Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10470

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-12-2016
Datum publicatie
30-12-2016
Zaaknummer
200.176.355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Van perceel A maakt een circa 35 cm brede strook grond deel uit, die ligt tussen een muur van de garage op dat perceel en de erfgrens met het buurperceel B. De eigenaar/eigenaren van perceel B hebben gedurende 20 jaar op de strook eerst planten laten groeien en er een ladder boven gehangen, hebben er later een fietsenafdak op geplaatst en een trampoline geplaatst, en hebben daarna de grond betegeld. Ook hadden zij er enige tijd een hek op staan ter afsluiting van (slechts) een deel van het perceel. Rechtbank en hof: hieruit blijkt van bezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.176.355

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 154612)

arrest van 27 december 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: ‘ [appellante] ’,

advocaat: mr. D.F. Briedé,

tegen:

[geïntimeerde 1]
en

[geïntimeerde 2] ,

beiden wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

hierna: ‘ [geïntimeerden] ’,

advocaat: mr. J.Th. Waterman.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 oktober 2015 hier over.
Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    het proces-verbaal van de ingevolge het tussenarrest op 10 december 2015 gehouden plaatsopneming en comparitie van partijen,

  • -

    de memorie van grieven,

  • -

    de memorie van antwoord.

1.2

Vervolgens hebben [geïntimeerden] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald, mede op basis van de stukken die [appellante] voorafgaand aan de plaatsopneming en comparitie van partijen heeft overgelegd.

2 De vaststaande feiten

Partijen zijn elkaars buren. [appellante] is eigenaar en bewoonster van het perceel [adres] . Op het perceel staat een garage. Ten westen hiervan ligt het perceel [adres 2] , dat sinds 1986 eigendom is van [geïntimeerde 1] en sindsdien wordt bewoond door [geïntimeerden] Het Kadaster heeft aan de hand van veldmetingen een tekening gemaakt (productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg). Een deel van deze tekening is hieronder opgenomen. Naast dat fragment heeft het hof met een pijl het noorden aangegeven. Op het fragment is met ‘gar’ de garage van [appellante] bedoeld. De kadastrale grens tussen de twee buurpercelen is als een onderbroken lijn ingetekend (noordoost/zuidwest). De strook grond, waarvan de eigendom in geding is, is door het hof gearceerd - hieronder wordt deze strook bedoeld waar geschreven wordt over ‘de strook’. De westelijke garagemuur is 5,845 meter lang (zie hiervoor het proces-verbaal van plaatsopneming van 10 december 2015).

3 Het geding in eerste aanleg

[appellante] heeft de procedure in eerste aanleg gestart en heeft vorderingen ingesteld op basis van haar stelling dat zij de eigenaar is van de strook. [geïntimeerden] hebben dit betwist en hebben in reconventie vorderingen ingesteld, die gestoeld zijn op de stelling dat zij inmiddels door de verkrijgende verjaring van artikel 3:105 BW van 20 jaar eigenaar daarvan zijn geworden. De rechtbank heeft bij het bestreden eindvonnis van 12 augustus 2015 geoordeeld dat [geïntimeerden] zijn geslaagd in het leveren van het bewijs van die stelling, heeft [appellante] ’s vorderingen in conventie afgewezen en heeft in reconventie voor recht verklaard dat [geïntimeerden] eigenaar zijn geworden van de strook, met nevenveroordelingen.
Met rechtsoverweging 2.2 van het bestreden eindvonnis is de rechtbank er impliciet vanuit gegaan dat, indien er een verjaring liep zoals [geïntimeerden] hebben gesteld, deze verjaring bij brief van [appellante] ’s advocaat van 10 september 2013 is gestuit. In die brief eiste zij dat [geïntimeerden] de strook zouden ontruimen. Dit betekent, aldus de redenering in het eindvonnis, dat [geïntimeerden] in het bewijs van de verjaring zijn geslaagd indien blijkt dat zij voortdurend sinds 10 september 1993 bezitter van de strook waren.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Grief 2 gaat uit van een verkeerde lezing van het bestreden vonnis en faalt reeds daarom. De rechtbank heeft het beroep op verjaring namelijk niet gehonoreerd op grond van het enkele feit dat [geïntimeerden] zich daarop hebben beroepen, maar op basis van een waardering van het door [geïntimeerden] van hun desbetreffende stellingen geleverde bewijs. Rechtsoverweging 2.2 van het eindvonnis houdt onder meer in dat een verjaringstermijn van 20 jaar behoudens stuiting is verlopen indien [geïntimeerden] . vanaf 10 september 1993 de strook in bezit hebben gehad.

4.2

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.2. van het bestreden eindvonnis tevens overwogen dat niet van een eerdere aanmaning is gebleken dan die van 10 september 2013. Volgens [appellante] (grief 1) is deze overweging onjuist, maar zij heeft geen beroep gedaan op eerdere stuitingen van de verjaring. Niet iedere aanmaning stuit verjaring. Indien er al eerdere aanmaningen waren, had het op de weg van [appellante] gelegen om feitelijk toe te lichten wanneer en op welke wijze zij vóór 10 september 2013 de verjaring heeft gestuit. Bij gebreke van een dergelijke feitelijke toelichting faalt grief 1.

4.3

Het beroep op verjaring is in het bestreden vonnis gehonoreerd op grond van waardering van het door [geïntimeerden] geleverde bewijs. [appellante] heeft met de grieven 3 tot en met 14 en de toelichtingen daarop beoogd om het hof over de bewijsbeslissing op andere gedachten te brengen: volgens [appellante] hebben [geïntimeerden] hooguit bewezen dat zij af en toe bezitshandelingen hebben gepleegd en dit slechts met betrekking tot een gedeelte van de strook, maar niet dat zij de gehele strook ononderbroken gedurende twintig jaar in bezit hebben gehad.

4.4

Uit het overgelegde beeldmateriaal (foto’s en een filmpje) dat op 10 september 2014 ter comparitie in eerste aanleg is besproken, blijkt dat [geïntimeerden] de strook al in 1993 in gebruik hadden. Zij lieten daarop planten groeien, hingen er een ladder op, hadden op de strook achtereenvolgens, dan wel tegelijkertijd, een fietsenafdak en een trampoline en lieten de strook betegelen. Naar verkeersopvattingen, die hierbij uit hoofde van de artikelen 3:107 lid 1 BW en 3:108 BW leidend zijn, is dit gebruik van de strook een gebruik door een eigenaar, of een ander zakelijk gerechtigde. Indien het enkel om het betegelen van een strook grond ging, zoals in het geval dat de rechtbank Arnhem in haar vonnis van 6 mei 2009 beoordeelde, zou het misschien anders zijn, maar de vergelijking daarmee gaat mank doordat in het onderhavige geval meer is gebeurd dan dat de grond enkel is betegeld en doordat ook naar alle overige omstandigheden moet worden beoordeeld of er sprake was van bezit. Dat het aldus beschreven gebruik van de strook door [geïntimeerden] op een (uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend gemaakte) afspraak berustte, blijkt niet.

4.5

[appellante] heeft betwist dat de door [geïntimeerden] overgelegde foto’s en filmpjes op de door [geïntimeerden] gestelde data zijn gemaakt. Het filmpje dat als productie 14 bij akte van 24 december 2014 is overgelegd laat een hekje zien (in rechtsoverweging 2.2. van het bestreden vonnis aangeduid als dwarshekje) dat aan de noordzijde van de strook grond staat. Na ongeveer 10 seconden verschijnt de datum ‘5.sep.’1991’ in beeld. Waarom [appellante] aan de juistheid twijfelt van deze datum, of van andere data waarop het fotomateriaal volgens [geïntimeerden] is gemaakt, heeft zij niet toegelicht. Het hof ziet evenmin redenen om daaraan te twijfelen.

4.6

Volgens [appellante] is niet bewezen dat het gebruik dat [geïntimeerden] van de strook maakten onafgebroken plaatsvond. Voorop staat dat zowel het beplanten als het betegelen van de strook een permanent karakter hadden, evenals het plaatsen van een hek. Juist daaruit had [appellante] moeten opmaken dat [geïntimeerden] zich gedroegen als eigenaar van de strook. Het klopt dat [geïntimeerden] in de loop van de jaren aan de strook wisselende bestemmingen hebben gegeven, maar dit onderstreept nu juist hun gedrag als eigenaar. Dat het hekje niet de gehele strook afsloot en dat [geïntimeerden] het na enige tijd weer hebben verwijderd (net als zij inmiddels, na afloop van de verjaringstermijn, ook al weer de tegels weer hebben weggehaald) biedt evenmin steun voor verweer van [appellante] . Hier komt bij dat de toegang tot de strook vanaf het perceel van [appellante] werd bemoeilijkt doordat de doorgang slechts circa 35 cm breed is.

4.7

Uit het vorenstaande blijkt dat [geïntimeerden] in elk geval al op 5 september 1991 het bezit van de strook hadden. Dat bezit hebben [geïntimeerden] niet opgegeven door hekken of speeltoestellen te vervangen, te verplaatsen en/of te verwijderen. Het bezit is evenmin onderbroken. Stuiting van de verjaring heeft niet plaatsgevonden doordat, zoals [appellante] heeft gesteld en [geïntimeerden] hebben bestreden, [appellante] en/of haar zoon zich gedurende de verjaringstermijn op de strook hebben begeven om onderhoud te plegen aan de goot van de garage. Door het enkele betreden van de strook werden [geïntimeerden] niet in het bezit daarvan gestoord. [appellante] ’s aanbod om te bewijzen dat haar zoon onderhoud aan de goot heeft uitgevoerd ziet derhalve niet op feiten en/of omstandigheden die voor de uitkomst van de procedure van belang zijn en wordt daarom verworpen.

4.8

Het bewijs van voortdurend bezit van de strook door [geïntimeerden] gedurende minstens 20 jaar is aldus ook naar het oordeel van het hof genoegzaam en overtuigend geleverd. Feiten of omstandigheden, die tot een ander oordeel kunnen leiden, zijn gesteld noch gebleken.

4.9

De vordering tot opheffing van de onrechtmatige toestand blijkt verjaard (zie artikelen 3:314 en 3:306 BW). Terecht heeft de rechtbank de in reconventie gevorderde verklaring voor recht afgegeven (zie artikel 3:105 BW) en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 311

- salaris advocaat € 1.788 (2 punten x tarief II)

Totaal € 2.099.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Almelo van 4 maart 2015;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 311 voor verschotten en op € 1.788 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, A.E.B. ter Heide en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 december 2016.