Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10274

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
28-12-2016
Zaaknummer
200.132.178
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BY4929, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Contractsoverneming. Na informele mededeling door tuinder over inbreng van onderneming in B.V. correspondeert Breed enige tijd later met B.V. over uitvoeringsproblemen en sommeert deze tot nakoming. Daaruit wordt medewerking aan contractsoverneming afgeleid. Belang wordt gehecht aan de informele omgang van partijen met elkaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/4064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.132.178

(zaaknummer rechtbank Arnhem/Gelderland 229415)

arrest van 20 december 2016

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

WNO Bedrijven, handelend onder de naam Breed,

gevestigd te Nijmegen,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie,

hierna: Breed,

advocaat: mr. C.J. Diks,

tegen:

[geïntimeerde] , handelend onder de naam [Bedrijf X],

wonende te [plaatsnaam] , [gemeente] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het voorwaardelijke incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie,

hierna: [de tuinder] ,

advocaat: mr. A. van Oosten.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 juni 2014 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

■ de memorie van antwoord in het voorwaardelijke incidenteel appel (met producties),

■ de akte na antwoord van [de tuinder] ,

■ de antwoordakte van Breed

■ de akte vermindering van eis van [de tuinder] .

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

Breed vordert in het principaal hoger beroep vernietiging van de vonnissen van 7 november 2012 en 12 juni 2013 en veroordeling van [de tuinder] in de kosten van beide instanties.

1.5

[de tuinder] vordert in het incidenteel hoger beroep - kort samengevat - onder de voorwaarde dat zijn eis in reconventie niet wordt toegewezen, dat het hof het beslag op zijn onroerende zaak opheft met de bepaling dat Breed hangende de cassatietermijn geen beslagen mag leggen onder [de tuinder] , kosten rechtens. [de tuinder] heeft zijn vordering in reconventie gewijzigd. Hij heeft echter ook zijn eis willen verminderen bij akte, welke akte het hof heeft geweigerd.

2 De vaststaande feiten

2.1

Breed, een gemeenschappelijke regeling die in het kader van de Wet sociale werkvoorziening bemiddelt voor mensen met een arbeidsbeperking, en [de tuinder] , een kweker van en handelaar in tuinplanten, bomen en heesters, hebben vanaf 2007 samengewerkt bij het opkweken van tuinplanten, bomen en heesters. De samenwerking hield in essentie in dat Breed door [de tuinder] aangeleverde planten en bomen opkweekte en daarna weer op afroep ter beschikking stelde aan [de tuinder] die Breed betaalde voor de door Breed verrichte tuinderswerkzaamheden en verbruikte materialen. Een deel van de op te kweken planten stond in kassen van [de tuinder] , de overige zaken werden op het terrein van Breed opgekweekt.

2.2

Breed en [de tuinder] hebben de afspraken over de samenwerking vastgelegd in een door beide partijen ondertekende brief van 2 december 2009. Nadien zijn opmerkingen en afspraken weergegeven in besprekingsverslagen van 26 oktober 2010 en 17 juni 2011. Aan het door Breed opgestelde besprekingsverslag van 17 juni 2011 heeft [medewerker tuinder] , medewerker van [de tuinder] , opmerkingen toegevoegd.

2.3

[de tuinder] heeft op 30 maart 2011 zijn onderneming - via [B.V. 1] - ingebracht in het op die datum opgerichte [Bedrijf X] - hierna: [Bedrijf X] , waarbij [Bedrijf X] de activa heeft overgenomen en zich heeft verplicht de passiva over te nemen.

2.4

Bij factuur van 18 mei 2011 heeft [Bedrijf X] Breed € 1.463,77 in rekening gebracht als creditnota in verband met levering door Breed van dode pruimenbomen. [Gerechtsdeurwaarderskantoor 1] (hierna: [Gerechtsdeurwaarderskantoor 1] ) heeft op 1 augustus 2011 namens Breed [Bedrijf X] gesommeerd € 75.302,25 te betalen.

2.5

Naar aanleiding van de sommatie van 1 augustus 2011 is correspondentie tussen de deurwaarder en mr. Van Oosten gevoerd, waarin beide rechtshelpers partijen aanduiden als “Breed” en “ [Bedrijf X] ”. [de tuinder] / [Bedrijf X] heeft zijn/haar klachten in een met de brief van mr. Van Oosten van 16 augustus 2011 meegezonden stuk opgesomd, waarop [manager marketing] , manager marketing en allianties van Breed, een ongedateerde reactie heeft opgesteld, waarbij hij de wederpartij heeft aangeduid als “De firma [Bedrijf X] ”.

2.6

[de werkleider] van Breed heeft aan [Bedrijf X] een ongedateerd bericht gestuurd, dat door deze op 15 december 2011 is ontvangen. Daarin is het volgende opgemerkt:

“Op 25 juli 2011 is door Breed aan u medegedeeld dat we genoodzaakt waren om over te gaan tot uit handen geven ter incasso van de openstaande vorderingen. Wij hebben u tevens gemeld dat de nog te leveren goederen vanaf dat moment beschikbaar zijn voor afroep. Tot op heden heeft u echter verzuimd de goederen af te roepen.

Conform de HBN voorwaarden (artikel 10, derde lid) was de uiterste datum van afname is 14 december jl. Wij stellen u bij deze dan ook in gebreke op grond van artikel 10, vierde lid van de HBN voorwaarden. Indien u nalaat de goederen binnen 5 werkdagen vanaf heden af te roepen, gaat het risico over op u. In dat geval zullen we de overeenkomst ontbinden en u aansprakelijk stellen voor de door ons geleden schade, waaronder (doch niet uitsluitend) de kosten van de voorgefinancierde materialen en de geleverde diensten (gefactureerd op 25 juli 2011), evenals de kosten van de verlengde huur van kassen, alles te vermeerderen met de handelsrente en/of wettelijke rente.”

2.7

De toenmalige gemachtigde van Breed, mr. P.A. de Wild, heeft op 10 februari 2012 gereageerd op een brief van mr. Van Oosten. Op p. 1 van die brief is vermeld: “Betreft: [Bedrijf X] BV / Breed”.

2.8

Tussen partijen zijn geschillen ontstaan bij de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst. Breed stelt zich op het standpunt dat [de tuinder] facturen onbetaald laat, [de tuinder] dat Breed is tekortgeschoten in de nakoming van haar opkweekwerkzaamheden. Breed heeft op 2 april 2012 conservatoir beslag gelegd op de aan [de tuinder] in eigendom toebehorende onroerende zaak aan [adres] en onder enkele banken.

2.9

[Bedrijf X] is op 29 april 2014 in staat van faillissement verklaard.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Breed heeft in eerste aanleg gevorderd dat [de tuinder] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag, in hoofdsom, van € 203.836,80, te vermeerderen met rente en kosten. [de tuinder] heeft in voorwaardelijke reconventie gevorderd dat Breed wordt veroordeeld tot betaling van € 106.903,00.

3.2

De rechtbank heeft, nadat zij bij tussenvonnis van 7 november 2012 bewijs had opgedragen, bij vonnis van 12 juni 2013, gecorrigeerd op 24 juni 2013, de vordering in conventie afgewezen, met veroordeling van Breed in de kosten van het geding, en in reconventie geconstateerd dat de voorwaarde waaronder de vordering was ingesteld, niet in vervulling is gegaan.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

Breed is van beide vonnissen in hoger beroep gekomen onder aanvoering van 6 grieven. [de tuinder] heeft verweer gevoerd, haar eis gewijzigd en in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep 1 grief aangevoerd. Daartegen heeft Breed verweer gevoerd.

In principaal hoger beroep

4.2

De grieven 1 tot en met 5 in het principaal hoger beroep betreffen de vraag of Breed haar medewerking heeft verleend aan overneming van haar overeenkomst(en) met [de tuinder] door [Bedrijf X] . De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 7 november 2012 overwogen dat van belang is dat Breed op de hoogte was van de overgang van de rechten en verplichtingen van [de tuinder] naar [Bedrijf X] , dat Breed op grond van de hierboven in 2.4 weergegeven feiten de indruk heeft gewekt dat zij de contractsoverneming door [Bedrijf X] had geaccepteerd en dat dit alleen anders zou zijn als er bij Breed sprake is van een kenbare vergissing, waarmee echter geen rekening behoeft te worden gehouden als Breed wist of behoorde te weten dat [de tuinder] zijn eenmanszaak in een B.V. zou inbrengen. De rechtbank heeft daarop [de tuinder] bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hij tijdig vóór 18 mei 2011 Breed op de hoogte had gesteld van zijn voornemen het bedrijf van zijn eenmanszaak voort te zetten in de vorm van een B.V. Na verhoor van getuigen heeft de rechtbank in het eindvonnis beslist dat [de tuinder] heeft bewezen dat in het regelmatig terugkerende werkoverleg tussen Breed en [de tuinder] is gesproken over de plannen van [de tuinder] om tot oprichting van een B.V. te komen en dat zij dit voldoende acht als bewijs van het probandum. De rechtbank voegde daar nog aan toe dat voor de vestiging van het vertrouwen bij [de tuinder] niet noodzakelijk was dat hij Breed formeel op de hoogte heeft gebracht van zijn omzettingsplannen.

4.3

Voor de beoordeling van de grieven is het volgende van belang. Op grond van artikel 6:159 BW kan een partij bij een overeenkomst haar rechtsverhouding tot de wederpartij met medewerking van deze laatste overdragen aan een derde bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. Voor de medewerking van de wederpartij gelden geen vormvereisten. Zij kan besloten liggen in gedragingen van de wederpartij (artikel 3:37 lid 1 BW).

4.4

Breed en [de tuinder] hebben niet of nauwelijks de moeite genomen hun rechtsverhouding, die een intensieve samenwerking betrof waarin veel geld omging, schriftelijk vast te leggen. Hun samenwerking is in 2007 gestart, zonder dat de afspraken op papier zijn gezet. Op 2 december 2009 hebben partijen wel afspraken vastgelegd, maar haast in telegramstijl en alleen begrijpelijk voor degenen die bij de uitvoering van de overeenkomst(en) betrokken waren. Datzelfde geldt voor de vastlegging van afspraken in de gespreksverslagen van 26 oktober 2010 en 17 juni 2011. Er lag kennelijk een nadruk op mondelinge afspraken. In zo’n context krijgt de mondelinge mededeling van [de tuinder] dat hij voornemens is zijn onderneming in te brengen in een B.V. meer gewicht dan deze in een formele rechtsverhouding zou krijgen waarin partijen gewend zijn dat belangrijke mededelingen schriftelijk worden gedaan. Niet is gebleken dat het bestuur van Breed zich ooit met deze rechtsverhouding heeft bemoeid, zelfs niet bij het aangaan ervan. Dat brengt weer mee dat de door [de tuinder] gestelde mondelinge mededeling van dit voornemen aan medewerkers van Breed als bedrijfsleider [de bedrijfsleider] en manager groenvoorzieningen [manager groenvoorzieningen] , die beiden betrokken waren bij de uitvoering van de overeenkomst en met [de tuinder] daarover overlegden, zou leiden tot kennis die aan Breed kan worden toegerekend en daarmee voldoende is om mede het rechtsgevolg van contractsoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW te bewerkstelligen.

4.5

De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat [de tuinder] is geslaagd in het bewijs dat hij het voornemen tot inbreng van zijn onderneming in een B.V. aan Breed kenbaar heeft gemaakt. Dat [de tuinder] dit feit kenbaar heeft gemaakt, wordt immers bevestigd door de verklaringen van de getuigen [de tuinder] , [medewerker tuinder] en [de bedrijfsleider] , die bovendien zich allen herinneren dat [manager groenvoorzieningen] daarover een grapje maakte (“hoeveel bv’s ga je beginnen?”). Dat [manager groenvoorzieningen] en [de werkleider] zich niets kunnen herinneren van een gesprek over dit onderwerp weegt daar tegenover onvoldoende zwaar.

4.6

De getuigen hebben niet helemaal gelijke herinneringen aan het moment waarop dit is gezegd ( [de tuinder] en [de bedrijfsleider] : winter 2009/2010, [medewerker tuinder] : meerdere malen, vooral in het najaar 2010). Zouden de herinneringen van [de tuinder] en [de bedrijfsleider] op dit punt accurater zijn dan die van [medewerker tuinder] , dan zou de mededeling ruim een jaar vóór de oprichting van [Bedrijf X] zijn gedaan. Dat is een lange termijn om voor Breed duidelijk te laten zijn, als zij een factuur van [Bedrijf X] krijgt, dat de inbreng kennelijk een feit is. Dat brengt mee dat niet te snel kan worden aangenomen dat [de tuinder] uit gedragingen van Breed mocht afleiden als bedoeld in artikel 3:35 BW dat zij medewerking verleende aan contractsoverneming door [Bedrijf X] . In dit geval mocht [de tuinder] dit vertrouwen echter ontlenen aan de omstandigheden dat de deurwaarder [Bedrijf X] op 1 augustus 2011 sommeerde tot betaling van facturen, dat [de werkleider] , werkleider bij Breed - overduidelijk gesouffleerd door een ingewijde in juridische terminologie - op 15 december 2011 [Bedrijf X] sommeerde de planten en bomen af te roepen, dat [manager marketing] in zijn ongedateerde reactie de wederpartij aanduidde met “ [Bedrijf X] ” en dat ook mr. De Wild dat deed in zijn brief van 1 februari 2012. Deze eens gegeven medewerking kon later niet worden teruggedraaid.

4.7

Deze conclusie wordt niet anders doordat de handelsnaam van [de tuinder] ( [Bedrijf X] ) lijkt op de statutaire naam van [Bedrijf X] Dat zal immers doorgaans het geval zijn bij inbreng van een eenmanszaak in een B.V. Bovendien heeft Breed in alle in 4.6 genoemde uitingen de wederpartij aangeduid als [B.V. 1] , zodat voor haar duidelijk was dat zij een rechtspersoon aanschreef. De omstandigheid dat [de tuinder] / [Bedrijf X] na 18 mei 2011 ook oud briefpapier op naam van de eenmanszaak gebruikte, weegt onvoldoende zwaar om tot een andere conclusie te komen. Breed’s stelling dat zij ook na 18 mei 2011 sommaties heeft gestuurd naar [de tuinder] is onvoldoende feitelijk onderbouwd, mede nu zij haar sommaties en facturen aan [de tuinder] niet in het geding heeft gebracht. Omdat de vorderingen van Breed op [de tuinder] op grond van artikel 6:159 BW zijn overgegaan op [Bedrijf X] , is de vraag of er sprake is van schuldoverneming in de zin van artikel 6:155 BW niet meer relevant. Aangezien [Bedrijf X] de plaats van [de tuinder] in de rechtsverhouding tussen Breed en [de tuinder] geheel heeft overgenomen, is irrelevant op welk tijdstip de vorderingen van Breed op [Bedrijf X] zijn ontstaan: ook vóór inbreng uit deze rechtsverhouding ontstane schulden van [de tuinder] zijn overgegaan op [Bedrijf X] .

4.8

De conclusie is dat de grieven 1 tot en met 5 falen. Datzelfde lot treft grief 6 dat voortbouwt op de eerdere grieven.

In incidenteel hoger beroep

4.9

Het incidenteel hoger beroep betreft de vordering van [de tuinder] in reconventie. Zij heeft betrekking op het door Breed gelegde conservatoire beslag dat Breed inmiddels in januari 2015 vrijwillig heeft opgeheven. [de tuinder] heeft blijkens de daarop genomen akte vermindering van eis zijn eis in reconventie verminderd tot een - onvoorwaardelijke - veroordeling van Breed in de proceskosten in het geding in reconventie. Omdat in het principaal hoger beroep is beslist dat de vordering van Breed op [de tuinder] niet is komen vast te staan, ziet het hof aanleiding Breed te veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

in principaal en incidenteel hoger beroep

4.10

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Breed in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in het principaal en incidenteel hoger beroep aan de zijde van [de tuinder] zullen worden vastgesteld op € 1.553 voor griffierecht en op € 9.789 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x tarief VI). Als niet weersproken zal het hof ook de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

In principaal hoger beroep

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Arnhem/Gelderland van 7 november 2012 en 12 juni 2013, gecorrigeerd op 24 juni 2013;

In principaal en incidenteel hoger beroep

veroordeelt Breed in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [de tuinder] vastgesteld op € 1.553 voor verschotten en op € 9.789 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt Breed in de nakosten, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval Breed niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad..

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, F.J. de Vries en S.C.P. Giesen, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2016.