Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1046

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
200.166.668/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Draagkracht, draagkrachtvergelijking en zorgkorting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.166.668/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/361823 / FL RK 14-196)

beschikking van de familiekamer van 9 februari 2016

inzake

[de verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. T.C. ten Rouwelaar-Hoogland, kantoorhoudend te Amstelveen,

tegen

[de verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.H.H. Nauta, kantoorhoudend te Lelystad.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 29 oktober 2015 een tussenbeschikking gegeven. Daarbij heeft het hof, voor zover hier van belang, partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag of en in hoeverre de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) aanleiding geeft tot aanpassing van de standpunt(en) en/of verzoek(en) ten aanzien van de kinderalimentatie in deze procedure.

1.2

Na voormelde tussenbeschikking zijn op de griffie van het hof binnengekomen:

- een journaalbericht d.d. 16 november 2015 met als bijlage een akte met bijlagen d.d. 16 november 2015 van mr. Nauta;

- een journaalbericht d.d. 17 november 2015 met als bijlage een akte met bijlagen d.d. 18 november 2015 van mr. Ten Rouwelaar-Hoogland;

- een journaalbericht d.d. 24 november 2015 met als bijlage een akte met bijlagen d.d. 25 november 2015 van mr. Nauta;

- een journaalbericht d.d. 30 november 2015 met als bijlage een akte d.d. 30 november 2015 van mr. Ten Rouwelaar.

1.3

Bij het beroepschrift heeft de vader, voor zover hier van belang, verzocht te bepalen dat hij met ingang van de datum van indiening van zijn (eerste) verweerschrift d.d. 13 februari 2014 een bijdrage zal leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 236,- per kind per maand, althans een bedrag vast te stellen dat past in het kader van de op het moment van de mondelinge behandeling bestaande financiële situatie en draagkracht, kosten rechtens.

1.4

Bij akte van 18 november 2015 heeft de vader dit verzoek aangevuld/gewijzigd en verzocht:
- tot en met juni 2015 zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de

kinderen te bepalen conform hetgeen in het beroepschrift is verzocht;

- met ingang van 1 juli 2015 tot en met 8 oktober 2015 zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen op een lager bedrag in verband met het feit dat de moeder geen woonkosten meer voldoet, nu zij in die periode is gaan samenwonen met een partner als ware zij gehuwd;

- vanaf 9 oktober 2015 zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bepalen op basis van de uitspraak van de Hoge Raad op die datum, waarbij tevens rekening wordt gehouden met hetgeen onder het tweede gedachtenstreepje is vermeld. Het hof begrijpt uit het lichaam van de akte dat de vader verzoekt die bijdrage aldus met ingang van 9 oktober 2015, althans zoveel eerder als het hof redelijk acht, te bepalen op een bedrag van € 265,- per maand (oftewel € 132,50 per kind per maand).

1.6

Bij akte van 30 november 2015 heeft de vader zijn verzoek opnieuw gewijzigd en verzocht te bepalen dat hij (naar het hof begrijpt met ingang van 9 oktober 2015, althans zoveel eerder als het hof redelijk acht) dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 250,- per maand, oftewel € 125,- per kind per maand.

1.6

Bij het verweerschrift, tevens incidenteel beroepschrift, heeft de moeder, voor zover hier van belang, verzocht de beschikking van de rechtbank van 30 september 2014, dan wel de beschikking van de rechtbank van 27 februari 2015, partieel te vernietigen op het onderdeel van de ingangsdatum van de alimentatiebeslissing en opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, ingaande 1 januari 2014, primair te bekrachtigen de overeenkomst van partijen met betrekking tot de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 350,- per kind per maand, subsidiair de bijdrage die de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen met ingang van 1 januari 2014 te bepalen op € 350,- per kind per maand en te bepalen dat de vader deze bijdrage per 1 januari 2014 aan de moeder dient te voldoen, kosten rechtens. De moeder heeft dit verzoek blijkens haar akten van 16 november 2015 en 24 november 2015 gehandhaafd.

2 De verdere beoordeling

2.1

Het hof verwijst voor wat betreft de vaststaande feiten naar de tussenbeschikking van 29 oktober 2015. Voor zover hier van belang staat daarin het volgende vermeld.

2.2

Uit de affectieve relatie die tussen de vader en de moeder heeft bestaan is [in] 2005 geboren de minderjarige [C] en [in] 2008 de minderjarige [D] (verder gezamenlijk ook te noemen: de kinderen). De vader heeft de kinderen erkend.

2.3

Bij verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 29 januari 2014, heeft de moeder primair verzocht de overeenkomst van partijen te bekrachtigen voor zover het betreft de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 350,- per kind per maand. Subsidiair heeft de moeder verzocht te bepalen dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te betalen van € 350,- per kind per maand, althans een bijdrage die de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.4

De vader heeft op 14 februari 2014 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij de verzoeken van de moeder bestreden. De vader heeft voorts zelfstandig verzocht zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen vast te stellen op een bedrag dat lager is dan € 350,- per kind per maand.

2.5

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van de rechtbank van 30 september 2014 is een voorlopige bijdrage van de vader in de kosten van de kinderen vastgesteld van € 350,- per kind per maand. De zaak is - in afwachting van inlichtingen door partijen met betrekking tot het verloop van de mediation en de gewenste voortgang van de procedure - voor het overige aangehouden.

2.6

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 27 februari 2015 heeft de rechtbank bepaald dat de vader met ingang van de datum van de beschikking een bedrag van € 350,- per kind per maand telkens bij vooruitbetaling aan de moeder voldoet als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.


De kinderalimentatie
* De ingangsdatum

2.7

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de vader vanaf 1 maart 2011 op grond van een overeenkomst tussen partijen heeft bijgedragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 350,- per kind per maand. Met ingang van 1 januari 2014 heeft de vader eenzijdig besloten niet langer het overeengekomen bedrag van € 350,- per kind te betalen, maar een lager bedrag.

2.8

De moeder heeft verzocht om de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, conform de overeenkomst van partijen, met ingang van 1 januari 2014 te bepalen op het tussen partijen overeengekomen bedrag van € 350,- per kind per maand.

2.9

De vader heeft verzocht om de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 13 februari 2014 te wijzigen en vast te stellen zoals hiervoor onder 'Het verdere verloop van het geding in hoger beroep' is vermeld. Het hof zal het verzoek van de vader eerst beoordelen.

2.10

Het hof stelt voorop dat de rechter - binnen de grenzen van de rechtsstrijd zoals aan hem voorgelegd - in beginsel vrij is in het bepalen van de ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting. Van die vrijheid dient echter behoedzaam gebruik te worden gemaakt waar het gaat om het vaststellen van een onderhoudsverplichting over een periode in het verleden, gelet op de mogelijk ingrijpende financiële gevolgen daarvan.

2.11

Het hof zal in dat verband eerst beoordelen of zich een relevante wijziging in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW heeft voorgedaan van de omstandigheden waarbij partijen bij hun overeenstemming zijn uitgegaan en zo ja, per welke datum.
* Wijziging van omstandigheden

2.12

De vader heeft gesteld dat hij op korte termijn zijn baan als senior technical specialist bij [E] zal verliezen, nu het project waar hij aan werkt zal worden beëindigd. Als gevolg hiervan zal zijn inkomen dalen en zijn draagkracht verminderen.

2.13

Naar het oordeel van het hof heeft de vader deze stelling echter onvoldoende met stukken onderbouwd, nu geen documenten zijn overgelegd die het dreigende ontslag bevestigen. Daar komt bij dat de vader ter zitting naar voren heeft gebracht dat [E] nog niet aan hem heeft bericht per welke datum zijn dienstverband zal worden beëindigd. In een gesprek met zijn afdelingschef, welk gesprek gepland stond in de week na de mondelinge behandeling, zou daaromtrent mogelijk aan de vader meer duidelijkheid worden verschaft. Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld dat het inkomen van de vader zal dalen ten opzichte van het inkomen waarmee rekening is gehouden in de overeenkomst van partijen. Ook overigens is niet gebleken dat het inkomen van de vader sinds het sluiten van de overeenkomst is gedaald. Er is derhalve ten aanzien van het inkomen van de vader geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW.

2.14

De vader stelt voorts dat ten tijde van de overeenkomst van partijen bij het vaststellen van zijn draagkracht geen rekening is gehouden met woonlasten, terwijl hij inmiddels wel woonlasten heeft. De moeder heeft dat betwist en betoogt dat ten tijde van de overeenkomst van partijen aan de zijde van de vader rekening is gehouden met fictieve woonlasten. Nu de vader zijn stelling dat ten tijde van de overeenkomst geen rekening is gehouden met woonlasten niet nader met stukken heeft onderbouwd, kan dit, gelet op de gemotiveerde betwisting door de moeder, naar het oordeel van het hof niet als vaststaand worden aangenomen. Er is derhalve ook ten aanzien van de woonlasten geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW.

2.15

De vader stelt voorts dat sprake is van een stijging van het inkomen van de moeder ten opzichte van het inkomen waarmee rekening is gehouden in de overeenkomst van partijen. Dit wordt door de moeder betwist. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de overgelegde stukken onvoldoende of ten tijde van de overeenkomst van partijen rekening is gehouden met inkomen aan de zijde van de moeder en zo ja, met welk bedrag. Daarmee is niet vast komen te staan dat sprake is van een stijging van het inkomen van de moeder ten opzichte van het inkomen waarmee rekening is gehouden in de overeenkomst van partijen. Ook in zoverre is derhalve geen sprake van een relevante wijzing van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW.

2.16

Naar het oordeel van het hof is eerst met ingang van 1 januari 2015 sprake van een relevante wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW. Per die datum heeft de vader niet langer fiscaal voordeel van de kinderalimentatie die hij betaalt. Het hof zal daarom met ingang van 1 januari 2015 overgaan tot een hernieuwde beoordeling van de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Het hof zal voorts met ingang van 1 juli 2015 een nieuwe periode onderscheiden. Per die datum is het kindgebonden budget van de moeder vervallen omdat ze is gaan samenwonen.

2.17

Hoewel de vader naar het hof begrijpt heeft verzocht eerst met ingang van 9 oktober 2015 de rekenwijze conform eerdergenoemde uitspraak van de Hoge Raad van die datum te hanteren, ziet het hof aanleiding om reeds met ingang van de 1 januari 2015, zijnde de datum waarop sprake is van een wijziging van omstandigheden, die rekenwijze te hanteren.

2.18

Ten aanzien van het verzoek van de moeder overweegt het hof als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de vader op grond van de onder rechtsoverweging 2.7 genoemde overeenkomst diende bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 350,- per kind per maand, welk bedrag hij tot 1 januari 2014 ook maandelijks (volledig) aan de moeder heeft voldaan. Nu in de periode vóór 1 januari 2015 niet is gebleken van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan die overeenkomst niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet, behoorde de vader er (ook) vanaf 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 rekening mee te houden dat hij deze bijdrage aan de moeder diende te voldoen. Gelet daarop zal het hof de bijdrage van de vader met ingang van 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 bepalen op een bedrag van € 350,- per kind per maand.
* De behoefte van de kinderen

2.19

De rechtbank heeft het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen in 2014 vastgesteld op € 1.000,- per maand in 2014, hetgeen geïndexeerd naar 2015 overeen zou komen met een bedrag van € 1.008,- per maand.

2.20

Nu de vader in de door hem bij akte van 18 november 2015 overgelegde berekening echter uitgaat van een (naar 2015 geïndexeerd) eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen van € 1.392,- per maand, sluit het hof zich hierbij aan.

2.21

Op dit eigen aandeel wordt ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) niet het kindgebonden budget in mindering gebracht. De behoefte van de kinderen bedraagt derhalve € 696,- per kind per maand.
* De draagkracht van de vader

2.22

Het hof gaat voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader uit van het inkomen volgens de jaaropgave 2014 van € 67.628,-. Het hof is met de moeder van oordeel dat geen aanleiding bestaat voor middeling van de inkomens van de vader over de jaren 2013 en 2014, zoals door de vader verzocht. De enkele stelling van de vader dat een middeling redelijk is, acht het hof onvoldoende om af te wijken van het beginsel dat bij de vaststelling van de draagkracht dient te worden aangesloten bij de meest recente financiële gegevens. Uitgaande van voormeld jaarinkomen van € 67.628,- bedraagt het NBI van de vader € 3.513,- per maand. Bij de berekening van dit NBI heeft het hof, anders dan de vader, geen rekening gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente).

2.23

De draagkracht van de vader dient te worden vastgesteld aan de hand van de draagkrachtformule in de Aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen, die voor het jaar 2015 voor inkomens hoger dan € 1.525,- als volgt luidt: 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)].

2.24

De draagkracht van de vader bedraagt op grond van deze formule € 1.108,87 per maand.

2.25

De moeder heeft gesteld dat nu de feitelijke woonlasten van de vader lager zijn dan de forfaitair bepaalde woonlast, met deze lagere woonlasten rekening moet worden gehouden.

2.26

In het berekeningssysteem voor kinderalimentatie wordt met een forfaitair bedrag aan woonlasten rekening gehouden ter grootte van 30% van het netto besteedbaar inkomen. Gelet op het uitgangspunt van een forfaitair systeem dient daarvan slechts te worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. De enkele omstandigheid dat de feitelijke woonlasten van de vader lager zijn dan het voormelde forfaitaire bedrag vormt naar het oordeel van het hof onvoldoende aanleiding voor afwijking van de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen.
* De draagkracht van de moeder

2.27

Ter zitting heeft de vader betoogd dat blijkens de stukken het inkomen van de moeder in 2015 is toegenomen ten opzichte van 2014. De moeder heeft dat betoog gemotiveerd weersproken met de stelling dat zij in de eerste maanden van 2015 een vergoeding heeft ontvangen vanwege het feit dat haar kantoor is verhuisd en zij daardoor meer reiskosten heeft, hetgeen door de vader niet is weersproken. Op grond daarvan is aannemelijk dat het inkomen van de moeder sinds 2014 (vrijwel) niet is gewijzigd en gaat het hof voor de berekening van het NBI van de moeder uit van het inkomen volgens de jaaropgave 2014 van € 38.542,-.

2.28

Dit inkomen dient ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) te worden verhoogd met het kindgebonden budget dat de moeder ontvangt. Vast staat dat de moeder met ingang van 1 juli 2015 niet langer kindgebonden budget ontvangt, omdat zij per die datum is gaan samenwonen met haar partner. In de periode tot 1 juli 2015 heeft de moeder blijkens de voorschotbeschikking een kindgebonden budget van € 1.946,- ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat van dit bedrag moet worden uitgegaan. Het hof zal het kindgebonden budget van € 1.946,- per half jaar in de draagkrachtberekening die betrekking heeft op de periode tot 1 juli 2015 opnemen onder post 119a (netto inkomen).

2.29

Het NBI van de moeder bedraagt aldus in de periode tot 1 juli 2015 € 2.790,- per maand en in de periode vanaf 1 juli 2015 € 2.466,- per maand.

2.30

De vader heeft in zijn nadere akte d.d. 18 november 2015 voor het eerst de voor de vaststelling van de draagkracht van de moeder in aanmerking te nemen woonlasten ter discussie gesteld. De vader stelt dat met ingang van 1 juli 2015 aan de zijde van de moeder geen rekening meer dient te worden gehouden met woonlasten, omdat de moeder per die datum is gaan samenwonen met haar partner. In zijn nadere akte d.d. 30 november 2015 heeft de vader gesteld dat ervan uit moet worden gegaan dat de door de moeder gestelde netto woonlast bij gebreke van inkomensgegevens van haar partner geacht wordt slechts voor 40% voor haar rekening te komen.

2.31

Hoewel de moeder zich op het standpunt stelt dat de grief van de vader ten aanzien van haar woonlasten in dit stadium van de procedure vanwege de eisen van een goede procesorde niet meer kan worden opgeworpen (het betreft volgens de moeder immers niet een gevolg van eerdergenoemde beschikking van de Hoge Raad van 9 oktober 2015), is het hof van oordeel dat het gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in zaken als de onderhavige mogelijk is om ook in dit stadium van de procedure nog nieuwe grieven op te werpen. Naar het oordeel van het hof verzetten de eisen van de goede procesorde zich in de onderhavige zaak niet tegen het inhoudelijk behandelen van deze grief. De moeder heeft immers nog bij akte op de grief kunnen reageren en is daardoor niet onredelijk in haar verdediging bemoeilijkt. Het hof zal de grief daarom inhoudelijk behandelen.

2.32

De moeder heeft op haar beurt, naar het hof begrijpt, in haar nadere akte van 30 november 2015 gesteld dat rekening moet worden gehouden met haar werkelijke woonlast, die in de periode tot 1 juli 2015 € 702,50 per maand bedroeg en in de periode vanaf 1 juli 2015 afgerond € 644,- (50% van € 1.287,64) per maand bedraagt. Nu deze bedragen echter op grond van het NBI dat het hof ten aanzien van de moeder in aanmerking neemt lager zijn dan de forfaitair bepaalde woonlast (die bedraagt € 837,- per maand in de periode tot 1 juli 2015 en € 644,- per maand in de periode vanaf 1 juli 2015) gaat het hof er van uit dat de moeder haar stelling dat van de werkelijke woonlasten moet worden uitgegaan niet langer handhaaft.

2.33

Voor zover dat wel het geval zou zijn, acht het hof het niet redelijk om rekening te houden met deze lagere bedragen. Zoals hiervoor overwogen houdt het hof ook ten aanzien van de woonlasten van de vader geen rekening met het feit dat zijn feitelijke woonlasten lager zijn dan de forfaitair bepaalde woonlast, aangezien dat afbreuk zou doen aan het forfaitaire systeem. Onder de nieuwe kinderalimentatienormen doet niet langer ter zake in hoeverre een nieuwe partner kan bijdragen in de woonlasten. Het hof gaat daarom voorbij aan hetgeen daaromtrent door de vader is aangevoerd.

2.34

Op grond van voormelde formule voor het jaar 2015 voor inkomens hoger dan
€ 1.525,- bedraagt de draagkracht van de moeder op grond hiervan in de periode tot 1 juli 2015 € 754,60 per maand en in de periode vanaf 1 juli 2015 € 595,84 per maand.
* Draagkrachtvergelijking

2.35

Op grond van het vorenstaande bedraagt de totale draagkracht van de vader en de moeder in de periode tot 1 juli 2015 € 1.863,47 per maand (€ 1.108,87 + € 754,60) en in de periode vanaf 1 juli 2015 € 1.704,71 per maand (€ 1.108,87 + € 595,84).

2.36

Aangezien de totale draagkracht van de vader en de moeder groter is dan de behoefte van de kinderen (€ 1.392,- per maand), zal het hof het aandeel van partijen in die behoefte bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking. De verdeling van de behoefte over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de resterende behoefte.

2.37

Het aandeel van de vader in de behoefte van de kinderen bedraagt aldus in de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 € 828,32 per maand (€ 1.108,87 / € 1.863,47 x € 1.392,-) en het aandeel van de moeder € 563,68 per maand (€ 754,60 / € 1.863,47 x € 1.392,-).

2.38

In de periode vanaf 1 juli 2015 bedraagt het aandeel van de vader in de behoefte van de kinderen € 905,46 per maand (€ 1.108,87 / € 1.704,71 x € 1.392,-) en het aandeel van de moeder € 486,54 per maand (€ 595,84 / € 1.704,71 x € 1.392,-).


* De zorgkorting

2.39

Vervolgens dient te worden beoordeeld of de zorgkorting invloed heeft op de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

2.40

Tussen partijen is niet in geschil dat een zorgkorting van 25% geldt.

2.41

De zorgkorting bedraagt in 2015 € 348,- per maand (25% van € 1.392,-). De vader dient derhalve in de periode van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 met een bedrag van afgerond
€ 480,- (€ 828,32 minus € 348,-) per maand, oftewel € 240,- per kind per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. In de periode vanaf 1 juli 2015 dient de vader een bedrag van afgerond € 557,- (€ 905,46 minus € 348,-) per maand, oftewel € 278,50 per kind per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Het hof zal de door de vader te betalen onderhoudsbijdragen in het dictum van deze beschikking daarom vaststellen op deze bedragen.

2.42

Gesteld noch gebleken is dat de moeder als gevolg van deze beslissing in terugbetalingsproblemen zal komen.


De slotsom

2.43

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

3 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 27 februari 2015 voor zover daarbij is bepaald dat de vader met ingang van 27 februari 2015 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 350,- per kind per maand;

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vader, conform de tussen de vader en de moeder gesloten overeenkomst, met ingang van 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [C] , geboren [in] 2005 te [F] en [D] , geboren [in] 2008 te [A] , met een bedrag van € 350,- per kind per maand;

wijzigt de tussen de vader en de moeder gesloten overeenkomst en bepaalt dat de vader met ingang van 1 januari 2015 tot 1 juli 2015 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [C] , geboren [in] 2005 te [F] en [D] , geboren op [in] 2008 te [A] , met een bedrag van € 240,- per kind per maand en met ingang van 1 juli 2015 met een bedrag van
€ 278,50 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. J.G. Idsardi en mr. B.J. Voerman, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 februari 2016 in bijzijn van de griffier.