Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10258

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
200.189.654/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Ontslagvergoeding aangewend voor niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten. Inkomen uit vermogen. Falend beroep op aanvaardbaarheidstoets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.189.654/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 386527)

beschikking van 20 december 2016

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E.M. de Winter te Amsterdam,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.E.J. Menkveld te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 september 2015 en 21 januari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 april 2016;

  • -

    het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie 1 tot en met 3, ingekomen op 25 mei 2016;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 3, ingekomen op 6 juli 2016;

  • -

    een journaalbericht van mr. Menkveld van 18 oktober 2016 met producties 4 en 5;

  • -

    een journaalbericht van mr. De Winter van 18 oktober 2016 met producties 4 tot en met 17 (hoofdzaak) en producties 3 tot en met 7 (voorlopige voorzieningen);

  • -

    een journaalbericht van mr. De Winter van 25 oktober 2016;

  • -

    een journaalbericht van mr. Menkveld van 25 oktober 2016 met producties 6 t/m 8.

2.2

De minderjarige [kind 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 8 november 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad die is beëindigd.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

  • -

    [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] (Ierland);

  • -

    [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (Ierland),

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2

Bij beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 26 mei 2005 is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van 17 maart 2004 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van € 240,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen, welk bedrag thans, ingevolge de wettelijke indexering, € 286,80 per kind per maand bedraagt.

3.3

Bij de beschikking van 4 september 2015 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de behandeling van de verzoeken pro forma aangehouden.

3.4

Bij beschikking van 1 september 2016 inzake voorlopige voorzieningen heeft dit hof, bij wijze van voorlopige voorziening, de door de man aan de vrouw met ingang van 7 juni 2016 voor de duur van het geding te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald op € 123,- per maand voor hen samen, de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] (hierna ook: kinderalimentatie). Bij de bestreden beschikking van 21 januari 2016 heeft de rechtbank het verzoek van de man tot wijziging van de beschikking van het hof Amsterdam van 26 mei 2005, in die zin dat de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld, dan wel wordt verlaagd, en de zelfstandige verzoeken van de vrouw tot verhoging van de kinderalimentatie tot € 500,- per kind per maand en tot veroordeling van de man in de proceskosten, afgewezen en de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.2

De man is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 21 januari 2016. De grieven 1 tot en met 7 zien op de draagkracht van de man. Grief 7 ziet daarnaast op de draagkracht van de vrouw. De achtste grief mist zelfstandige betekenis en zal daarom niet afzonderlijk worden besproken. De man verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, het beroep gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de man tot nihilstelling dan wel verlaging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen toe te wijzen en de bijdrage te stellen op nihil, dan wel op een zodanig lager bedrag als het hof juist acht.

4.3

De vrouw voert verweer in het principaal hoger beroep en is op haar beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de draagkracht van beide partijen. De vrouw verzoekt in het principaal hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn hoger beroep af te wijzen, en in het incidenteel hoger beroep bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 5 maart 2015 te bepalen op € 500,- per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen.

4.4

De man voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt dit hoger beroep bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, ongegrond te verklaren.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

ingangsdatum

5.2

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de gewijzigde omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

Het hof hanteert als ingangsdatum van de eventueel te wijzigen kinderalimentatie de datum van het inleidende processtuk, te weten het inleidend verzoek in eerste aanleg van 10 februari 2015, nu partijen met ingang van die datum redelijkerwijs rekening konden houden met een eventuele wijziging van de bijdrage.

behoefte kinderen

5.3

Gelet op de door partijen in eerste aanleg overgelegde en in zoverre niet betwiste berekeningen van de kosten van de kinderen, stelt het hof hun - per 1 januari 2015 geïndexeerde - behoefte vast op € 1.322,- per maand. Geen rekening houdt het hof met de door de vrouw gestelde oppaskosten van € 250,- per maand, nu de vrouw deze kosten, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende nader heeft onderbouwd. Daarmee bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.322,- per maand, aldus € 661,- per kind per maand.

draagkracht

5.4

Bij het bepalen van het aandeel van elk van partijen in de behoefte van de kinderen dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot de kinderen staat in de beoordeling te worden betrokken.

draagkracht van de man
5.5 Uit de door de man ten aanzien van zijn draagkracht gestelde grieven blijkt allereerst dat de man zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie en de besteding van zijn ontslagvergoeding en dat het op zijn weg had gelegen om bedragen van die vergoeding te reserveren voor de voldoening van de op hem rustende alimentatieverplichtingen. De man stelt dat hij met ingang van 1 augustus 2014 werkloos is geworden, dat hij sindsdien een WW-uitkering ontvangt en dat hij door daling van zijn inkomen niet langer in staat is de bij de beschikking van 26 mei 2005 vastgestelde alimentatie te voldoen. De man heeft in of omstreeks 2005 een ontslagvergoeding ontvangen van € 115.945,- bruto. Volgens de man heeft het gerechtshof te Amsterdam in zijn beschikking van 8 februari 2007 hem niet erop gewezen dat hij die ontslagvergoeding zou moeten reserveren ten behoeve van kinderalimentatie. De man stelt verder niet langer over (inkomsten uit) vermogen te beschikken om daaruit de vastgestelde kinderalimentatie te voldoen. Hij heeft de ontslagvergoeding onder andere moeten aanwenden om achterstallige kinderalimentatie te betalen, om af te lossen op een gezamenlijke schuld van partijen van € 8.400,- en om advocaatkosten van bijna € 47.904,51 te voldoen, aldus de man.

5.6

De vrouw heeft de grieven bestreden en daartoe onder meer aangevoerd dat de man ten onrechte geen bedragen van de ontslagvergoeding heeft gereserveerd. Voor het overige heeft de man met de door hem overgelegde vermogensopstelling geen volledig inzicht gegeven in de besteding daarvan en derhalve geenszins aangetoond dat hij niet meer over de ontslagvergoeding beschikt of zou kunnen beschikken. De aanwijzing van het gerechtshof te Amsterdam in 2007 om van de ontslagvergoeding bedragen te reserveren is door de man in de wind geslagen, aldus de vrouw.

5.7

Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de man ten aanzien van zijn ontslagvergoeding keuzes heeft gemaakt waarvan hij zich, gelet op zijn verplichting tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, had moeten onthouden. Gelet op de hoogte van de ontslagvergoeding, waarbij het hof mede in aanmerking neemt dat de vergoeding een bruto bedrag betreft en dat inmiddels ruim tien jaar is verstreken sinds de toekenning van deze vergoeding, acht het hof het alleszins redelijk dat de ontslagvergoeding inmiddels geheel is aangewend voor de betaling van de door de man opgevoerde, niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten. Het bestaan van de door de man gestelde schulden is door de vrouw niet ter discussie gesteld en staat dus vast. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat de noodzaak voor het maken van de door de man opgevoerde advocaatkosten voldoende is komen vast te staan. Zo heeft de man onbetwist gesteld dat hij niet in aanmerking kwam voor gefinancierde rechtsbijstand en dat hij deze kosten onder andere heeft moeten maken in het kader van procedures voor het behoud van zijn loon en het verkrijgen van een ontslagvergoeding van zijn voormalige werkgever en/of een uitkering. Daarmee kwamen de - beoogde - resultaten van deze procedures indirect ten goede aan het betalen van de kinderalimentatie. Ook het bestaan en de noodzaak van de al dan niet gezamenlijke schuld van € 8.400,- wordt door de vrouw niet betwist, en evenmin dat de man achterstallige kinderalimentatie heeft voldaan. Anders dan de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de man voldoende inzicht heeft gegeven in de volledige besteding van de ontslagvergoeding, zodat niet langer van de man kan worden verwacht dat hij daarvan betalingen doet ten behoeve van de kinderalimentatie. Hiermee zijn de grieven 1 tot en met 3 voldoende besproken.

5.8

Uit de toelichting op de door de vrouw in haar in incidenteel hoger beroep aangevoerde grieven 1 en 2 blijkt dat zij zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de man een hogere draagkracht heeft vanwege inkomsten uit verhuur van dan wel uit vermogen in verband met een huis in Ierland. De vrouw voert hiertoe het volgende aan. De man stelt weliswaar dat dit huis is verkocht en geen inkomsten opleverde, maar wel kosten van minimaal € 700,- per maand, maar hij geeft evenwel geen enkel inzicht in de financiële gang van zaken rondom de woning en de eventuele verkoop van de woning lijkt een schijnconstructie. Indien zou komen vast te staan dat de woning niet meer tot het vermogen van de man behoort, dan dient de redelijke overwaarde daarvan tot het vermogen van de man te worden gerekend. Naar de man zelf heeft verklaard bedroeg de verkoopopbrengst van de woning € 150.000,-. Volgens de vrouw dient de man het restant van de verkoopopbrengst aan te wenden om nu een hogere onderhoudsbijdrage te voldoen.

5.9

De man voert het volgende tot zijn verweer aan. Hij had en heeft geen inkomsten uit verhuur van de woning in Ierland. Hij was genoodzaakt de woning te verkopen, omdat deze meer kostte dan opleverde. Daarnaast moest hij een schuld aan mevrouw [A] (hierna: [A]) terugbetalen. Deze schuld is gecompenseerd met de overdracht (eind 2012) van de woning aan haar. [A] is, anders dan de vrouw stelt, niet de levenspartner van de man. Na betaling van deze schuld en de hypotheek resteerde er geen overwaarde en daarom is er geen sprake van vermogen aan de zijde van de man. De rechtbank dan ook terecht overwogen dat de man geen hogere draagkracht heeft vanwege inkomsten uit verhuur dan wel uit vermogen in verband met het huis in Ierland. Dat de verkoopopbrengst € 150.000,- zou bedragen is onjuist en dit heeft de man ook nooit verklaard, aldus nog steeds de man.

5.10

Het hof overweegt als volgt. Vast is komen te staan dat de man de woning in Ierland eind 2012 heeft verkocht. Als onbetwist is ook komen vast te staan dat in ieder geval in het verleden inkomsten uit verhuur zijn ontvangen, maar de man heeft gemotiveerd betwist dat de door hem ontvangen inkomsten meer opleverden dan hetgeen de woning kostte. In dat licht is naar het oordeel van het hof de noodzaak om de woning te verkopen voldoende aangetoond.

Ten aanzien van de opbrengst van de woning overweegt het hof als volgt. Tot de door de man in eerste aanleg op 11 augustus 2015 overgelegde producties behoort een door de man en [A] ondertekende verklaring, gedateerd 10 oktober 2012, waarin staat vermeld dat de man, ter aflossing van een schuld van € 58.000,- aan [A], de woning voor € 100.000,- aan haar heeft verkocht. In deze verklaring staat verder vermeld dat op de woning nog een hypotheek van € 50.000,- rust. Uit de bij journaalbericht van 18 oktober 2016 overgelegde productie 9 blijkt dat de hypotheek die nog op de woning rustte (afgerond) € 45.000,- bedroeg. Desgevraagd heeft de man ter zitting het verschil tussen deze beide laatste bedragen niet kunnen verklaren, zodat het hof uitgaat van een aflossing van de hypotheek (voor het laagste bedrag) van € 45.000,-. Voorts behoort tot de door de man op 11 augustus 2015 overgelegde producties een verklaring van 20 maart 2015, opgesteld door [Makelaar], waarin staat vermeld dat de woning in 2011 door deze makelaar is getaxeerd op een marktwaarde van € 140.000,-. Gelet op al het voorgaande is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat ten aanzien van de woning sprake was van een overwaarde. Dit betekent dat het hof, als onvoldoende onderbouwd, voorbijgaat aan de stelling van de man dat hij de woning niet met overwaarde heeft kunnen verkopen. Daarom ziet het hof aanleiding om de man een inkomen uit vermogen toe te rekenen. Daarbij gaat het hof uit van de in maart 2015 getaxeerde marktwaarde van € 140.000,- en een op de woning rustende hypotheek € 45.000,-. Met de door de man gestelde afbetaling op de schuld aan [A] houdt de rechtbank geen rekening, nu het bestaan van die schuld, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet is komen vast te staan.

Het voorgaande betekent dat aan de zijde van de man in redelijkheid rekening wordt gehouden met een (fictief) vermogen van € 95.000,- en met een daarop in redelijkheid te behalen netto rendement van 1%, ofwel € 950,- per jaar, afgerond € 80,- per maand. Het hof zal dit bedrag bij het inkomen van de man optellen. Hiermee zijn de grieven 1 en 2 in het incidenteel hoger beroep voldoende besproken.

5.11

Gelet op hetgeen onder 5.2 ten aanzien van de ingangsdatum wordt overwogen zal het hof de draagkracht beoordelen vanaf 10 februari 2015. Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen bij elkaar te nemen en dat resultaat vervolgens te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn.

5.12

Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de bij het journaalbericht van mr. De Winter van 18 oktober 2016 overgelegde draagkrachtberekening (productie 7 in de voorlopige voorzieningenprocedure), die door de vrouw onvoldoende is betwist. Daaruit volgt een netto besteedbaar inkomen (NBI) aan de zijde van de man van € 1.464,- per maand. Daarbij dient te worden opgeteld het inkomen uit vermogen van € 80,- per maand (zoals hiervoor onder 5.10 ten aanzien van de woning in Ierland is overwogen). Aldus bedraagt het NBI vanaf 10 februari 2015 € 1.544,- per maand.

5.13

Met ingang van 30 september 2016 is de WW-uitkering van de man gewijzigd en bedraagt het inkomen van de man € 936,87 netto per maand, te vermeerderen met 5% vakantiegeld, ofwel € 983,71 netto per maand. Vermeerderd met het inkomen uit vermogen van € 80,- per maand bedraagt het inkomen van de man met ingang van 30 september 2016, aldus € 1.063,71 per maand.

5.14

Ten aanzien van de periode van 10 februari 2015 tot 30 september 2016 zal de draagkracht van de man worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 x NBI + € 875,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.525,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 875,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. Rekening houdend met de niet in geschil zijnde lasten en een bij dit inkomen behorend redelijk lastenpatroon en een draagkrachtloos inkomen van € 875,-, stelt het hof de draagkracht van de man ten behoeve van de betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het de kinderen, conform de aanbeveling in het Rapport Alimentatienormen en de formule in de bijbehorende draagkrachttabel 2015, vast op (afgerond) € 144,- per maand.

5.15

Vanaf 30 september 2016 zal de totale beschikbare draagkracht worden vastgesteld op het minimum van € 50,- per maand voor beide kinderen, nu het netto besteedbaar inkomen betreft vanaf die datum lager is dan € 1.300,- per maand.

draagkracht van de vrouw
5.16 Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw haar netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen alsmede het te ontvangen kindgebonden budget, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 875,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.525,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de vrouw het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een bedrag van € 875,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

Op basis van de door de man (in de voorlopige voorzieningen procedure) overgelegde - en in zoverre niet betwiste - berekening van de draagkracht van de vrouw, stelt het hof het NBI van de vrouw in 2015 vast op € 2.731,- per maand.

5.17

Rekening houdend met een bij dit inkomen behorend redelijk lastenpatroon en een draagkrachtloos inkomen van € 875,-, stelt het hof de draagkracht van de vrouw ten behoeve van de betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het de kinderen, conform de aanbeveling in het Rapport Alimentatienormen en de formule in de bijbehorende draagkrachttabel 2015, vast op (afgerond) € 726,- per maand.

draagkrachtvergelijking

5.18

De behoefte van het de kinderen bedraagt € 1.322,-. Uit het voorgaande volgt dat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om te voorzien in de behoefte van de kinderen voor wie zij onderhoudsplichtig zijn, zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

aanvaardbaarheidstoets

5.19

De man stelt in de grieven 4 tot en met 7 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie waardoor zijn beroep op de aanvaardbaarheidstoets niet kon worden beoordeeld.

De vrouw betwist dat en voert op haar beurt aan dat de man onvoldoende heeft gesteld voor een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. Zo gaat de door de man opgestelde draagkrachtberekening slechts uit van zijn WW-uitkering en zijn daarin geen schulden opgenomen.

5.20

Naar het oordeel van het hof faalt het beroep van de man op de aanvaardbaarheidstoets, nu hij zijn stellingen daaromtrent onvoldoende cijfermatig heeft onderbouwd. Zo heeft de man slechts rekeningen overgelegd van gemaakte kosten, maar ontbreekt een draagkrachtberekening waarin de eventuele consequenties van de door hem gestelde schulden zijn opgenomen. De grieven 4 tot en met 7 in het principaal hoger beroep falen dus.

recapitulatie

5.21

Gelet op het hiervoor overwogene dient de man met ingang van 10 februari 2015 tot 30 september 2016 bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met € 144,- per maand, derhalve met € 72,- per kind per maand. Vanaf 30 september 2016 dient de man bij te dragen met € 50,- per maand, derhalve met € 25,- per kind per maand.

5.22

Voor zover de man vanaf 10 februari 2015 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan de onder 5.21 vermelde bijdrage, kan van de vrouw - in aanmerking genomen dat de behoefte van de kinderen aanzienlijk meer bedraagt dan de gezamenlijke draagkracht van partijen, zodat voldoende aannemelijk is geworden dat hetgeen meer is ontvangen geheel is verbruikt - in redelijkheid niet worden gevergd dat zij dat meerdere terugbetaalt.

5.23

Het hof passeert het (algemene) bewijsaanbod van de man als enerzijds onvoldoende concreet en anderzijds niet ter zake dienende. De man heeft immers geen voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden moeten leiden dan reeds volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven in het principaal hoger beroep gedeeltelijk en slagen de grieven in het incidenteel hoger beroep. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van

21 januari 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 26 mei 2005 en bepaalt dat de man aan de vrouw zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen:

  • -

    met ingang van 10 februari 2015 tot 30 september 2016 € 72,- per kind per maand, en

  • -

    met ingang van 30 september 2016 € 25,- per kind per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, C.J. Laurentius-Kooter en

A.L.H. Ernes, bijgestaan door de griffier, en is op 20 december 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.