Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1019

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
15/00310
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:2000, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges. WOB-verzoek. Leges ten onrechte in rekening gebracht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/381
Belastingblad 2016/132 met annotatie van M.R.P. de Bruin
V-N 2016/23.23.1
FutD 2016-0461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00310

uitspraakdatum: 9 februari 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 maart 2015, nummer AWB 14/5756, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hattem (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is ter zake van de afgifte van kopieën in het kader van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur (WOB) een bedrag aan leges in rekening gebracht van € 4,05.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de in rekening gebrachte leges. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 augustus 2014 het bedrag aan leges gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak van de heffingsambtenaar in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 26 maart 2015 het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 7 april 2015 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2015 te Arnhem. Belanghebbende is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [A] en mr. [B] .

2 Feiten

2.1.

Bij brief van 28 mei 2014 heeft belanghebbende de gemeente Hattem – in het kader van de WOB – om toezending van de volgende stukken verzocht:

“1. de akten/besluiten van aanstelling/benoeming van de burgemeester en de gemeentesecretaris/algemeen directeur alsmede eventuele wijzigingsbesluiten.

2. de akten/besluiten van aanstelling/benoeming alsmede eventuele wijzigingsbesluiten van alle, doch maximaal 3, opsporingsambtenaren die verbonden zijn aan uw organisatie althans ten behoeve van uw organisatie werkzaam zijn.

3. de actuele akte van opsporingsbevoegdheid van de(zelfde) personen bedoeld onder 2. (dus met hetzelfde maximum).

4. de akten/besluiten van beëdiging, zijnde de akte van eed of belofte (als bedoeld in artikel 9 BARP of vergelijkbare toepasselijke bepaling) van de(zelfde) personen bedoeld onder 2. (dus met hetzelfde maximum).”

2.2.

In de brief van 28 mei 2014 heeft belanghebbende tevens het volgende verzocht:

“Als ik voor de inwilliging van dit verzoek aan u kosten verschuldigd ben, verzoek ik u mij dat en het totaalbedrag te laten weten voordat er kosten verschuldigd worden c.q. de stukken worden toegezonden.”

2.3.

Bij brief van 5 juni 2014 is namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem (hierna: het college) aan belanghebbende onder meer het volgende bericht:

“Wij hebben positief op uw verzoek besloten. U mag uiteraard kennisnemen van alle door u bedoelde stukken en gewenste informatie. Omdat niet uit te sluiten is dat het om een dusdanig aantal documenten gaat, dat u veel kosten verschuldigd bent – wij weten niet exact om hoeveel documenten het gaat – en u geen onnodige kosten wilt maken voor kopieën van niet of minder relevante documenten, zijn wij u graag behulpzaam.

Wij nodigen u daarom uit om binnen veertien dagen na verzending van deze brief met ons telefonisch een afspraak te maken voor het komen inzien van de door u bedoelde stukken en informatie, zodat wij samen met u de voor u relevante documenten en gegevens kunnen bepalen en er niet meer kopieën worden gemaakt dan u strikt wilt hebben.

Voor het maken van kopieën brengen wij u in overeenstemming met het door de gemeenteraad vastgestelde tarief leges in rekening.”

2.4.

Bij brief van 9 juni 2014 heeft belanghebbende de gemeente Hattem onder meer het volgende verzocht:

“In reactie op uw brief van 5 juni 2014 verzoek ik u om mij een opgave te verstrekken van de stukken die ik kan komen inzien. Daarmee bespaar ik mij een reis naar uw gemeentehuis en kan ik eenvoudig aangeven van welke stukken ik graag een kopie ontvang.”

2.5.

Bij brief van 19 juni 2014 is namens het college aan belanghebbende bericht:

“U verzoekt (…) ons een opgave te doen van de stukken die u in kan komen zien. De volgende stukken hebben wij in ons bezit welke wij openbaar kunnen maken en een afschrift aan u verstrekken:
1. het aanstellingsbesluit van de burgemeester (er zijn geen wijzigingsbesluiten);

2. het aanstellingsbesluit van de gemeentesecretaris (er zijn wijzigingsbesluiten);

3. het aanstellingsbesluit van de BOA (in Hattem hebben wij slechts één BOA in dienst);

4. de akte van opsporingsbevoegdheid en beëdiging.

Het gaat hier om zo’n 10 kopieën waarvoor u in totaal € 2,70 verschuldigd bent aan leges.”

2.6.

Bij brief van 23 juni 2014 heeft belanghebbende de gemeente Hattem bericht:

“In reactie op uw brief van 19 juni 2014 deel ik u mede dat ik van de gevraagde stukken graag een kopie ontvang.”

2.7.

Bij brief van 3 juli 2014 zijn namens het college de volgende stukken aan belanghebbende toegezonden:

“1. Aanstellingsbesluit gemeentesecretaris d.d. 21-9-2010;

2. Koninklijk besluit d.d. 4-12-2008;

3. Bezoldigingsbesluit burgemeester d.d. 30-1-2009;

4. Aanstellingsbesluit burgemeester d.d. 10-2-2009;

5. Benoemingsbesluit BOA d.d. 16-9-2009 (...);

6. Brief MinJus met afschrift "Akte van opsporingsbevoegdheid/-beëdiging" d.d. 22-03-2010;

7. Akte van opsporingsbevoegdheid en akte van beëdiging d.d. 22 maart 2010;

8. Proces-verbaal van beëdiging d.d. 28-4-2010;

9. Verklaring en belofte van zuivering d.d. 28-4-2010;

10. Brief Minjus met afschrift van gewijzigde akte van opsporingsbevoegdheid/-beëdiging d.d. 18-11-2011;

11. Akte van opsporingsbevoegdheid en akte van beëdiging d.d. 18-1-2011;

12. Benoemingsbesluit BOA d.d. 29-11-2010 (...);

13. Benoemingsbesluit leerplichtambtenaar d.d. 14-3-2006;

14. Ambtseed d.d. 7-11-2006;

15. Brief MinJus met afschrift van opsporingsbevoegdheid/-beëdiging d.d. 6-9-2006;

16. Akte van opsporingsbevoegdheid en akte van beëdiging d.d. 4-11-2011;

17. Proces-verbaal van beëdiging d.d. 10-8-2011.

U bent in totaal € 4,05 verschuldigd aan leges i.v.m. het maken van kopieën.”

2.8.

De heffingsambtenaar heeft ter zake van de afgifte van kopieën in het kader van belanghebbendes verzoek op grond van de WOB een bedrag aan leges in rekening gebracht van € 4,05.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of aan belanghebbende tot het juiste bedrag leges in rekening zijn gebracht.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de in rekening gebrachte leges.

3.3.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Artikel 12 WOB

4.1.

In artikel 12 WOB is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de centrale overheid regels kunnen worden gesteld met betrekking tot in rekening te brengen vergoedingen voor het ingevolge een verzoek om informatie vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan.

4.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar op grond van de Legesverordening 2014 van de gemeente Hattem (hierna: de Legesverordening) leges kan heffen voor reprokosten die de gemeente moet maken en dat daaraan het bepaalde in artikel 12 WOB niet afdoet.

4.3.

Het Hof acht dit oordeel juist. Het bepaalde in artikel 12 WOB brengt immers niet mee dat het de lagere overheden niet is toegestaan leges te heffen voor het vervaardigen van kopieën van documenten waarvan op grond van de WOB om openbaarmaking is verzocht (vgl. HR 8 februari 2013, nr. 12/00529, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693).

Heffende instantie

4.4.

Het aanslagbiljet vermeldt niet wie de leges heeft geheven, maar wel dat binnen zes weken bezwaar kan worden gemaakt bij de heffingsambtenaar. Nu uit het aanslagbiljet niet blijkt dat de leges door een ander zijn geheven, kan ervan worden uitgegaan dat deze door de heffingsambtenaar zijn geheven (vgl. HR 10 maart 2006, nr. 40.193, ECLI:NL:HR:2006: AV4036). De andersluidende grief van belanghebbende faalt derhalve.

Schriftelijke kennisgeving

4.5.

Blijkens artikel 6 van de Legesverordening worden leges geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat het aan belanghebbende toegezonden aanslagbiljet een schriftelijke kennisgeving betreft in de zin van artikel 6 van de Legesverordening. Van schending van artikel 6 is derhalve geen sprake.

Motiveringsklachten

4.6.

Naar het oordeel van het Hof geeft de uitspraak op bezwaar inzicht in de overwegingen die de heffingsambtenaar tot deze uitspraak heeft gebracht. Van een ondeugdelijke motivering is geen sprake. En zo al sprake is van een gebrekkige motivering, dan kan daaraan ingevolge artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht worden voorbijgegaan, nu niet is gebleken dat dit gebrek tot benadeling van belanghebbende heeft geleid.

Inzicht in heffing

4.7.

In de Tarieventabel is onder meer het volgende bepaald:

Titel 1 Algemene dienstverlening

(…)

Hoofdstuk 19 Diversen

(…)

1.19.1

voor de afgifte van kopieën van schriftelijke stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regels is opgenomen

1.19.1.1 per pagina op papier van A4 formaat € 0,27

(…)”

4.8.

Voornoemde bepaling in de Tarieventabel stelt de belastingplichtige in staat de omvang van de verschuldigde leges te leren kennen vóór het in behandeling nemen van de aanvraag (vgl. HR 22 juli 1985, nr. 22.780, BNB 1985/259 en HR 2 december 2005, nr. 40.079, ECLI:NL:HR:2005:AR7769). Verder is in het onderhavige geval vooraf – bij brief van 19 juni 2014 – voldoende inzicht gegeven in het beloop van het aan belanghebbende in rekening te brengen bedrag aan reprokosten. Voornoemde bepaling van de Tarieventabel is in zoverre derhalve niet onverbindend.

Hoogte leges

4.9.

In de brief van 19 juni 2014 is opgemerkt dat “het gaat (…) om zo’n 10 kopieën waarvoor u in totaal € 2,70 verschuldigd bent aan leges.” Naar het oordeel van het Hof heeft deze bewoording niet de strekking de exacte hoogte van de leges aan te kondigen, maar betreft dit veeleer een begroting van de te verwachten reprokosten. Het bedrag aan uiteindelijk geheven leges dat door de heffingsambtenaar is vastgesteld, kan daarvan in enigerlei mate afwijken. Naar het oordeel van het Hof kan de kostenopgaaf in de brief van 19 juni 2014 zich goed verdragen tot de door de heffingsambtenaar werkelijk geheven leges, te meer daar de afwijking in absolute zin (€ 1,35) marginaal is.

4.10.

Verder betoogt belanghebbende dat meer documenten in rekening zijn gebracht dan zijn gevraagd en dat er documenten dubbel in rekening zijn gebracht. Ook dit betoog kan niet slagen. Belanghebbende heeft in algemene bewoordingen om toezending van stukken verzocht (zie 2.1), waarbij toezending van door de heffingsambtenaar gekopieerde documenten niet bij voorbaat uitgesloten was. Vervolgens heeft zij, ondanks de daartoe door het college geboden mogelijkheid, nagelaten deze stukken tevoren in te zien maar ervoor gekozen de beoordeling ervan over te laten aan het college. Daarbij is niet gebleken dat het college stukken heeft toegezonden die in redelijkheid geen betrekking hebben op belanghebbendes verzoek. Verder zijn stukken dubbel verstrekt omdat deze een onlosmakelijk deel van een ander stuk vormen, zodat ook deze stukken in redelijkheid zijn verstrekt. Tot slot heeft de heffingsambtenaar onweersproken gesteld, dat aan belanghebbende slechts 15 kopieën in rekening zijn gebracht, terwijl er 21 kopieën aan belanghebbende zijn toegezonden. Nu gesteld noch gebleken is dat de heffingsambtenaar meer dan zes documenten ten onrechte heeft gekopieerd, zijn reeds daarom niet teveel kopieën in rekening gebracht.

4.11.

Ook in hetgeen belanghebbende overigens nog mocht hebben aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding te oordelen dat de leges ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn geheven.

5 Proceskosten

De heffingsambtenaar heeft ter zitting verzocht belanghebbende in de kosten te veroordelen vanwege kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het Hof ziet daartoe geen aanleiding. Belanghebbende bestrijdt in onderhavige procedure de aan haar in rekening gebrachte leges. Voor het bepalen van de gegrondheid van deze legesheffing heeft belanghebbende het recht haar zaak voor te leggen aan de belastingrechter. Dat belanghebbende gebruik maakt van dit elementaire recht levert, hoe gering het financiële belang ook is, geen misbruik van procesrecht op. Bovendien waren de daartoe door belanghebbende gebezigde gronden zodanig gefundeerd, dat niet kan worden gezegd dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Dat belanghebbende volgens de heffingsambtenaar een gewoonte ervan maakt bij een groot aantal gemeenten WOB-verzoeken in te dienen met het oog op het verkrijgen van een dwangsom of proceskostenvergoeding, doet aan voornoemd oordeel over de rechtsbescherming in het kader van de legesheffing niet af.

6 Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. J.J. Westerbaan, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 11 februari 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.