof hem in het wrakingsverzoek voor zover dit is gericht tegen voornoemde raadsheren niet-ontvankelijk dient te verklaren.

2.2

De wrakingskamer acht het wrakingsverzoek van [verzoeker] voor zover dit is gericht tegen mr. Tubben tijdig ingediend en acht [verzoeker] ter zake dit wrakingsverzoek ook overigens ontvankelijk.
De gronden van het wrakingsverzoek

2.3

Het wrakingsverzoek van [verzoeker] , dat gericht is tegen mr. Tubben (de voorzitter), komt er in essentie op neer dat [verzoeker] onvoldoende de gelegenheid heeft gekregen om zelf het woord te voeren, terwijl zijn advocaat onvoldoende adequaat reageerde op vragen van de voorzitter en [verzoeker] vanwege zijn handicap (ADD) in paniek is geraakt, met welke omstandigheid onvoldoende rekening is gehouden. Het gevolg is geweest dat hem een effectieve uitoefening van het tegen de faillietverklaring aangewende rechtsmiddel is ontzegd. Het internationaal recht waarborgt echter juist voor rechtszoekenden met een beperking, zoals [verzoeker] , een dergelijke effectieve uitoefening van rechten. [verzoeker] wijst in dit verband in het bijzonder op het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap d.d. 13 december 2006 (verder: het Verdrag).


Het standpunt van verweerders

2.4

Mr. Tubben heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. Zij geeft aan dat de mondelinge behandeling meer dan twee uren heeft geduurd in plaats van het gebruikelijke half uur. De advocaat van [verzoeker] heeft meer dan voldoende gelegenheid gehad om het standpunt van [verzoeker] naar voren te brengen en tussentijds overleg met [verzoeker] te voeren om zaken te verduidelijken. Op de zitting is volgens mr. Tubben voldoende ruimte geweest voor alle betrokken partijen.


De inhoudelijke beoordeling van het verzoek

2.5

Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 36 Rv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.

2.6

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

2.7

Uit het proces-verbaal van de zitting en de nadien ingekomen stukken is niet gebleken van dergelijke uitzonderlijke feiten en omstandigheden en daardoor niet van de situatie dat sprake is van vooringenomenheid van mr. Tubben (de voorzitter) jegens [verzoeker] . Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.8

[verzoeker] had zich, zo heeft hij tijdens de wrakingszitting verklaard, voorbereid op een inhoudelijke behandeling van zijn hoger beroep tegen de faillietverklaring. Blijkens het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 23 november 2016 is toen echter eerst de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde gekomen. Daardoor heeft hij zich kennelijk (enigszins) overvallen gevoeld, maar het hof mocht die kwestie aan de orde stellen omdat het kennelijk van oordeel was dat de ontvankelijkheid bespreking verdiende. Het enkele feit dat de ontvankelijkheid meteen aan de orde is gesteld wijst dan ook niet op enige vooringenomenheid. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt voorts dat de advocaat van [verzoeker] , mr. Van der Veen, in de gelegenheid is gesteld om het woord te voeren over die ontvankelijkheid. Dat mr. Van der Veen - zoals [verzoeker] in zijn wrakingsverzoek stelt - onvoldoende adequaat heeft gereageerd, kan de voorzitter niet verweten worden. [verzoeker] heeft bovendien zelf het woord kunnen voeren en hij heeft de ruimte gekregen om zo nu en dan de zittingszaal verlaten. Tweemaal heeft [verzoeker] de zittingszaal op eigen initiatief verlaten, maar daaraan zijn door de voorzitter geen consequenties verbonden. Tweemaal is bovendien een schorsing van de mondelinge behandeling gevraagd en verkregen om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen met zijn advocaat te overleggen. Tevens is gebleken dat de mondelinge behandeling ruim twee uren heeft geduurd. Voor zover [verzoeker] ten gevolge van de door hem gestelde beperking (ADD) belemmeringen heeft ondervonden bij de behandeling van het hoger beroep is hem door de diverse schorsingen en de ruime gelegenheid tot toelichting voldoende compensatie geboden. Andere en/of betere compensatiemogelijkheden zijn door [verzoeker] niet aangedragen en van de wenselijkheid of noodzaak daarvan is evenmin gebleken. Aannemende dat het Verdrag toepasselijk was, geldt bovendien dat de voorzitter, door de procedure te doen verlopen zoals hiervoor geschetst, redelijkerwijs alles heeft gedaan om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zijn door het Verdrag gewaarborgde recht op toegang tot de rechter effectief uit te oefenen.

2.9

De conclusie uit het voorgaande is dat de aangevoerde feiten noch afzonderlijk, noch in onderling verband en samenhang bezien, grond vormen voor wraking, zodat de wrakingskamer het verzoek daartoe zal afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van mr. Hofstee en mr. Willems;

wijst het verzoek tot wraking van mr. Tubben af.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.P.M. ter Berg, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. G. Dam, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 december 2016.