Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1020

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
15/00401
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:1892, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges. WOB-verzoek. Heffing door onbevoegd bestuursorgaan. Proceskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/387
Belastingblad 2016/153 met annotatie van M.R.P. de Bruin
V-N 2016/23.23.5
FutD 2016-0464
NTFR 2016/728
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00401

uitspraakdatum: 9 februari 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 april 2015, nummer LEE 14/4284, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Slochteren (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is ter zake van het verstrekken van kopieën in het kader van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur (WOB) een bedrag aan leges in rekening gebracht van € 0,70.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte leges. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 september 2014 het bedrag aan leges gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak van de heffingsambtenaar in beroep gekomen. De rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 16 april 2015 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover daarin niet is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, en de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 245.

1.4.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 20 april 2015 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2015 te Arnhem. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

2 Feiten

2.1.

Het college van burgemeester en wethouders heeft aan belanghebbende een bedrag aan leges in rekening gebracht ter zake van het verstrekken van kopieën van stukken.

2.2.

Het college was niet bevoegd tot het heffen van leges. De bevoegdheid daartoe is toegekend aan de heffingsambtenaar.

2.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte leges. Op dit bezwaar is uitspraak gedaan door de heffingsambtenaar. Daarbij heeft hij de in rekening gebrachte leges gehandhaafd. In de uitspraak is niet beslist op belanghebbendes verzoek om een proceskostenvergoeding.

2.4.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat het bevoegdheidsgebrek in de uitspraak op bezwaar is hersteld, zodat dit gebrek niet leidt tot een gegrond beroep. Aangezien in de uitspraak niet is beslist op belanghebbendes verzoek om een proceskostenvergoeding, verklaart de Rechtbank het beroep om die reden gegrond. De heffingsambtenaar is veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 245 voor de in beroep door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding van € 245 te laag is.

3.2.

Belanghebbende heeft betoogd dat het bezwaar vanwege het bevoegdheidsgebrek gegrond moet worden verklaard en dat om die reden ook voor de bezwaarfase een proceskostenvergoeding moet worden toegekend.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de proceskostenvergoeding en tot toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 244 en voor de beroepsfase van € 245.

3.4.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Vaststaat dat de leges in rekening zijn gebracht door een niet tot heffing bevoegd bestuursorgaan. Een dergelijk bevoegdheidsgebrek vloeit niet voort uit schending van een vormvoorschrift. Daarom kan dit gebrek niet met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden gepasseerd (vgl. HR 24 december 2010, nr. 10/00154, ECLI:NL:HR:2010:BO0396).

4.2.

Dat hoeft echter niet zonder meer te leiden tot vernietiging van het besluit dat door het verkeerde bestuursorgaan is genomen. In het onderhavige geval heeft het bevoegde orgaan, de heffingsambtenaar, het bestreden besluit op de voet van artikel 7:11 Awb aan een inhoudelijke beoordeling onderworpen en uitspraak op het bezwaar gedaan. Daarmee is het onderhavige bevoegdheidsgebrek hersteld (vgl. HR 24 december 2010, nr. 10/00154, ECLI:NL:HR:2010:BO0396).

4.3.

Nu het bevoegdheidsgebrek in de uitspraak op bezwaar afdoende is gerepareerd, en de heffingsambtenaar voor het overige geen aanleiding heeft gezien de primaire beslissing te herroepen, dient het bezwaar van belanghebbende ongegrond te worden verklaard. Voor een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase is op grond van artikel 7:15 Awb dan geen plaats. Belanghebbendes andersluidende betoog faalt derhalve.

5 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. J.J. Westerbaan, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken 9 februari 2016.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 11 februari 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.