Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10312

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
21-005108-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De feiten die ten grondslag liggen aan de ontnemingsvordering zijn gepleegd (in periodes gelegen) vóór de inwerkingtreding van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming van 31 maart 2011.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming blijkt dat de bedoeling van de wet is om de mogelijkheden te vergroten om wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen en daarnaast de tenuitvoerlegging daarvan te vergemakkelijken. Deze toelichting geeft aan dat sprake is van een gewijzigd inzicht, waarbij de wetgever niet alleen veranderingen van processuele aard op het oog heeft. Het hof is van oordeel dat sprake is van een wijziging van wetgeving in de zin van artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Dit geldt ook voor het in het nieuwe lid 3 geïntroduceerde wettelijke bewijsvermoeden. Dit bewijsvermoeden, waarbij het aangetroffen vermogen van de veroordeelde of diens historische uitgaven als uitgangspunt kunnen worden genomen, en waarbij - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - kan worden vermoed dat uitgaven gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het feit wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, betekent in zoverre een wijziging van de regelgeving ten nadele van de veroordeelde.

Gelet op het hiervoor overwogene en het beginsel van verbod van terugwerkende kracht is het hof van oordeel dat - gelet op de pleegdata van de hier aan de orde zijnde feiten - de oude bepalingen van 36e Sr in beginsel van toepassing zijn, tenzij toepassing van de nieuwe bepalingen voor de veroordeelde gunstiger zouden uitpakken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/31

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005108-13

Uitspraak d.d.: 5 oktober 2016

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland van 7 mei 2013 met parketnummer 05-900842-10 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 29 juli 2014, 2 april 2015 en 24 augustus 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman, mr. K.H.T. van Gijssel, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 1.889.771,00 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van hetzelfde bedrag.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel (afgerond en rekening houdend met het verstreken tijdsverloop) wordt geschat op € 1.400.000,- en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van hetzelfde bedrag.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij vonnis van rechtbank Gelderland van 26 juni 2012 (parketnummer 05-900842-10) terzake van onder meer de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten:

Onder 1:

Op 3 juni 2011: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

Onder 2:

Op tijdstippen in de periode januari 2011 tot en met 3 juni 2011: Om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,

- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen,

- stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

Onder 3: In de periode juli 2008 tot en met 3 juni 2011: Witwassen, meermalen gepleegd;

onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

Bij de beslissing op de ontnemingsvordering houdt het hof rekening met:

 Het door Bureau Financiële Recherche van politie Gelderland-Midden in het onderzoek ‘Witblits’ opgestelde rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt en gesloten op 15 oktober 2012 - en de daarbij gevoegde 96 bijlagen - ;

 een memorie van antwoord van het openbaar ministerie gedateerd 19 maart 2015;

 een conclusie van antwoord van de raadsman mr van Gijssel (niet gedateerd);

 een schrijven van de raadsman met op de eerste pagina vermeld ‘In verband met de regiezitting’ met - onder meer - een opgave van onderzoekswensen, gedateerd 2 april 2015, toegezonden 16 april 2015;

 het standpunt van het OM met betrekking tot de onderzoekswensen van de verdediging, gedateerd 31 juli 2015;

 het tussenarrest van het hof van 26 augustus 2015;

 de verhoren van de getuigen bij de raadsheer-commissaris;

 het op schrift gestelde requisitoir van de advocaat-generaal, voorgedragen ter terechtzitting van 24 augustus 2016;

 de op schrift gestelde pleitnotitie van de verdediging voor de zitting van 24 augustus 2016;

 het verhandelde tijdens de terechtzittingen in hoger beroep.

Overwegingen vooraf ten aanzien van het verweer in verband met de inwerkingtreding van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming op 1 juli 2011.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het lex certa-beginsel zich er tegen verzet dat het financiële onderzoek in het kader van de ontneming zich uitstrekt over de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 juni 2011 en dat geld wordt ontnomen over die gehele periode, omdat op basis van de destijds geldende wettelijke bepaling, artikel 36e Sr zoals deze gold tot 1 juli 2011, dit niet zou zijn toegestaan. Slechts bij een ontneming die betrekking heeft op feiten gepleegd na 1 juli 2011 mag het criterium van artikel 36e lid 3 Sr, het wettelijk bewijsvermoeden - waarbij kan worden vermoed dat uitgaven gedaan in een periode van zes jaar voorafgaand aan het plegen van het misdrijf wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen - worden toegepast, aldus de raadsman.

Door het nieuwe artikel 36e Sr toe te passen is de veroordeelde in een aanzienlijk nadeliger positie komen te verkeren hetgeen in strijd is met het verbod van terugwerkende kracht zoals dat voortvloeit uit artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, aldus de raadsman.

Standpunt van het Openbaar Ministerie.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de wetgever bij de wet Verruiming mogelijkheden voordeel ontneming geen overgangsrecht heeft bepaald, en dat daarom de normale uitgangspunten van toepassing zijn zoals die voortvloeien uit artikel 1 Sr.

De advocaat-generaal heeft voorts aangevoerd dat – voor zover moet worden aangenomen dat het bij de wetswijziging gaat om procedurele aspecten - het strafvorderlijk handelen in deze zaak op grond van de op 30 juni 2011 afgegeven machtiging heeft plaatsgevonden in de periode na 1 juli 2011, reden waarom het wettelijk bewijsvermoeden zoals dat geldt sinds 1 juli 2011 kan worden toegepast, ook voor periodes gelegen voor die datum.

De advocaat-generaal heeft daarnaast aangevoerd dat in geval van een kwalificatie van de wetswijziging als materiële wetswijziging geen sprake is van een gewijzigd inzicht in de strafwaardigheid, aangezien in de rechtspraak van voor 1 juli 2011 ook al werd uitgegaan van een redelijke en billijke verdeling van de bewijslast.

Overwegingen en beslissing hof ten aanzien van de toepasselijke bepalingen

Artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht is na de inwerkingtreding per 1 juli 2011 van de wet van 31 maart 2011 (Stb 2011, 171), de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming, aanzienlijk gewijzigd.

Bij deze wetswijziging is geen bijzondere overgangsregeling getroffen zodat het normale overgangsrecht van toepassing is zoals dat voortvloeit uit artikel 1 WSr en artikel 1 WSv.

Artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht luidt: “Bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, worden de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast.” Deze bepaling verbiedt de wetgever strafbaarstellingen te introduceren met een terugwerkende kracht.

Uit uitspraken van het Europees Hof volgt dat aan het begrip ‘penalty’ - zoals dat voorkomt in artikel 7 tweede volzin van het EVRM - een autonome, zelfstandige, uitleg wordt gegeven.

Voorts volgt uit de jurisprudentie van het Europese Hof dat bij de vraag welke wet moet worden toegepast in het geval van verandering van wetgeving na het plegen van het feit het belang van de verdachte doorslaggevend is.

Daarbij is in het kader van in het bijzonder ontnemingszaken is onder meer relevant een uitspraak van het Europese Hof van 9 februari 1995 1, waarin door het Hof de Britse confiscation order (die sterke overeenkomsten vertoont met de Nederlandse ontnemingsmaatregel) als een ‘penalty’ wordt aangemerkt. Toepassing van die maatregel, naar aanleiding van feiten die waren gepleegd voordat de betreffende wetgeving in werking was getreden, was daarom in strijd met artikel 7 EVRM. 2

De Hoge Raad heeft in het arrest van 12 juli 2011 (HR:2011:BP6878) naar aanleiding van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens inzake Scoppola tegen Italië3 zijn eerdere rechtspraak voor wat betreft veranderingen in de regels van het sanctierecht aangescherpt. In voornoemd arrest overweegt de Hoge Raad onder 3.6.1:

“Voor die regels, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, heeft voortaan te gelden dat een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang - en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van voor de wetswijziging begane strafbare feiten - moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt.”

Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat artikel 1 lid 2 Sr van toepassing is op wijzigingen in het sanctierecht en in de strafbaarstelling, waarbij geldt dat indien de wet wijzigt in principe het recht geldt zoals dat gold ten tijde van het begaan van het feit, tenzij de nieuwe bepaling voor de verdachte gunstiger is en om die reden direct van toepassing.

Ten aanzien van ontnemingszaken heeft de Hoge Raad in meerdere recente arresten geoordeeld dat het nieuwe lid 7 van artikel 36e Sr (betreffende hoofdelijke aansprakelijkheid voor nakoming van de betalingsverplichting) slechts mogelijk is voor voordeel genoten uit na de inwerkingtreding (op 1 juli 2011) van artikel 36e lid 7 gepleegde feiten, omdat sprake is van een wijziging van wetgeving ten aanzien van de regels van sanctierecht ten nadele van de betrokkene.4

In onderhavige zaak zijn de feiten die ten grondslag liggen aan de ontnemingsvordering gepleegd (in periodes gelegen) vóór de inwerkingtreding van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming van 31 maart 2011.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet verruiming mogelijkheden voordeelontneming blijkt dat de bedoeling van de wet is om de mogelijkheden te vergroten om wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen en daarnaast de tenuitvoerlegging daarvan te vergemakkelijken. Deze toelichting geeft aan dat sprake is van een gewijzigd inzicht, waarbij de wetgever niet alleen veranderingen van processuele aard op het oog heeft.

Het hof is van oordeel dat sprake is van een wijziging van wetgeving in de zin van artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit geldt ook voor het in het nieuwe lid 3 geïntroduceerde wettelijke bewijsvermoeden. Dit bewijsvermoeden, waarbij het aangetroffen vermogen van de veroordeelde of diens historische uitgaven als uitgangspunt kunnen worden genomen, en waarbij - behoudens aanwijzingen voor het tegendeel - kan worden vermoed dat uitgaven gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het feit wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, betekent in zoverre een wijziging van de regelgeving ten nadele van de veroordeelde.

Gelet op het hiervoor overwogene en het beginsel van verbod van terugwerkende kracht is het hof van oordeel dat - gelet op de pleegdata van de hier aan de orde zijnde feiten - de oude bepalingen van 36e Sr in beginsel van toepassing zijn, tenzij toepassing van de nieuwe bepalingen voor de veroordeelde gunstiger zouden uitpakken.

De oude bepalingen (artikel 36e Sr lid 1 tot en met 3) luiden:

  1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

  2. De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.

  3. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Het hof merkt nog op dat het bovenstaande in onderhavige zaak - anders dan door de raadsman betoogd - niet leidt tot een geheel andere uitkomst ten aanzien van het onderzoek en de te ontnemen bedragen.

Ook onder het oude recht bestaan immers, uit voornoemde bepalingen voortvloeiende, ruime mogelijkheden tot ontneming in het geval dat sprake is van een veroordeling voor feiten die bestraft konden worden met een geldboete van de vijfde categorie. De feiten waarvoor de veroordeelde in casu is veroordeeld voldoen aan deze eis.

Voorts kan op grond van lid 3 van het oude artikel 36e Sr aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie – gelijk hier aan de orde - een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, wederrechtelijk voordeel worden ontnomen indien aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er - op enigerlei wijze - toe hebben geleid dat wederrechtelijk voordeel is verkregen. Hierbij wordt geen gelimiteerde ‘terugrekentermijn’ genoemd.

Uit de Memorie van Toelichting volgt dat artikel 36e lid 3 Sr oud ziet op 'enigerlei andere wederrechtelijke verrijking, hoe en wanneer ook verkregen'. 5

Het hof ziet, anders dan door de verdediging bepleit, dan ook geen aanleiding om te bepalen - op grond van de oude, noch op grond van nieuwe bepalingen - dat de periode waarover wederrechtelijk voordeel wordt ontnomen moet worden ingekort tot een periode van drie jaar.

De kasopstelling.

Het rapport financieel onderzoek licht de reden voor (het gebruik van) de methode van de kasopstelling als volgt toe:6.

“Er zijn diverse aanwijzingen dat [veroordeelde] reeds meerdere jaren handelde in verdovende middelen. Er was geen volledig zicht op de wijze, sequentie, mate en frequentie van de handel in (bijvoorbeeld) verdovende middelen (zoals bijvoorbeeld benoemd in zaakdossiers 001 en 002), zodat het wederrechtelijk verkregen voordeel op deze wijze niet geëxtraheerd kon worden.”

Het hof acht de keuze voor het gebruik van de methode van de kasopstelling bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, gelet op de aard van de zaak en in het licht van het dossier en de jurisprudentie van de Hoge Raad 7 passend en gerechtvaardigd.

Overwegingen ten aanzien van de verweren met betrekking tot de berekening en de daarbij gebruikte methode ‘Eenvoudige kasopstelling’.

Standpunt raadsman

Tijdens de schriftelijke uitwisseling van conclusies en de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat de door het Bureau Financiële Recherche opgestelde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van methode van de kasopstelling onjuist is.

Daartoe is het volgende aangevoerd - zakelijk weergegeven - :

Het beginsaldo.

Het beginsaldo van de kasopstelling is ten onrechte gesteld op € 250,-. Dat saldo moet worden gesteld op € 435.585,- (waarvan weer moet worden afgetrokken een van de ouders geleend geldbedrag à € 105.000, zodat resteert € 330.585,- aan eigen geld). De grote bedragen contant geld die (in een garagebox) zijn aangetroffen bij start van het onderzoek betroffen – naast geld van zijn ouders - geld dat de veroordeelde in het verleden heeft gespaard o.a. door te werken. Zo was een deel van het bij [autobedrijf 1] verdiende salaris legaal (€ 15.000) en had de veroordeelde daarvoor € 50.000 gespaard. Een bedrag van € 105.000 dient aan de ouders worden teruggegeven.

De (fictieve) dienstverbanden

Door de veroordeelde wordt niet langer betwist dat sprake is geweest van gefingeerde dienstverbanden van de veroordeelde bij het autobedrijf [autobedrijf 1] B.V., en ten aanzien van zijn ex-partner [ex partner veroordeelde] bij [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.

De door de financiële recherche in de berekening opgenomen uitgaven met betrekking tot gefingeerde dienstverbanden dienen echter te worden bijgesteld en gematigd in het voordeel van de veroordeelde. De door de financiële recherche toegepaste opslagpercentages van 30 %, ofwel een factor van 1,3 wat betreft het gefingeerde dienstverband bij [autobedrijf 1] B.V. en, ten aanzien van de gefingeerde dienstverbanden van [ex partner veroordeelde] , van 93 %, ofwel een factor van 1,93 kloppen niet. Met [autobedrijf 1] had de veroordeelde de afspraak dat hij hem bovenop het salaris 8,5 % opslag zou betalen. Ook ten aanzien van de dienstverbanden van [ex partner veroordeelde] is een berekening met een factor 1,93 onbegrijpelijk; het opslagpercentage betrof in werkelijkheid 11 %. Dat [eigenaar autobedrijf] en [getuige 1] tijdens hun verhoren bij de raadsheer-commissaris geen openheid van zaken hebben willen geven, mag niet aan de veroordeelde worden tegengeworpen.

Contante uitgaven levensonderhoud

De door de financiële recherche bij de berekening van de kosten voor het levensonderhoud gehanteerde bedragen, aanzienlijk hoger dan het Nibud minimum, kloppen niet. Het totaalbedrag van € 129.104,72 dient in belangrijke mate naar beneden te worden bijgesteld. De veroordeelde leefde tamelijk sober en gaf gemiddeld niet meer dan € 250,- boven het Nibud-minimum uit aan levensonderhoud, geen € 1.000.

De financiële ondersteuning van [getuige 2]

Het bedrag van € 500,- dat de financiële recherche hanteert als maandelijkse financiële bijdrage van [getuige 2] door de veroordeelde is te hoog. De veroordeelde heeft bovendien niet meer dan € 2.000,- bijgedragen aan de borstvergrotende operatie van [getuige 2] . De periode waarin de veroordeelde financiële ondersteuning bood aan [getuige 2] was niet langer dan circa 10 (in plaats van 23) maanden.

Ten aanzien van de afpersing van [getuige 3]

Op geen enkele manier is gebleken dat de veroordeelde betrokkenheid heeft gehad bij bedreiging of afpersing van [getuige 3] en de gedwongen verkoop van diens auto.

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit hypotheekfraude

De koop van de woning aan het adres [adres 1] te [plaats 1] dateert van 15 december 1998, dus ver voor de periode waarover het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek zich uitstrekt. Er zijn geen aanwijzingen in het dossier dat de veroordeelde zich reeds in 1998 bezighield met het plegen van strafbare feiten en dat huis is aangekocht als gevolg van hypotheekfraude en de overwaarde in 2005 is ontstaan door het plegen van een strafbaar feit.

Voorts heeft de raadsman nog aangevoerd dat het te ontnemen bedrag dient te worden gematigd op de volgende gronden:

Beroep op schending van de redelijke termijn

Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep te weten met een periode van 3 jaar en 5 maanden na datum vonnis van de rechtbank.

Een en ander is onder meer het gevolg van de organisatorische gang van zaken rond de RHC-verhoren.

Draagkrachtverweer: de veroordeelde leeft van een uitkering. Reeds in dit stadium is duidelijk dat hij niet in staat zal zijn het volledige bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel terug te betalen.

De advocaat-generaal heeft in reactie op de verweren van de verdediging aangevoerd - zakelijk weergegeven - :

De (fictieve) dienstverbanden

De veroordeelde heeft rond de regiezitting in april 2015 erkend dat sprake is van fictieve dienstverbanden. Ten aanzien van het geld dat daarmee was gemoeid hebben de verhoren van de getuigen [autobedrijf 1] en [getuige 1] geen nieuw licht op de zaak geworpen. [getuige 1] heeft geweigerd te verklaren en [autobedrijf 1] heeft – in strijd met de verklaring van de veroordeelde – verklaard dat geen sprake was van een schijnconstructie.

Het oorspronkelijke standpunt van het openbaar ministerie ten aanzien van het wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van deze fictieve dienstverbanden blijft daarom ongewijzigd. Aannemelijk is dat de veroordeelde zijn eigen salaris en de werkgeverskosten contant heeft betaald aan het autobedrijf [autobedrijf 1] , waarmee

€ 412.048,72 was gemoeid, zoals opgenomen in het rapport.

Ten aanzien van de fictieve dienstverbanden van [ex partner veroordeelde] kan worden uitgegaan van het salaris dat [ex partner veroordeelde] jaarlijks opgaf aan de belastingdienst en werkgeverslasten, opslagen en overheadkosten berekend met een factor 1,93, waardoor het neerkomt op contante betalingen van in totaal (overeenkomstig het financieel rapport) € 97.208,31.

Contante uitgaven levensonderhoud

Anders dan door de verdediging bepleit is aannemelijk dat de veroordeelde, gezien zijn leefstijl met een grote hoeveelheid aan contante bestedingen, (ten minste) € 1.000 per maand méér besteedde aan uitgaven voor levensonderhoud dan het Nibud-minimum. Dit betreft een voorzichtige toeslag.

De contante uitgaven voor het levensonderhoud over de perioden van 1 januari 2005 tot en met 1 april 2007 (als gezin, met [ex partner veroordeelde] ) bedroegen tenminste (2.25 jaar x

€ 2.000,- per maand = ) € 54.000 en over de periode van 1 april 2007 tot 3 juni 2011 (als alleenstaande) (4.1725 jaar x € 1.500 per maand =) € 75.104.72, samen: € 129.104,72 overeenkomstig het rapport).

De financiële ondersteuning van [getuige 2]

Op grond van de getuigenverklaring van [getuige 2] omtrent de duur van de relatie wordt niet langer uitgegaan van een financiële ondersteuning door veroordeelde van [getuige 2] gedurende 23 maanden doch gedurende een periode van 9 maanden, zodat deze post (in het financieel rapport 23 x € 500- = € 11.500,- ) moet worden verminderd met een bedrag van (14 x € 500,- =) € 7.000 zodat resteert: € 4.500,- . Daarnaast is op grond van het dossier en gelet op de weigering van [getuige 2] om hierover te verklaren aannemelijk dat de veroordeelde de borstvergrotende operatie voor [getuige 2] volledig heeft vergoed.

Ten aanzien van de afpersing van [getuige 3]

De betrokkenheid van de veroordeelde bij de afpersing van [getuige 3] is op basis van het dossier voldoende aannemelijk. Het dossier geeft een opsomming van concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de veroordeelde betrokken is geweest bij de mishandeling van [getuige 3] en de verkoop van diens Audi Quattro RS 4, welke verkoop uiteindelijk € 30.000 heeft opgeleverd, en welk bedrag ten gunste is gekomen van de veroordeelde.

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit hypotheekfraude

Op grond van het dossier is voldoende aannemelijk dat de veroordeelde (en [ex partner veroordeelde] ) in 1998 een hypotheek hebben afgesloten door gebruikmaking van een valse werkgeversverklaring (van [bedrijf 3] . B.V.).

Aannemelijk is dat het ook bij [bedrijf 3] . B.V. gaat om een gefingeerd dienstverband. De overwaarde van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] à € 250.027,63 betreft daarom wederrechtelijk verkregen voordeel.

De redelijke termijn

Het tijdsverloop in hoger beroep is het gevolg van schikkingsonderhandelingen tussen OM en verdediging tussen 11 juli 2014 en 5 februari 2015 en het horen van getuigen bij de raadsheer-commissaris na tussenarrest, op verzoek van de verdediging.

Er is daarom geen sprake van ‘undue delay’, aldus de advocaat-generaal.

Aftrek in verband met verbeurdverklaring van goederen en geldbedragen.

Bij onherroepelijk geworden vonnis in de hoofdzaak zijn goederen en geldbedragen verbeurd verklaard. De waarde daarvan moet in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op basis van de huidige (gerealiseerde of getaxeerde) waarde gaat het om een totaal van

€ 401.484 (minus een bedrag van € 105.000,- zijnde een geldbedrag dat toebehoort aan de ouders van de veroordeelde), zodat resteert een bedrag van € 296.484,- .

Gelet op het inmiddels verstreken tijdsverloop bestaat er geen bezwaar om het te schatten bedrag naar beneden af te ronden tot € 1.400.000,- .

Overwegingen hof ten aanzien van de verweren.

Het hof overweegt als volgt.

T.a.v. het beginsaldo.

Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting aannemelijk is geworden dat de grote bedragen contant geld - tijdens het financieel onderzoek aangetroffen in een garagebox - inkomsten betroffen uit een illegale bron. De enkele, niet nader onderbouwde, stellingen van de veroordeelde dat een deel het door hem via het bedrijf van [autobedrijf 1] verkregen geld legaal geld was, en dat een belangrijk deel van het bedrag bestond uit eerlijk gespaard geld, volstaan daartoe niet.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat op geen enkele wijze is gebleken dat en zo ja, op welke wijze, de veroordeelde op legale wijze inkomsten zou hebben verworven.

De aangetroffen contante geldbedragen gelden daarom niet als beschikbare legale contante inkomsten.

Daarbij merkt het hof op een bedrag van € 105.000,- - deel van het aangetroffen geldbedrag van € 250.000,- waarvan uit nader onderzoek is gebleken dat het geld aan de ouders van de veroordeelde toebehoort - na een periode van inbeslagname - aan de ouders van de veroordeelde zal worden teruggegeven (zoals tijdens de terechtzitting van 24 augustus 2016 toegezegd door de advocaat-generaal), zodat het hof dit bedrag in mindering zal brengen op de (gecorrigeerde) uitkomst van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De (fictieve) dienstverbanden

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding bij de berekening niet uit te gaan van de door de financiële recherche toegepaste opslagpercentages van 30 % (voor wat betreft het gefingeerde dienstverband van de veroordeelde bij [autobedrijf 1] ) respectievelijk 93 % (voor wat betreft de gefingeerde dienstverbanden van [ex partner veroordeelde] ).

De rechtbank heeft in het onherroepelijke vonnis in de strafzaak geoordeeld dat het dienstverband bij [autobedrijf 1] een schijnconstructie was, om inkomsten uit criminele activiteiten te maskeren (pag. 19-20 en 24 vonnis); in hoger beroep heeft de veroordeelde ook erkend dat sprake is geweest van gefingeerde dienstverbanden. Uit het dossier blijkt dat de veroordeelde sinds 1 oktober 2003 voor onbepaalde tijd ‘in dienst trad’ als automonteur bij [autobedrijf 1] B.V., terwijl dit dienstverband fictief was.

Ten aanzien van het bij de berekening gebruikte opslagpercentages stelt het financieel rapport dat kosten voor de werkgever (kosten voor pensioenbijdrage, verzekeringen, belasting, onkostenvergoedingen, kosten vrije dagen en ziektedagen, overheadkosten) in het algemeen worden beraamd op 40 % tot 100 % bovenop het brutoloon. Daarnaast is niet ondenkbaar is dat de veroordeelde nog een risico-opslag betaalde aan [eigenaar autobedrijf] , ter compensatie voor het faciliteren van het fictieve dienstverband.

Uit het financieel onderzoek is gebleken dat bij het opzetten en in standhouden van die dienstverbanden gebruik werd gemaakt van valse dan wel vervalste (werkgevers-) verklaringen, contracten en/of belastingaangiften.

Uit het financieel rapport en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de gefingeerde dienstverbanden (Bijlage 95, dossierpagina 2089 e.v.) blijkt voorts onder meer – kort en zakelijk weergegeven – dat de veroordeelde ‘in dienst’ trad zonder te beschikken over een monteursdiploma of ook maar relevante werkervaring, dat sprake was van een kennelijk gebrek aan kennis met betrekking tot onderhoud en reparatiewerkzaamheden aan voertuigen, dat geen sprake was van een arbeidscontract, dat sprake was van een hoog, niet marktconform, salaris (in 2009 € 61.849,- terwijl een marktconform salaris van een eerste automonteur € 27.000 bedroeg en het bruto jaarsalaris van een autoverkoper gemiddeld

€ 36.000, en dit terwijl uit een schrijven van de belastingdienst van 7 april 2010 aan autobedrijf [autobedrijf 1] blijkt dat de gevoerde administratie van het bedrijf gebreken vertoont en in 2008 sprake was van een negatieve kas van € 20.000 en in de jaren 2006, 2007 en 2008 sprake was van onverklaarbare contante stortingen, dossierpagina 2100), dat meermalen sprake was van (zeer) ongebruikelijke loonstijgingen, en dat het salaris op verzoek van de veroordeelde met 50 % werd aangepast ter verkrijging van een hypotheek.8.

Voorts blijkt uit voornoemd proces-verbaal dat geen sprake was van een urenadministratie en dat de werkzaamheden en de omzet van de veroordeelde niet werden vastgelegd.

Gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat bij de kasopstelling in het voordeel van de veroordeelde is uitgegaan van een werkgevers-kostenopslag percentage van 30 % (=factor 1,3) ziet het hof geen aanleiding om te komen tot een ander opslagpercentage.

Het hof volgt ook voor het overige de gegevens zoals opgenomen in het financieel rapport en gaat uit van een totaal bedrag van contant betaald eigen ‘salaris’ en werkgeverskosten van € 412.048,72.9.

Ook ten aanzien van de gefingeerde dienstverbanden van [ex partner veroordeelde] en het daarbij gehanteerde opslagpercentage van 93% ziet het hof geen reden om dit percentage naar beneden bij te stellen. [ex partner veroordeelde] heeft omtrent haar dienstverbanden bij [bedrijf 2] wisselende en vage verklaringen afgelegd en de veroordeelde heeft erkend dat het ging om gefingeerde dienstverbanden. Uit gegevens van de Belastingdienst over de jaren 2005 – 2009 blijkt dat door [ex partner veroordeelde] over de jaren 2005 – 2009 als inkomsten uit loondienstverbanden zijn opgegeven: 10 (rapport berekening wvv, pag 28):

2005: brutoloon € 19.813,- ( [bedrijf 2] );

2006: brutoloon € 11.048,- ( [bedrijf 2] );

2007: brutoloon € 19.506,- [bedrijf 1] BV.

Dit, terwijl in de arbeidsovereenkomst was opgenomen dat [ex partner veroordeelde] per 1 februari 2005 als medewerkster in dienst trad voor 40 uur per week bij [bedrijf 2] en het salaris

€ 39.000 bruto per jaar zou bedragen. In een werkgeversverklaring van [bedrijf 2] , gedateerd 15 november 2015, overgelegd door [ex partner veroordeelde] ter verkrijging van een hypothecaire geldlening door de veroordeelde en [ex partner veroordeelde] voor de woning [adres 2] te [plaats 2] , staat dat [ex partner veroordeelde] sinds 31 januari 2005 in dienst is bij [bedrijf 2] tegen een brutosalaris van € 42.120,- - inclusief de vakantietoeslag - . Een marktconform bruto salaris voor een dergelijke administratieve functie is gelegen tussen € 15.000 bij twee tot drie jaar ervaring en € 26.000 bij 16 tot 20 jaar werkervaring bruto per jaar.

Gelet op voornoemde bedragen en de verschillen ten opzichte van de door [ex partner veroordeelde] aan de Belastingdienst opgegeven inkomsten, is het hof van oordeel dat sprake is van voldoende aanwijzingen voor een opslagpercentage van 93% (ofwel factor 1,93).

Ten aanzien van de contante uitgaven levensonderhoud

Op basis van de Nibud-normen in de hier relevante periodes werden als uitgangspunten voor gemiddelde huishoudelijke – en reserveringsuitgaven voor een gezin respectievelijk een alleenstaande gehanteerd: tussen 1 januari 2005 en 1 april 2007 (met gezin): € 994,- per maand en tussen 1 april 2007 en 3 juni 2011 (alleenstaande) € 605,- per maand. 11

Op grond van de gegevens in het financieel rapport en de onderliggende bijlagen is het hof – anders dan de verdediging - van oordeel dat aannemelijk is dat de veroordeelde er een ruime leefstijl op nahield waarbij de uitgaven voor het levensonderhoud het Nibud-minimum met tenminste meer dan € 1.000 per maand overschreden.

Het financieel rapport licht de keuze voor het gebruikte bedrag toe door middel van een reeks van concreet benoemde factoren / feiten (onder verwijzing naar de inhoud van delen van getapte telefoongesprekken) waaruit blijkt dat sprake was van aanmerkelijke constante bestedingen aan - onder meer - het fêteren van criminele contacten, uitgaven ten behoeve van de motorclub [motorclub] , hoge brandstofkosten, etentjes, uitgaan, regelmatig prostitueebezoek en onophoudelijke telecommunicatie. 12

Het hof gaat gelet hierop voorbij aan de niet nader onderbouwde, stelling van de veroordeelde inhoudende dat sprake was van een sobere leefstijl en dat zijn maandelijkse uitgaven voor kosten van het levensonderhoud (veel) lager zijn geweest.

Het hof acht op grond van de resultaten van het financieel onderzoek aannemelijk dat de contante uitgaven voor het levensonderhoud van veroordeelde over de perioden van 1 januari 2005 tot en met 1 april 2007 (als gezin met [ex partner veroordeelde] ) tenminste (2.25 jaar x € 2.000,- per maand = ) € 54.000 bedroegen, en over de periode van 1 april 2007 tot 3 juni 2011 (als alleenstaande) (4.1725 jaar x € 1.500 per maand =) € 75.104.72, samen:

€ 129.104,72 (overeenkomstig het rapport).

Financiële ondersteuning [getuige 2]

Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd evenmin aanleiding om het maandbedrag dat de financiële recherche hanteert als financiële ondersteuning van [getuige 2] (€ 500,-) naar beneden bij te stellen.

Uit het financieel rapport, in het bijzonder de gegevens opgenomen in bijlage 66 bij het rapport13 (waarin zijn opgenomen delen uit tapgesprekken, gesprekken gevoerd door de veroordeelde en/of [getuige 2] ) blijkt dat veroordeelde in de eerste maanden van de relatie achterstallige rekeningen van [getuige 2] heeft betaald (gas, water, licht) en dat [getuige 2] van de veroordeelde diverse dure cadeaus kreeg (onder andere een horloge en een bril van het merk Dolce en Gabana met een waarde van circa € 400,- respectievelijk

€ 600,-, een laptop, een zilveren ketting, een horloge van het merk Guess). Voorts blijkt uit de tapgesprekken dat de veroordeelde tegenover derden meermaals verklaarde dat [getuige 2] ‘toch zo’n € 500,- in de maand van hem pakt’.

Gelet op het voorgaande acht het hof aannemelijk dat het gemiddelde van de waarde van de geschenken en de overige financiële ondersteuning € 500,- per maand bedroeg.

Gelet op de inhoud van verklaringen van [getuige 2] omtrent de duur van de relatie zal het hof - evenals de advocaat-generaal – bij de berekening uitgaan van 9 maanden in plaats van 23 maanden.

Ten aanzien van vergoeding van de borstvergrotende operatie van [getuige 2] door de veroordeelde gaat het hof uit van de gegevens in het rapport. Het hof acht aannemelijk dat de veroordeelde de kosten voor die operatie volledig heeft vergoed nu uit delen van tapgesprekken blijkt dat de veroordeelde tegenover derden verklaarde dat [getuige 2] haar ‘siliconentieten’ van hem had gekregen14 en noch uit de verklaringen van [getuige 2] noch anderszins blijkt dat [getuige 2] zelf of een ander aan de kosten van de operatie heeft bijgedragen.

Ten aanzien van de uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten genoten financiële voordeel .

Als wettige bewijsmiddelen neemt het hof bij de berekening allereerst in aanmerking het onherroepelijk geworden vonnis in de hoofdzaak van de rechtbank Arnhem van 26 juni 2012 (05/900842-10).

Voorts bezigt het hof voor het bewijs het hiervoor reeds aangehaalde proces-verbaal ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex art 36e tweede en derde lid Sr’ en (delen uit de) de onderliggende 96 bijlagen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar en [verbalisant 2] , inspecteur van de politieregio Gelderland-Midden, als financieel rechercheur werkzaam bij het Bureau Financiële Recherche van de Regiopolitie Gelderland-Midden, en gesloten op 15 oktober 2012.

Voor zover hetgeen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren in het rapport ‘Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling’ als resultaat van het onderzoek (mede) bepaalde conclusies inhoudt, heeft het hof die conclusies gecontroleerd aan de hand van de door de verbalisant genoemde onderliggende bescheiden (de bijlagen), en de conclusies juist bevonden.

Het hof volgt in beginsel - met inachtneming van het hiervoor overwogene ten aanzien van het geldbedrag van de ouders van de veroordeelde en de duur van de relatie met [getuige 2] - de in voornoemd rapport opgenomen berekening.

Het hof acht die berekening juist en duidelijk en de toelichting op de verschillende posten/ rubrieken helder en inzichtelijk.

Op een enkele post - als hiervoor gesteld - zal de berekening - in het voordeel van de veroordeelde - worden aangepast.

De berekening op basis van de (eenvoudige) kasopstelling en het overzicht van de contante ontvangsten en uitgaven over de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 juni 2011 luidt als volgt.

Wederrechtelijk verkregen voordeel (WVV) op basis van (eenvoudige) kasopstelling.

Beginsaldo contant geld

+ Contante ontvangsten

-/-Eindsaldo contant geld

(€ 435.585 - € 105.000 – afgetrokken i.v.m. dubbeltelling- = 330.385,-)

EUR € 250,00

EUR € 940.845,00

-EUR € 330.585,00

Beschikbaar voor doen van contante uitgaven

-/- Werkelijk contante uitgaven

EUR € 610.510,-

EUR € 2.030.895,15

WVV Verschil

EUR € 1.420.385,15

Overzicht contante inkomsten en uitgaven van [veroordeelde] .

Kasopstelling [veroordeelde] periode 1 januari 2005 t/m 3 juni 2011

Omschrijving

Inkomsten

Uitgaven

Contante lening ouders:

Contante opnames bankrekeningen:

Contante inkomsten andere/overige werkzaamheden:

Contante stortingen bankrekeningen:

Contante uitgaven gefingeerd dienstverband [veroordeelde] :

Contante uitgaven gefingeerd dienstverband [ex partner veroordeelde]

:

Contante uitgaven [adres 2] [plaats 2] :

Contante storting derdenrekening notaris [notaris] :

Contante uitgaven schijnconstructie hypothecaire financiering;

Contante uitgaven [adres 3] [plaats 2] (verbouwing):

Contante diverse factuurbetalingen:

Contante aanschaf 18 karaats gouden Rolex, type Daytona:

Contante uitgaven levensonderhoud Nibud;

Contante uitgaven huur Opel Vivaro [kenteken 1] :

Contante aanschaf voertuigen:

Contante uitgaven onderhoud voertuigen15:

Contante uitgaven alimentatie kinderen:

Contante bijdragen [getuige 2] (€ 15.785 - (14 x € 500 = ) € 7.000 =) :

Contante uitgaven B.V.’s:

Contante uitgaven inkoop verdovende middelen:

€ 105.000,00

€ 835.845,00

0,00

€ 468.501,62

€ 412.048,72

€ 97.208,31

€ 22.710,52

€ 111.750,00

€ 46.650,00

€ 172.877,66

€ 134.218,38

€ 12.502,50

€ 129.104,72

€ 19.599,72

€ 163.208,25

€ 25.231,78

€ 23.222,68

€ 8.785,00

€ 8.275,29

€ 175.000,00

Eindsaldo kasopstelling

€ 940.845,00

€ 2.030.895,15

CORRECTIES op het resultaat van de kasopstelling 16

Ten aanzien van de afpersing van [getuige 3] 17

Het hof is van oordeel dat de betrokkenheid bij de afpersing van [getuige 3] van de veroordeelde op basis van de inhoud van het dossier aannemelijk is. Het financieel rapport geeft inzicht in meerdere, voldoende concrete, aanwijzingen waaruit blijkt dat de veroordeelde betrokken was bij die afpersing.

Het financieel rapport maakt, onder verwijzing naar bijlagen 86 tot en met 90 bij het rapport, melding van het volgende.

[getuige 3] werd in december 2005 en april 2006 door [betrokkene] en de veroordeelde verantwoordelijk gehouden voor het verlies van partijen verdovende middelen.

[getuige 3] meldde zich uit eigener beweging bij de politie, omdat hij was bedreigd en vreesde voor zijn veiligheid.

[getuige 3] heeft op 27 april 2006 en 10 oktober 2006 bij de politie verklaard dat hij in december 2005 een drugstransport zou regelen welk transport uiteindelijk niet doorging, en dat hij daarom aan [betrokkene] en ‘die lui’ (Opmerking hof: met ‘die lui’ verwijst [getuige 3] in het verhoor naar drie personen, waaronder ‘ [veroordeelde] ’ - het hof begrijpt: veroordeelde - door wie hij op 25 april 2006 in de woning van [betrokkene] werd ondervraagd en die hem bedreigden) € 30.000 aan gederfde inkomsten moest betalen.

Eind 2005 werd [getuige 3] in verband hiermee onder druk gezet om, teneinde de schuld van € 30.000 te kunnen inlossen, zijn ‘dikke’ auto (het hof begrijpt: een Audi Quattro RS 4 met kenteken [kenteken 2] ) dan maar te verkopen, want anders zouden ‘Polen’ hem wel komen opzoeken.

[getuige 3] heeft verklaard dat hij de auto toen heeft verkocht en zelf van het bedrag dat de verkoop opleverde niet meer dan € 5.000 heeft gekregen. 18

[getuige 3] heeft daarnaast verklaard dat hij ook eind april 2006 als tussenpersoon betrokken was bij de export van die drugs naar Frankrijk.

Het dossier maakt melding van een strafrechtelijk onderzoek (onderzoek ‘Orkest’) waarbij in april 2006 onder andere een partij van 120 kilo amfetamine in Frankrijk werd onderschept.19 [getuige 3] heeft verklaard dat hij in verband hiermee op 25 april 2006 in de woning van [betrokkene] werd ondervraagd door een drietal mannen, onder wie die [betrokkene] , dat één van die mannen ‘ [veroordeelde] ’ heette, en dat die [veroordeelde] reed in een zwarte Mercedes E klasse, met kenteken [kenteken 3] .

De derde man die bij de ondervraging aanwezig was zette een vuurwapen op het hoofd van [getuige 3] en hield dat daarop gericht. ‘ [veroordeelde] ’ deed toen het gordijn dicht. De man met het vuurwapen heeft toen gevraagd: ‘Zullen we hem meteen meenemen?’, waarop [betrokkene] en ‘ [veroordeelde] ’ hebben gezegd dat dit nu nog niet nodig was. Onder bedreiging van het vuurwapen werd [getuige 3] vervolgens in elkaar geslagen door [betrokkene] , aldus de verklaringen van [getuige 3] .

Uit onderzoek bij de Rijksdienst voor het wegverkeer is gebleken dat veroordeelde de te naam gestelde van de zwarte Mercedes met voornoemd kenteken was.20

Uit het proces-verbaal van bevindingen, als bijlage 89 gevoegd bij het financieel rapport, blijkt voorts dat een Audi type Quattro RS 4 met kenteken [kenteken 2] , aanvankelijk was tenaamgesteld op [getuige 3] en dat de auto op 24 januari 2006 werd tenaamgesteld op het autobedrijf [autobedrijf 2] B.V. te [plaats 3] .

[getuige 4] , eigenaar van het autobedrijf, werd op 5 februari 2007 verhoord en heeft verklaard dat de Audi Quattro eind januari 2006 door [betrokkene] werd overgedragen aan zijn bedrijf in verband met een betalingsachterstand van [betrokkene] en dat de auto als borg bij zijn bedrijf stond, tot 22 maart 2006.

Op 22 maart 2006 kwam [betrokkene] opnieuw naar het bedrijf, betaalde de openstaande rekening en overhandigde aan [autobedrijf 2] het rijbewijs van veroordeelde, [veroordeelde] , met het verzoek om de Audi Quattro op diens naam te zetten, hetgeen is gebeurd.

Uit onderzoek bij de RDW bleek dat het voertuig op 22 maart 2006 op naam is gesteld van de veroordeelde en vervolgens een week later, op 29 maart 2006 te naam werd gesteld van [getuige 5] . 21

Genoemde [getuige 5] heeft verklaard dat hij de Audi Quattro RS4 met kenteken [kenteken 2] heeft gekocht van een persoon genaamd [veroordeelde] , voor € 42.000, welk bedrag in twee delen is betaald, in delen van € 30.000 per overschrijving en € 12.000 contant.22

Uit het financieel rapport 23 en bijlage 90 bij het rapport tenslotte blijkt dat verdachte de opbrengst van de Audi Quattro à € 30.000 - na een bestelling van eurobiljetten - vrijwel onmiddellijk na de bijschrijving, op 6 april 2006, volledig contant heeft opgenomen van zijn Rabobankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] .

Op grond van het voorgaande acht het hof aannemelijk dat de veroordeelde eind 2005 en in 2006 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de (strafbare) afpersing van [getuige 3] .

Bij de berekening wordt het bedrag van € 30.000 meegenomen in de vorm van een correctie op het resultaat van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de eenvoudige kasopstelling (rapport pagina 53) en bij dat resultaat opgeteld als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit hypotheekfraude

Op grond van het dossier is voldoende aannemelijk dat de veroordeelde (en [ex partner veroordeelde] ) in 1998 een hypotheek hebben afgesloten voor de koop van de woning aan het adres [adres 1] te [plaats 1] door gebruikmaking van een valse werkgeversverklaring (van het bedrijf [bedrijf 3] . B.V.).

Het dossier bevat voldoende concrete, duidelijke aanwijzingen dat het ook in het geval van het dienstverband van de veroordeelde bij [bedrijf 3] . B.V. ging om een gefingeerd dienstverband. De aanwijzingen daarvoor bestaan onder meer uit het volgende: 24:

Ter verkrijging van de hypothecaire lening voor de aankoop van de [adres 1] te [plaats 1] op 15 december 1998 werd door de veroordeelde een werkgeversverklaring overgelegd, gedateerd 13 november 1998 en ondertekend door de werkgever [naam] .

In de werkgeversverklaring stond dat de veroordeelde sinds 1 januari 1997 werkzaam was als operationeel manager bij [bedrijf 3] . B.V., gevestigd te Utrecht en dat het (forse) bruto jaarsalaris als manager bedroeg: (inclusief vakantietoeslag): fl 116.640,- (€ 52.928);

In de arbeidsovereenkomst daarentegen stond een jaarsalaris vermeld van fl. 78.000

(€ 35.395).

Uit het dossier blijkt dat medewerkers van de Belastingdienst naar aanleiding van fiscaal onderzoek sterke vermoedens hebben dat sprake was van een fictief dienstverband. Voorafgaand aan het sluiten van een vaststellingsovereenkomst met de Belastingsdienst, gedateerd 14 december 2000, aangetroffen in de administratie van de veroordeelde en zijn boekhouder, [boekhouder] , vond een briefwisseling plaats waarbij door de Belastingdienst vragen werden gesteld aan voornoemde boekhouder met betrekking tot de werkzaamheden van de veroordeelde bij [bedrijf 3] . B.V.

[boekhouder] heeft schriftelijk medegedeeld aan de Belastingdienst dat de veroordeelde in dienst was bij [bedrijf 3] . B.V. als computerconsulent, dat hij belast was met pc privé projecten en netwerken, dat sprake was van een zwakke financiële positie van [bedrijf 3] . B.V. en dat onenigheid omtrent betalingen hadden geleid tot ontslag van de veroordeelde op 1 november 1998. Bij dit schrijven zat een brief van de toenmalig directeur van [bedrijf 3] . B.V., de heer [naam] , gevoegd, waarin ook deze aangaf dat de veroordeelde ontslag had genomen op 1 november 1998, op eigen verzoek.

Uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf 3] . B.V. op 14 december 1999 werd ontbonden als gevolg van faillissement. In een schrijven van de toenmalig curator [curator] wordt door laatstgenoemde vermeld dat het hem niet lukt om in contact te treden met enige persoon die leidinggevende in geweest bij [bedrijf 3] . B.V., dat [naam] leidinggevende was geweest in de onderneming en dat het vermoeden is dat de laatste directeuren en enig aandeelouders stromannen betroffen.

Op grond van het voorgaande is naar oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat de veroordeelde (en [ex partner veroordeelde] ) in 1998 een hypotheek hebben afgesloten met gebruikmaking van een valse werkgeversverklaring van [bedrijf 3] . B.V.

Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking voornoemde verschillen in salaris volgens het arbeidscontract en de werkgeversverklaring, en het feit dat de veroordeelde op 1 november 1998 ontslag zou hebben genomen terwijl de werkgeversverklaring is gedateerd 13 november 1998.

De overwaarde van de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] à € 250.027,63 betreft daarom wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de berekening wordt ook dat bedrag meegenomen in de vorm van een correctie op het resultaat van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van de eenvoudige kasopstelling (rapport pagina 53) en bij dat resultaat opgeteld als wederrechtelijk verkregen voordeel.

Hetzelfde geldt voor de overwaarde van de op 24 november 2005 gekochte woning aan het adres [adres 2] te [plaats 2] van € 100.069,59. Ter verkrijging van een hypothecaire lening van € 400.000 voor die woning zijn door de veroordeelde een werkgeversverklaring en vier salarisstroken overgelegd, op grond van het gefingeerde dienstverband als automonteur bij het autobedrijf van [eigenaar autobedrijf] en zijn door zijn partner [ex partner veroordeelde] een werkgeversverklaring, een arbeidsovereenkomst en een salarisstrook overgelegd, onder meer op basis van het gefingeerde dienstverband van het bedrijf [bedrijf 2] .

Gelet op het voorgaande komt het hof tot een gecorrigeerd wederrechtelijk verkregen voordeel:

WVV (eenvoudige) kasopstelling

€ 1.420.385,15

WVV afpersing [getuige 3]

+

€ 30.000

WVV profijt valsheid in geschrift ( [adres 1] te [plaats 2] )

+

€ 250.027,63

Profijt valsheid in geschrift ( [adres 2] ) € 100.069,59

Correcties [adres 2] [plaats 2] ivm verbouwing € - 22.710,52

WVV netto profijt valsheid in geschrift [adres 2] € 77.359,07

+

€ 77.359,07

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel (WVV)

=

€ 1.777.771,85

Aftrek in verband met verbeurdverklaring van goederen en geldbedragen.

Bij onherroepelijk geworden vonnis in de hoofdzaak zijn meerdere goederen en geldbedragen verbeurd verklaard.

Het gaat hierbij om25:

 een personenauto [kenteken 4] , BMW 645 Cabrio;

 een motor, [kenteken 5] , Harley Davidson;

 een personenauto [kenteken 6] , BMW X5;

 een personenauto [kenteken 1] , Opel Vivaro;

 een personenauto [kenteken 7] , Audi 4 Avant;

 een geldbedrag van € 185.000 en

 een geldbedrag van € 145.000,-

De waarde daarvan dient – als ook vermeld in het rapport van de financiële recherche26 - in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op basis van de huidige (gerealiseerde of getaxeerde) waarde gaat het, aldus de advocaat-generaal na navraag bij het bureau ontneming (BOOM), om een totaalbedrag van € 401.484.

Op het eindresultaat van de kasopstelling en na correctie van dat eindresultaat brengt het hof voorts in mindering een bedrag van € 105.000, in verband met de teruggave van dat inbeslaggenomen geld aan de ouders van de veroordeelde, als toegezegd door de advocaat-generaal tijdens de terechtzitting in hoger beroep.

Als wederrechtelijk verkregen voordeel resteert derhalve:

€ 1.777.771,85 - € 401.484 - € 105.000 = € 1.271.287,85.

Overweging met betrekking tot de redelijke termijn

Het vonnis in de ontnemingszaak is gedateerd 7 mei 2013. Tegen dat vonnis is op 14 mei 2013 hoger beroep ingesteld. Op 5 oktober 2016 – datum van deze uitspraak – is derhalve 3 jaar en 5 maanden verstreken, zodat in casu sprake is van een overschrijding van de termijn van twee jaar met een periode van 1 jaar en 5 maanden.

Het tijdsverloop in hoger beroep is het gevolg van schikkingsonderhandelingen tussen OM en verdediging die hebben plaatsgevonden in de periode van 11 juli 2014 tot en met 5 februari 2015 – een periode van meer dan zes maanden – , het afnemen van getuigenverhoren bij de raadsheer-commissaris op verzoek van de verdediging en het feit dat die verhoren opnieuw dienden te worden gepland omdat de aanvankelijk aangewezen raadsheer-commissaris deel uitmaakte van de samenstelling van het hof, waartegen door of namens de veroordeelde bezwaar is gemaakt.

De periode die benodigd is geweest voor de verhoren van getuigen heeft vanaf de datum van het tussenarrest van het hof van 26 augustus 2015 tot het afronden van de verhoren op 30 november 2015 iets meer dan 3 maanden geduurd.

De Hoge Raad hanteert bij een schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM in het arrest van 17 juni 2008 (BD 2578) de volgende regels in ontnemingszaken: een vermindering van het te ontnemen bedrag met 5% indien termijn minder dan 6 maanden is overschreden, een vermindering met 10% wanneer sprake is van een overschrijding van meer dan 6 maanden tot 12 maanden, en een vermindering naar bevind van zaken indien termijn meer dan 12 maanden is overschreden.

De vermindering bedraagt in ontnemingszaken echter in beginsel niet meer dan € 5.000,- .

De redelijkheid van de duur van een zaak is echter tevens afhankelijk van – onder meer – de volgende factoren: de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte/ veroordeelde en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Het hof zal in onderhavige zaak rekening houden met de - gelet op de (gewijzigde) proceshouding van veroordeelde naar oordeel van het hof beperkte - overschrijding van de redelijke termijn door het te ontnemen bedrag in het voordeel van de veroordeelde te verminderen, als hierna vermeld.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Gelet op de ter terechtzitting naar voren gekomen persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde, met name zijn draagkracht, acht het hof geen gronden aanwezig om het door de veroordeelde te betalen bedrag lager vast te stellen dan de uitkomst van het op grond van het voorgaande geschatte bedrag.

Het hof gaat er daar bij van uit dat redelijkerwijs te verwachten is dat de veroordeelde, gelet op zijn verdiencapaciteit in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op het hierna genoemde bedrag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 1.200.000,00 ((eenmiljoen tweehonderdduizend euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.200.000,00 (eenmiljoen tweehonderdduizend euro).

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. H. Heins, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Westerlaak, griffier,

en op 5 oktober 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 5 oktober 2016.

Tegenwoordig:

mr. A.J. Smit, voorzitter,

mr. W. Stienen, advocaat-generaal,

mr. J.M. van Westerlaak, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De veroordeelde is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Welch tegen Verenigd Koninkrijk, EHRM 9 februari 1995, NJ 1995, 606.

2 AG Knigge in zijn conclusie bij HR 24 april 2007 (NJ 2007, 265), onder 67.

3 EHRM 17 september 2009, nr 10249/003, LJN BK 6009.

4 HR 4 juni 2013, NJ 2013/344 en HR 18 maart 2014, HR:2014:653, NJ 2014/409.

5 Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1989.90, 21 504, nr 3, pag. 13, vgl HR 26 februari 2002, NbSr 2002, 97.

6 Rapport berekening wvv, pag. 18.

7 o.a. HR:2002:AE1182 en HR:2002:AE3569.

8 Bijlage 95, pv gefingeerde dienstverbanden en zelfstandige handel in voertuigen, pag 2107.

9 Rapport berekening wvv, pag. 27.

10 Rapport berekening wvv, pag 28.

11 Rapport berekening wvv, pagina 36-37.

12 Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, dossierpagina 37 e.v.

13 Bijlage 66 bij het Rapport berekening wvv, pagina 1481 – 1541.

14 Rapport berekening wvv, pagina 45, en bijlage 69 bij het rapport.

15 Zie bijlage 60 bij het rapport berekening wvv, overzicht uitgaven onderhoud.

16 Zie ook rapport wvv, pagina 49 e.v.

17 Rapport wvv, pag 51 e.v. en bijlagen 86 tot en met 90.

18 Rapport berekening wvv, bijlagen 87 – 89, processen-verbaal van bevindingen en verhoren [getuige 3] en bijlagen, o.a. pagina 2018 e.v. en 2021 e.v.

19 Rapport berekening wvv, o.a. bijlage 95, proces-verbaal gefingeerde dienstverbanden, pagina 2094.

20 Rapport berekening wvv, bijlage 87, pagina 2018.

21 Bijlage 89 bij het rapport Wvv, pag 2030, halverwege.

22 Bijlage 89 rapport wvv, pag 2030-2031.

23 Rapport wvv, pag 52.

24 Rapport berekening wvv, bijlage 85, dossierpagina 2089 e.v., in het bijzonder pagina 2094 e.v.

25 Vonnis in de strafzaak met parketnummer 05/900842-10, pag 32-33

26 Rapport wvv, pag 56.