Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1041

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
11-02-2016
Zaaknummer
200.177.556/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.177.556/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/173286 / JE RK 15-1041)

beschikking van de familiekamer van 4 februari 2016

inzake

[de verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.C. Sneper, kantoorhoudend te Rotterdam,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

kantoorhoudend te Amsterdam,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

1 [de moeder] ,

wonende te [B] ,

hierna te noemen: de moeder.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 27 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 september 2015, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, en het verzoek van de GI om de omgangsregeling te wijzigen alsnog af te wijzen. Daarnaast doet de vader een zelfstandig verzoek ex artikel 1:377a, waarbij de omgang tussen de vader en de kinderen van eens per twee weken een weekend wordt uitgebreid met de helft van de vakanties en de feestdagen. Subsidiair verzoekt de vader het hof de omgangsregeling opnieuw vanaf het begin van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) te laten starten, te weten vier hele zaterdagen in de maand en dan met begeleiding, met een opbouw naar een nachtje slapen per twee weken en een weekendregeling van eens in de twee weken, waarbij er tenminste vier evaluatiemomenten zullen zijn tussen de GI, de vader en zijn ambulant begeleider, met als uiteindelijk doel om tot een uitbreiding van de reguliere omgangsreling te komen, namelijk de helft van de vakanties en de feestdagen. Uiterst subsidiair verzoekt de vader het hof te bepalen dat de raad conform artikel 810a Rv opnieuw onderzoek doet naar een passende omgangsregeling tussen de kinderen en de vader.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 november 2015, heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. De GI verzoekt het hof het door de vader ingediende beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 2 oktober 2015 een brief van 1 oktober 2015 van de raad;

- op 26 oktober 2015 een journaalbericht van 22 oktober 2015 namens mr. Sneper met bijlage;

- op 25 november 2015 een journaalbericht van 24 november 2015 van mr. Sneper met bijlagen.

2.4

Op 11 januari 2016 is de minderjarige [de minderjarige1] (hierna te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2000, verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof is gehoord.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 11 januari 2016 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI is mevrouw [C] (gezinsvoogd) verschenen. Daarnaast is de moeder verschenen.

Mr. Sneper heeft het woord ter zitting mede gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn tweemaal met elkaar gehuwd geweest. Uit hun huwelijken zijn [de minderjarige1] , en [in] 2005, [de minderjarige2] (hierna te noemen: [de minderjarige2] ) geboren.

3.2

Bij beschikking van 24 augustus 2011 is de vader ontheven van het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

3.3

Bij beschikking van 9 oktober 2014 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (wederom) onder toezicht gesteld. Eveneens bij beschikking van 9 oktober 2014 is een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld van eenmaal per veertien dagen, waarbij het aantal contacturen en de mate van begeleiding door de gezinsvoogd zullen worden bepaald.

3.4

Bij verzoekschrift van 24 juni 2015, ter griffie van de rechtbank ingekomen op

25 juni 2015, heeft de GI de rechtbank verzocht de omgangsregeling te wijzigen in een omgang van drie dagen per jaar, waarbij er te allen tijde een andere volwassene bij de omgang aanwezig is om de veiligheid van de kinderen te waarborgen en waarbij het aantal contacturen en de mate van begeleiding door de jeugdzorgwerker bepaald zullen worden.

3.5

De vader heeft verweer gevoerd en bij wijze van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht om de omgangsregeling uit te breiden met de helft van de vakanties en de feestdagen, subsidiair de zaak zes maanden aan te houden om de omgangsregeling weer (naar het hof begrijpt:) vanaf het begin volgens het advies van de raad op te bouwen, te weten vier zaterdagen in de maand, met opbouw naar een weekendregeling van eens in de twee weken, waarna een evaluatie plaatsvindt om tot uitbreiding van de omgangsregeling over te gaan, te weten de helft van de vakanties en de feestdagen.

3.6

Bij de bestreden beschikking van 27 juli 2015 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, bepaald dat de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen als bepaald in de beschikking van 9 oktober 2014 als volgt wordt gewijzigd:

- zes dagen per jaar, waarbij er te allen tijde een andere volwassene bij de omgang aanwezig is om de veiligheid van de kinderen te waarborgen, waarbij het aantal contacturen en de mate van begeleiding door de jeugdzorgwerker bepaald zullen worden. De kinderrechter heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind (artikel 1:377a BW). Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van een ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW).

4.2

Niet in geschil is dat de de vader recht heeft op omgang met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , maar over de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven verschillen partijen van mening. Vóór de bestreden beschikking verbleven de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagmiddag 17.00 uur bij de vader. De vader kan zich niet verenigen met de zeer beperkte omgangsregeling die de rechtbank op verzoek van de GI heeft vastgesteld. De vader acht het verzoek van de GI prematuur en niet in het belang van de kinderen. De omgang heeft volgens hem van oktober 2014 tot januari 2015 goed gelopen en er hebben in die periode maar twee evaluatiegesprekken plaatsgevonden. De vader is van mening dat het niet terecht is dat hem geen kans is geboden om aan de aandachtspunten te werken. Hij betwist dat hij beide kinderen belast. De vader is voorts van mening dat, indien er zorgen zouden zijn over zijn opvoedingsvaardigheden, hij hieraan kan werken zonder dat de omgang zo drastisch hoeft te worden beperkt. De vader stelt dat hij zich coöperatief opstelt en altijd open staat voor gesprekken met de GI.

4.3

De GI is van mening dat de vader de kinderen belast met volwassenenproblematiek. De ervaring van de GI door de jaren heen is dat de vader telkens belooft zijn gedrag - het belasten van de kinderen met volwassenenproblematiek - te gaan veranderen, maar dat het hem niet lukt dit vol te houden. De GI is van mening dat de vader niet leerbaar is en voortdurend aangestuurd moet worden. Daarnaast is de GI van mening dat de vader zich niet coöperatief opstelt.

4.4

Het hof stelt voorop dat de zorgen van de GI over de fysieke veiligheid van de kinderen bij de vader met name zijn gebaseerd op het feit dat de vader een zelfmoordpoging zou hebben ondernomen. Ter zitting is duidelijk geworden dat de GI de passage over de vermeende zelfmoordpoging van de vader, na een hieromtrent gevoerde klachtprocedure, uit de stukken zou verwijderen. Dit is echter niet gebeurd. Sterker nog, in het verweerschrift wordt hier ook nog aan gerefereerd. Het hof acht dit kwalijk en is van oordeel dat met het wegvallen van deze vermeende zelfmoordpoging de zorgen over de fysieke veiligheid van de kinderen bij de vader dienen te worden gerelativeerd.

4.5

Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is voor het hof echter wel duidelijk dat de vader zorgelijk gedrag vertoont en de kinderen met zijn gedragingen belast. De vader doet zowel in het bijzijn van de kinderen als via WhatsApp-contact met [de minderjarige1] zorgelijke uitspraken over de moeder, heeft [de minderjarige1] in een auto laten rijden terwijl [de minderjarige2] achterin zat en zoekt midden in de nacht contact met [de minderjarige1] via WhatsApp. Voorts is er onduidelijkheid over pillen, volgens de vader voedingssupplementen, die de vader aan [de minderjarige2] heeft verstrekt tijdens een bezoek van de kinderen aan de vader. Aan de andere kant lijken de kinderen wel te genieten van de omgang met hun vader en heeft [de minderjarige1] tijdens zijn gesprek met het hof aangegeven het liefst eenmaal per veertien dagen een weekend bij zijn vader te verblijven. Het hof ziet in de hiervoor beschreven zorgen over het gedrag van de vader en de invloed hiervan op het welzijn van de kinderen wel aanleiding om de omgangsregeling tussen de kinderen en de vader te wijzigen, maar niet zo drastisch als de kinderrechter heeft gedaan. Het hof zal de bestreden beschikking daarom vernietigen en bepalen dat de in de beschikking van 9 oktober 2014 vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en de kinderen wordt gewijzigd. De kinderen zullen de vader een dag per maand bezoeken, waarbij de dag waarop het bezoek plaatsvindt en de duur van het bezoek zullen worden bepaald door de GI. Deze bezoeken dienen (vooralsnog) begeleid plaats te vinden. Na zes maanden dient er een evaluatie van deze bezoeken met de GI plaats te vinden. Tijdens deze evaluatie dient ook gekeken te worden naar de individuele behoeftes van de kinderen. De vader krijgt zo de kans om aan zijn gedrag te werken en te laten zien dat hij in staat is om zich te onthouden van belastende uitspraken over de moeder. Als de vader laat zien dat hij de kinderen niet meer belast en tijdens deze bezoeken handelt in het belang van de kinderen, dan ligt het voor de hand om de omgangsregeling na deze zes maanden te wijzigen in een onbegeleid contact en de regeling geleidelijk uit te breiden naar de situatie waarin de kinderen (of één van de kinderen) een weekend per maand of misschien zelfs per twee weken bij de vader verblijven. Het hof benadrukt met klem dat het nu aan de vader is om zich, in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , als een verantwoordelijk vader te gedragen zodat de kinderen een frequent onbelast contact met hem kunnen hebben.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als volgt.

6. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 27 juli 2015;

wijzigt de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen zoals deze is vastgelegd in de beschikking van 9 oktober 2014 en stelt een omgangsregeling tussen de vader en

[de minderjarige1] , geboren [in] 2000, en [de minderjarige2] , geboren [in]

2005, vast waarbij de vader een dag per maand begeleide omgang met de kinderen heeft, waarbij de dag waarop en de duur zullen worden bepaald door de GI;

bepaalt dat deze omgangsmomenten na zes maanden zullen worden geëvalueerd, waarbij gekeken zal worden of de omgang vervolgens onbegeleid kan plaatsvinden en of de omgangsmomenten kunnen worden uitgebreid naar een weekend per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. A.E.F. Hillen en

mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

4 februari 2016 in bijzijn van de griffier.