Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10348

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
200.201.014/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG nakoming contactregeling met betrekking tot 15-jarige zoon. De zoon woont bij de vader. Moeder vraagt veroordeling tot nakoming contactregeling onder verbeurte van dwangsommen. Haar vordering wordt ook in hoger beroep afgewezen omdat de vrouw, anders dan de man, de zoon om moeilijk te doorgronden redenen als pion gebruikt in haar ruzie met de man. Veroordeling van de vrouw in de proceskosten in hoger beroep, gelet op de aard van het gedrag van de vrouw in dit geschil, de centrale en sturende rol die zij in het conflict inneemt, en het feit dat zij voor dat alles blind lijkt te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.201.014/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/421431 / KL ZA 16-282)

arrest in kort geding van 20 december 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. R.F.P. Scheele, kantoorhoudend te Rotterdam, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: de man,

advocaat: mr. J.M. Wigman, kantoorhoudend te 's-Gravenhage, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 12 september 2016 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 8 oktober 2016 (met grieven),

- de memorie van antwoord,

de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op de beschikbare stukken.

2.3

De vrouw vordert in het hoger beroep, kort weergegeven, vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing alsnog van haar vordering.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rechtsoverweging 2.1 van het bestreden vonnis. Het volgende staat in hoger beroep vast.

3.2

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Het minderjarige kind van de man en de vrouw is [de minderjarige], geboren [in]

2001 in de gemeente [C] (hierna de zoon te noemen).

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 31 juli 2014 is de man, naast de vrouw, belast met het gezag over de zoon en is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de zoon bij de man zal zijn. De zoon is bij die beschikking onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar. Verder is bepaald dat de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vrouw en de zoon als volgt zal zijn: de duur van de frequentie van de contactregeling zal door de gezinsvoogd in overleg met partijen worden bepaald, waarbij als uitgangspunt geldt: in elk geval een weekend per 14 dagen, zoals de minderjarige zelf ook graag wenst.

3.4

De ondertoezichtstelling van de zoon is eenmaal verlengd tot 31 januari 2016. Bij beschikking van 28 januari 2016 is het verzoek van Samen Veilig Midden-Nederland tot het opnieuw verlengen van de ondertoezichtstelling afgewezen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

De vordering van de vrouw in eerste aanleg in conventie strekte - kort weergegeven - tot naleving, onder verbeurte van een dwangsom, van de hiervoor genoemde contactregeling. De voorzieningenrechter heeft die vordering afgewezen en heeft de reconventionele vordering van de man tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van 31 juli 2014, voor zover het betreft de zorgregeling, toegewezen, zij het voor de duur van een jaar.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Met de grieven wordt de beoordeling van het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd. Daarbij stelt het hof voorop dat de tussen partijen geldende contactregeling moet worden nagekomen, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich tegen onverkorte nakoming verzetten. Bij deze beoordeling staat het belang van de zoon centraal. Voorts oordeelt het hof als volgt.

5.2

Uit de beschikbare rapportages en het gesprek dat de raadsheer-commissaris in dit kort geding met de zoon heeft gehad, is enerzijds aannemelijk geworden dat de zoon in het gezin van de man een veilige en zorgzame omgeving heeft gevonden. Er is geen enkele aanwijzing dat de man hem gebruikt om het conflict met zijn moeder uit te vechten. Het hof heeft, integendeel, de overtuiging gekregen dat de man zijn zoon juist zoveel mogelijk uit deze strijd wil houden. Voor het welbevinden van de zoon en voor zijn schoolprestaties is dat van groot belang, omdat de afgelopen jaren duidelijk hebben gemaakt dat hij heeft geleden onder de strijd die tussen zijn ouders gaande is.

5.3

Anderzijds is duidelijk dat de vrouw haar zoon wel voortdurend als pion in de strijd heeft gebruikt en dat het haar in dat opzicht volledig aan zelfinzicht ontbreekt. Er is bij haar sprake van een terugkerend patroon van dwangmatige en destructieve communicatie met beschuldigingen en verdachtmakingen, ook aan het adres van haar zoon. De overwegend verbale agressie die met dat alles gepaard gaat, is opvallend. Zo heeft de vrouw in e-mailcontacten met haar (op dat moment 12-jarige) zoon beweerd dat vader probeert haar uit het leven van hem (haar zoon) te krijgen, dat zij zich door haar zoon bedreigd voelt, dat hij de enige persoon is die er later de dupe van gaat worden als hij zijn moeder kwijtraakt, dat mensen die van hem houden een afkeer van hem kunnen gaan krijgen, dat vader hem onterecht met leugens en op een valse manier bij haar heeft weggehaald, dat vader geen tijd voor zijn zoon heeft, hem niet verzorgt en dat vader ontzettend veel liegt. Zij vraagt haar zoon tegen de huidige partner van vader te zeggen dat zijn moeder haar zielig vindt, dat ze het kind van een ander gedwongen in huis houdt met zwarte magie, dat dit kutwijf duidelijker moet doen wat ze wil, en dat het feit nooit zal veranderen dat haar zoon uit de kut van zijn moeder is gekomen. Ter zitting is het blijkens de reactie van de moeder op indringende vragen van het hof hierover duidelijk geworden dat het niet in haar vermogen ligt om in te zien hoe schadelijk deze houding is. Evenmin ziet zij in dat het niet de man is, maar juist zijzelf, die haar zoon beschadigt door hem in een moeilijk te doorgronden strijd onder druk te zetten en te belasten met schuldgevoelens.

5.4

Dit beeld wordt bevestigd door de overgelegde rapportages, met name het rapport van de bijzondere curator. Diens rapport, dat dateert van 16 december 2015 - en dat dus nog betrekkelijk recent is - bevat een door de zoon gegeven beschrijving van de omstandigheden waarin hij bij zijn moeder is opgegroeid. Hij woonde tot zijn 12e jaar bij zijn moeder. Hij zou al op zeer jonge leeftijd door haar zijn geslagen, voor duivelskind zijn uitgemaakt, zijn opgesloten en dagenlang alleen gelaten. De bijzondere curator constateert weliswaar dat het voor hem onmogelijk is om vast te stellen wat de waarheid is. Hij merkt echter tegelijkertijd ook op dat de zoon bij herhaling een min of meer constant verhaal vertelt over wat hij bij zijn moeder heeft meegemaakt. Bij het doorvragen is hij in staat zijn beschrijving en het beeld dat hij daarbij oproept reëel te laten zijn. Daarnaast is hij op een leeftijd waarbij men de verwachting mag hebben dat er minimaal een kern van waarheid moet zitten in wat hij vertelt, aldus de bijzondere curator. Mede gelet op het feit dat de raadsheer-commissaris de zoon uitgebreid heeft gesproken, waarbij hij heeft verteld dat zijn verhaal aan de bijzondere curator klopt, acht het hof het waarschijnlijk dat hij over zijn verleden inderdaad de waarheid heeft verteld.

5.5

Voorts staat vast dat, zoals de voorzieningenrechter ook heeft vastgesteld, een gedwongen kader (OTS) niet heeft kunnen bewerkstelligen dat de zorgregeling wordt nagekomen, waarbij de toenmalige gezinsvoogd het standpunt innam dat de zoon niet tot omgang met moeder gedwongen moet worden. De zoon - die inmiddels 15 jaar oud is en er blijk van heeft gegeven zijn positie met enige afstand en op een verstandige manier te kunnen beoordelen - volhardt in zijn standpunt dat hij niet langer bereid is tot enige omgang met moeder. Aan de raadsheer-commissaris heeft hij aangegeven dat hij door haar gedrag inmiddels de deur die eerder op een kier stond, nu dicht heeft gedaan. Ook heeft hij verteld dat de procedures over de omgang hem belemmeren in zijn pogingen zijn Vwo-diploma te halen om zo zijn droom om te gaan studeren waar te kunnen maken.

5.6

Hetgeen hiervoor is besproken laat geen andere conclusie toe dan dat in dit geval zwaarwegende omstandigheden bestaan die zich tegen onverkorte nakoming van de bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 31 juli 2014 bepaalde zorgregeling verzetten. De met de grieven bestreden analyse die de Raad voor de Kinderbescherming op de zitting van de voorzieningenrechter van de ontstane impasse heeft gegeven, is daarmee geheel in lijn. Aan de juistheid van die analyse behoeft dus niet te worden getwijfeld. Dat in enig opzicht sprake is van strijdigheid met een goede procesorde, zoals de vrouw verder aanvoert, is niet aannemelijk gemaakt. Een en ander betekent dat de grieven falen.

5.7

De aard van het gedrag van de vrouw in dit geschil, de centrale en sturende rol die zij in het conflict inneemt, en het feit dat zij voor dat alles blind lijkt te zijn, rechtvaardigen dat zij in dit hoger beroep in de proceskosten van de man wordt veroordeeld (tariefgroep II, 3 punten).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van 12 september 2016 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de man vastgesteld op € 314,- voor verschotten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. D.J. Keur en mr. J.G. Idsardi en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 20 december 2016.