Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10337

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
200.158.211/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad. Heeft de Staat onrechtmatig gehandeld door beslag ex artikel 94a Sv te leggen en/of te laten voortduren op een kentekenbewijs?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.158.211/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2614619\CV EXPL 13-11401)

arrest van 20 december 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

De Staat der Nederlanden, meer speciaal het Ministerie van Veiligheid en Justitie,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Staat,

advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke, kantoorhoudend te 's-Gravenhage.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 18 juli 2014 dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter), heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 oktober 2014,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellante] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van 18 juli 2014 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de Staat te veroordelen om aan [appellante] te voldoen een bedrag van € 25.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 22 november 2013, alsmede de Staat te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de (tussen partijen niet ter discussie staande) feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het bestreden vonnis. Deze feiten, aangevuld met hetgeen in hoger beroep is komen vast te staan, luiden als volgt.

3.2.

Op 7 april 2010 heeft [appellante] , handelende onder de naam [B] , een Volkswagen Passat met het kenteken [YY-000-Y] (hierna: de auto) van Autobedrijf Pheifer B.V. gekocht tegen een koopprijs van € 31.400,-. [appellante] heeft ter voldoening van die koopprijs een bedrag van € 6.700,- uit eigen middelen voldaan. Het resterende bedrag is gefinancierd door Omni Lease B.V.

3.3.

[appellante] heeft ter financiering van het restant met Omni Lease een financieel leasecontract gesloten voor de duur van 60 maanden. In dit contract is onder andere bepaald dat Omni Lease onmiddellijk nadat de auto door de leverancier aan [appellante] is geleverd, van [appellante] de eigendom van de auto verkrijgt, terwijl [appellante] de auto van Omni Lease in lease verkrijgt. [appellante] is voorts met Omni Lease een 'mantelovereenkomst' aangegaan, waarin onder andere is bepaald dat [appellante] gebruik kan maken van de auto, dat zij alle risico's draagt met betrekking tot verlies, vernietiging of van schade aan de auto en dat de eigendom naar [appellante] overgaat bij betaling van de laatste termijn. [appellante] heeft de auto tevens aan Omni Lease verpand.

3.4.

In augustus 2011 is [appellante] met de auto naar Marokko gereisd. Zij is per vliegtuig naar Nederland teruggekeerd en heeft de auto in Marokko achtergelaten.

3.5.

[C] is de partner van [appellante] . Op 14 oktober 2011 is door de rechter-commissaris een machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek jegens [C] . Op 3 januari 2012 is [C] door de politie aangehouden en heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [appellante] , tevens verblijfplaats van [C] . Bij die gelegenheid is onder meer het kentekenbewijs deel 1 en deel 1B (hierna: het kentekenbewijs) van de auto in beslag genomen.

3.6.

[appellante] heeft op 13 januari 2012 op basis van artikel 552a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bezwaar ingediend tegen het uitblijven van een last tot teruggave van het kentekenbewijs. Bij beslissing van 7 maart 2012 heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) [appellante] niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar onder de navolgende motivering:
"Het is in onderzoek in raadkamer niet aannemelijk geworden dat klaagster enig zakelijk recht op de auto kan doen gelden. Daarmee is evenmin aannemelijk geworden dat klaagster enig zakelijk recht op het kentekenbewijs heeft. Het kentekenbewijs is immers verbonden aan bedoelde auto. Klaagster kan daarom niet als rechthebbende in de zin van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering worden beschouwd.”

3.7.

[appellante] heeft cassatie ingesteld tegen deze beslissing en de Hoge Raad heeft bij beschikking van 18 juni 2013 de beslissing van de rechtbank van 7 maart 2012 vernietigd met de overweging dat de rechtbank [appellante] ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt, omdat ook degene die een persoonlijk recht heeft op teruggave van het inbeslaggenomen goed kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv. De Hoge Raad heeft de zaak naar de rechtbank terugverwezen.

3.8.

Op 6 februari 2012 is [appellante] aangehouden ter zake van valsheid in geschrifte en witwassen. Bij vonnis van 23 juli 2013 is [appellante] door de rechtbank veroordeeld wegens PGB- en uitkeringsfraude.

3.9.

Bij vonnis van 26 juli 2012 is [C] ter zake van diverse misdrijven veroordeeld tot gevangenisstraf en is een vordering van een benadeelde partij tot een bedrag van € 949.929,18 toegewezen. Met betrekking tot het in beslag genomen kentekenbewijs is daarbij geoordeeld dat dit dient te worden bewaard, nu dit nog van belang kan zijn met betrekking tot het strafrechtelijk financieel onderzoek. Bij arrest van 28 juni 2013 van dit hof is [C] in hoger beroep veroordeeld tot gevangenisstraf en is een vordering van een benadeelde partij tot een bedrag van € 843.500,- toegewezen. Het hof heeft daarbij teruggave gelast van het kentekenbewijs aan de rechthebbende.

3.10.

Op 18 juli 2013 heeft de advocaat-generaal bij dit hof een last tot teruggave aan Omnilease gegeven voor het in beslag genomen kentekenbewijs.

3.11.

Bij beslissing van 21 augustus 2013, in vervolg op de terugverwijzing door de Hoge Raad bij beschikking van 18 juli 2013, heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] als belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv kan worden aangemerkt en haar ontvangen in haar beklag. De rechtbank heeft voorts overwogen:
"Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het belang van de strafvordering zich thans nog verzet tegen teruggave van het kentekenbewijs. Ter zitting heeft de officier van justitie overgelegd een last tot teruggave d.d. 18 juli 2013, gegeven door de advocaat-generaal bij het ressortspakket Arnhem-Leeuwarden. Hierin is overwogen dat het belang van de strafvordering zich niet langer tegen teruggave verzet en is teruggave gelast aan de rechthebbende Omnilease B.V. Aangenomen mag worden dat deze last inmiddels tot uitvoer is gelegd of onverwijld tot uitvoer wordt gelegd. Dit brengt mee dat het klaagschrift gegrond is."

3.12.

[appellante] heeft het kentekenbewijs per 18 oktober 2013 weer in haar bezit.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad te veroordelen om aan haar te voldoen een bedrag van € 25.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.

4.2.

De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vordering van [appellante] afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1.

[appellante] heeft in hoger beroep één grief opgeworpen. Het hof begrijpt de stellingen van [appellante] aldus dat zij betoogt dat de Staat onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door op 3 januari 2012 beslag ex artikel 94a Sv te leggen op het kentekenbewijs van de auto, dan wel dit beslag (na 7 maart 2012) te laten voortduren. [appellante] is van mening dat de Staat de dientengevolge door haar geleden schade, door haar begroot op € 25.000,-, dient te vergoeden. Het hof leest, anders dan de Staat - zij het met enige aarzeling - doet, in de (toelichting op de) grief geen beroep op onrechtmatigheid vanwege onrechtmatige rechtspraak.

5.2.

Het hof stelt het volgende voorop. Vaststaat dat [appellante] gedurende de looptijd van de leaseovereenkomst slechts een persoonlijk recht heeft tot het gebruik van de auto. Op grond van het financieel leasecontract dat zij met Omni Lease heeft gesloten, heeft Omni Lease immers onmiddellijk nadat de auto door Autobedrijf Pheifer B.V. aan [appellante] was geleverd, de eigendom van de auto verkregen. Op grond van de tussen [appellante] en Omni Lease gesloten mantelovereenkomst kan [appellante] onder andere gebruik maken van de auto, draagt zij alle risico's met betrekking tot verlies, vernietiging van of schade aan de auto en gaat de eigendom van de auto naar haar over bij betaling van de laatste termijn en hetgeen overigens door [appellante] krachtens het leasecontract verschuldigd zal zijn. Zoals de rechtbank in de beslissing tot teruggave van 21 augustus 2013 terecht heeft overwogen, is de bestuurder van een motorrijtuig ingevolge artikel 160 Wegenverkeerswet 1994 jo. artikel 22 Kentekenreglement verplicht op eerste vordering van een opsporingsambtenaar deel I van het voor dat voertuig afgegeven kentekenbewijs behoorlijk ter inzage af te geven. Door het beslag was [appellante] niet meer in staat aan deze verplichting te voldoen en kon zij de auto in Nederland niet meer legaal gebruiken. [appellante] heeft derhalve belang bij haar vordering uit onrechtmatige daad, nu indien zal komen vast te staan dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door beslag te leggen op het kentekenbewijs van de auto, de Staat (ook) een inbreuk heeft gemaakt op het persoonlijk recht tot gebruik van de auto door [appellante] .

5.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het beslag dat op 3 januari 2012 op het kentekenbewijs van de auto is gelegd, een beslag ex artikel 94a Sv betreft. Dit kan eveneens worden afgeleid uit de conclusie van Procureur-Generaal d.d. 26 maart 2013 (ECLI:NL:PHR:2013:CA3305) bij de beschikking van de Hoge Raad d.d.
18 juni 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA3305), waarin de Procureur-Generaal verwijst naar het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting in raadkamer naar aanleiding van het klaagschrift d.d. 13 januari 2012 van [appellante] waaruit kan worden afgeleid dat zowel de raadsman van [appellante] als de officier van justitie ervan uitgaat dat het beslag is gelegd ex artikel 94a Sv. Ook in de beslissing van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank d.d. 21 augustus 2013 is overwogen dat het kentekenbewijs ex artikel 94a Sv in beslag is genomen.

5.4.

Artikel 94a Sv voorziet in een regeling om onder voorwaarden conservatoir beslag te leggen op voorwerpen van waarde teneinde de inning van een geldboete of van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel veilig te stellen. Artikel 94a lid 1, 2 en 3 Sv biedt de mogelijkheid bij verdenking van een misdrijf (onder voorwaarden) voorwerpen in beslag te nemen, terwijl artikel 94a lid 4 Sv (artikel 94a lid 3 Sv (oud)) de mogelijkheid biedt onder voorwaarden onder derden beslag te leggen (het zogenaamde 'anderbeslag').

5.5.

In het onderhavige geval is het kentekenbewijs van de auto onder [C] inbeslaggenomen in het kader van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat jegens hem was ingesteld. Vaststaat dat het kentekenbewijs niet aan [C] in eigendom toebehoorde, zodat het beslag is gelegd op goederen van een derde. Dit enkele gegeven maakt de inbeslagname echter niet zonder meer onrechtmatig. Het hof is van oordeel dat ten tijde van de inbeslagname op 3 januari 2012 er in ieder geval sprake was van een rechtmatig beslag. Daartoe is redengevend dat het kentekenbewijs onder [C] in beslag is genomen in de woning waar hij zijn vaste verblijfplaats had. Aldus bestond voor de officier van justitie het gerechtvaardigd vermoeden dat [C] rechthebbende op het kentekenbewijs was en bood artikel 94a lid 3 Sv, inhoudende dat in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, voorwerpen in beslag kunnen worden genomen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr, de juridische grondslag voor deze beslaglegging. Een en ander met dien verstande dat het verhaalsobject niet het kentekenbewijs als zodanig was, maar de auto waar dit op betrekking heeft.
Teneinde te beoordelen of en tot op welk moment de voortduring van het beslag rechtmatigheid is geweest, is van belang op welk moment duidelijk was, althans had moeten zijn, dat [C] geen rechthebbende op het betreffende voertuig was, en artikel 94a lid 3 Sv derhalve geen grondslag voor beslaglegging (meer) bood. Naar het oordeel van het hof was ten tijde van de verhoren op 3 januari 2012 en 13 januari 2012 nog niet zonder meer duidelijk dat de auto niet (mede) aan [C] in eigendom toebehoorde, immers heeft [C] tijdens deze verhoren tegenstrijdig verklaard over de eigendomspositie. Vervolgens heeft [appellante] op 13 januari 2012 een klaagschrift ex artikel 552a Sv bij de rechtbank ingediend, gericht tegen het uitblijven van een last tot teruggave van het kentekenbewijs. Blijkens de beslissing van de enkelvoudige raadkamer d.d. 7 maart 2012 is tijdens de behandeling van dit klaagschrift in raadkamer - op 8 februari 2012 - naar voren gekomen dat de auto waar het kenteken betrekking op had op 7 april 2010 door autobedrijf Pheifer in huurkoop is verkocht aan [appellante] en dat deze koop gedeeltelijk is gefinancierd door middel van een leascontract met Omni Lease. De rechtbank heeft naar aanleiding van die informatie in haar beslissing d.d. 7 maart 2012 geoordeeld dat de auto naar haar voorlopig oordeel eigendom is van Autobedrijf Pheifer en/of Omni Lease. Aldus overweegt het hof dat in ieder geval op 8 februari 2012 voor de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank duidelijk was dat [appellante] een beter recht had op de auto en dat [C] niet als rechthebbende had te gelden. Zodoende kwam de artikel 94a lid 3 Sv grondslag aan de inbeslagname van het kentekenbewijs te ontvallen. Ook het 'anderbeslag' van artikel 94a lid 4 Sv bood (vervolgens) geen grondslag voor inbeslagname, nu dit enkel kan worden gelegd op voorwerpen die toebehoren aan een ander, indien voldoende aanwijzingen bestaan dat de in beslag te nemen voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, terwijl die ander dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. Vast staat immers dat [C] nimmer eigenaar van de auto (en dus van het kentekenbewijs) is geweest. Dat betekent dat ook artikel 94a lid 4 Sv geen grondslag voor inbeslagname bood.

5.6.

Volgens vaste jurisprudentie is de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel als inbeslagname onrechtmatig indien het dwangmiddel is toegepast in strijd met de wet, dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten. Nu gelet op het vorenoverwogene vanaf 8 februari 2012 aan de inbeslagname een wettelijke grondslag ontbreekt, is de Staat dientengevolge aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door het laten voortduren van de toepassing van dit strafvorderlijke dwangmiddel.

5.7.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de grief van [appellante] slaagt. Of dit haar ook kan baten zal blijken uit het navolgende, waar het hof, gelet op de devolutieve werking van het appel, de in eerste aanleg aangevoerde maar onbesproken verweren van de Staat zal behandelen.

5.8.

[appellante] heeft gesteld dat zij ten gevolge van het onrechtmatig handelen van de Staat schade heeft geleden. Deze schade bestaat volgens haar uit de volgende posten:
- betaalde leasetermijnen in januari 2012 tot en met oktober 2013 ad € 11.280,06;
- afschrijvingskosten op basis van een lineaire afschrijving over vijf jaar ad € 11.251,67;
- betaalde autoverzekering ad € 1.091,40;
- vier vliegtickets op 6 januari 2012 ad € 669,68;
- vier vliegtickets op 25 januari 2012 ad € 912,30;
- douanekosten ad € 3.583,33.
Om haar moverende redenen heeft [appellante] haar vordering beperkt tot € 25.000,-.

5.9.

Ten aanzien van de gevorderde leasetermijnen, de afschrijvingskosten en de autoverzekering overweegt het hof dat het causaliteitsverweer van de Staat, inhoudende dat de verschuldigdheid van deze bedragen niet het gevolg is van het onrechtmatig handelen van de Staat, slaagt. In dit kader overweegt het hof dat [appellante] en/of [C] de auto zelf naar Marokko hebben overgebracht en daar hebben laten staan, terwijl uit niets blijkt dat [appellante] reeds voor de inbeslagname het voornemen had de auto terug te halen naar Nederland.
Ten aanzien van de opgevoerde kosten van de vliegtickets d.d. 6 januari 2012 overweegt het hof dat deze tickets zijn geboekt op naam van [C] terwijl niet is onderbouwd dat deze kosten voor rekening van [appellante] zijn gekomen, zodat deze schadepost alleen al om die reden niet voor toewijzing in aanmerking komt.
vordert tot slot douanekosten en vergoeding van de kosten van vier vliegtickets d.d. 25 januari 2016 die [appellante] heeft moeten gebruiken 'teneinde de zaken met de douane te kunnen regelen'. Nu [appellante] heeft nagelaten te stellen dat de (beweerdelijke) kosten van de douane, alsmede de in dat kader gemaakte reiskosten, schade betreft die niet zou zijn ontstaan indien geen beslag zou zijn gelegd op het kentekenbewijs , zodat tussen het onrechtmatig handelen van de Staat en deze schadepost causaal verband bestaat, heeft [appellante] op dit punt niet voldaan aan de op haar rustende stelplicht.

5.10.

De conclusie luidt dat de door [appellante] gevorderde schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt. De vordering van [appellante] dient dan ook te worden afgewezen.

6 De slotsom

6.1.

Het hof zal het bestreden vonnis, zij het op andere gronden, bekrachtigen.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen (1 punt, tarief III).

6.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 18 juli 2014;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 1.920,- voor verschotten en op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening.

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, H. de Hek en J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op dinsdag 20 december 2016.