Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10169

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2016
Datum publicatie
16-12-2016
Zaaknummer
21-003202-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder 1 en 3, - kort gezegd – vernieling en mishandeling en spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde onder 2.

Het hof acht verdachte sterkt verminderd toerekeningsvatbaar en veroordeelt hem tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventig dagen, waarvan vijfentwintig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder algemene en bijzondere voorwaarden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en toewijzing van de vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003202-16

Uitspraak d.d.: 16 december 2016

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 mei 2016 met parketnummer 16-661801-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1944] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 december 2016 en – overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering – het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 1, 2 en 3 en heeft gevorderd dat verdachte ter zake van deze feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventig dagen, waarvan vijfentwintig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder algemene en bijzondere voorwaarden overeenkomstig het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 26 mei 2016. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.J.C. van Haren, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep ten aanzien van het tenlastegelegde onder 4

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het in eerste aanleg onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde, kan de verdachte hierin niet worden ontvangen. Hoger beroep ingesteld door verdachte tegen een gegeven vrijspraak is niet mogelijk. Verdachte zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover nog aan de orde, vernietigen omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal opnieuw recht doen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 2 november 2015 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk de voordeurruit en/of een of meer meubel(s) en/of de televisie en/of een spiegel en/of de koelkast, althans (een groot deel van) de inboedel/inventaris (van de woning gelegen aan het [adres] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door (telkens) met een ijzeren hamer(kop), althans een hard voorwerp, de voordeurruit van die woning in te slaan en/of (vervolgens) in die woning op/tegen (een groot deel van) de inboedel/inventaris te slaan en/of (een groot deel van) de inboedel/inventaris om te duwen en/of te trekken en/of daarmee te gooien;

2.
hij op of omstreeks 2 november 2015 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, door met een (ijzeren) hamer zich naar (de woning van) die [benadeelde] te begeven en/of (vervolgens) met die hamer de voordeurruit van die woning in te slaan en/of (vervolgens) een groot deel van de inboedel/inventaris van die woning te vernielen en/of (daarbij) te roepen "dood, dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3.
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot met 31 mei 2014 te Spanje opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, althans een persoon, te weten [benadeelde] , meermalen (met zijn vuist) in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1

Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder 1. Daartoe heeft hij aangevoerd dat noch sprake was van een van tafel en bed gescheiden echtgenoot, noch van een van goederen gescheiden echtgenoot ex artikel 316 van het Wetboek van Strafrecht, nu nog steeds sprake was van een bestaande gemeenschap tussen verdachte en aangeefster, zodat strafvervolging is uitgesloten op grond van artikel 353 van het Wetboek van Strafrecht.

Indien verdachte wordt aangemerkt als de van goederen gescheiden echtgenoot, ontbreek een bij de wet voorgeschreven klacht van aangeefster om verdachte ter zake van dit feit te kunnen vervolgen, aldus de raadsman.

Verwerping van het verweer

Het hof begint met de constatering dat de voordeurruit van de woning aan het [adres] te Amersfoort niet aan aangeefster toebehoorde, maar aan de woningbouwcorporatie, waarvan aangeefster de woning huurde. In zoverre treft het verweer geen doel en is het openbaar ministerie ontvankelijk in de strafvervolging van verdachte.

Ten aanzien van de overige goederen overweegt het hof met de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 1:99, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek wordt de wettelijke gemeenschap ontbonden op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot echtscheiding. In het onderhavige geval is het verzoek tot echtscheiding op 10 september 2014 ingediend, blijkens hetgeen de raadsman in eerste aanleg hieromtrent heeft verklaard. Dat betekent dat er sinds 10 september 2014 sprake is van een ontbonden goederengemeenschap, waardoor de (ex)echtgenoten wel van goederen gescheiden zijn in de zin van artikel 316, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, ook al heeft er nog geen (daadwerkelijk) algehele verdeling van goederen plaatsgevonden. Daar komt bij dat het in het onderhavige geval gaat om de vernieling van goederen die aanwezig waren op het adres waar enkel aangeefster woonde, nadat zij in 2014 feitelijk van verdachte was gescheiden.

Gelet op artikel 353 jo. 316, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is in dit geval voor vervolging een klacht vereist In lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad hieromtrent is het hof met de rechtbank van oordeel dat gezien de gedane aangifte van aangeefster en de door haar ingediende vordering als benadeelde partij de wens tot vervolging bij aangeefster bestaat, zodat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van verdachte ter zake van de tenlastegelegde vernieling.

Vrijspraak van het tenlastegelegde onder 2

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Aangeefster heeft verklaard dat zij gescheiden was gaan wonen van haar (inmiddels ex-) echtgenoot onder meer nadat hij haar had mishandeld, dat zij kort voor 2 november 2015 aangifte tegen hem had gedaan wegens bedreiging van een ander familielid, dat zij op 2 november 2015 werd gebeld door de broer van verdachte die haar vertelde dat verdachte helemaal dol was en had geschreeuwd en dat zij tijdens het telefoongesprek de deurbel hoorde gaan. Toen zij verdachte voor de deur zag staan, heeft zij 112 gebeld en is vervolgens via haar balkon naar de flat van de buurvrouw gevlucht. In de woning van de buurvrouw hoorde zij een vreselijk kabaal uit haar woning komen. Nadat verdachte door de politie was aangehouden, zag ze dat het een puinhoop was in haar flat. Kasten waren van de wand getrokken, er was een spiegel gesloopt en overal zat bloed. Zij was er van overtuigd dat verdachte, toen hij aanbelde, haar wat aan wilde doen. Niet is gebleken dat aangeefster, voordat zij naar de woning van de buurvrouw vluchtte, gezien heeft dat verdachte een hamer bij zich had. Ook is niet gebleken dat verdachte ‘dood, dood’ heeft geroepen. Verdachte heeft dit ontkend en aangeefster heeft hier niet over verklaard.

Voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde bedreiging is niet alleen vereist dat aangeefster zich redelijkerwijs bedreigd heeft kunnen voelen, maar ook dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de bedreiging, hetgeen betekent dat verdachte wist of er tenminste rekening mee hield dat aangeefster zou denken dat verdachte haar zou doden of zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Mede gelet op de persoon van de verdachte, is het hof er niet van overtuigd geraakt dat verdachte opzet had op de bedreiging, zoals in tenlastegelegd. Het hof zal daarom de verdachte hiervan vrijspreken.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op of omstreeks 2 november 2015 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk de voordeurruit en/ of een of meer meubel(s) en/of de televisie en/of een spiegel en/of de koelkast, althans ( een groot deel van ) de inboedel/inventaris ( van de woning gelegen aan het [adres] ) , in elk geval enig goed, geheel of ten dele , toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/ of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, door (telkens) met een ijzeren hamer ( kop ), althans een hard voorwerp, de voordeurruit van die woning in te slaan en /of ( vervolgens ) in die woning op/tegen (een groot deel van) de inboedel/inventaris te slaan en/of (een groot deel van) de inboedel/inventaris om te duwen en/of te trekken en/of daarmee te gooien;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot met 31 mei 2014 te Spanje opzettelijk mishandelend zijn echtgenote, althans een persoon, te weten [benadeelde] , meermalen ( met zijn vuist ) in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en /of pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Strafbaarheid van de verdachte

Rapportages betreffende verdachte

Omtrent verdachte zijn een tweetal Pro Justitia rapporten opgemaakt, te weten een psychiatrisch rapport van [deskundige 1] d.d. 9 februari 2016 en een psychologisch rapport van [deskundige 2] d.d. 14 april 2016. Voorts is er een aanvullend neuropsychologisch rapport opgemaakt door [deskundige 2] d.d. 14 april 2016. Deze rapporten houden in dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde onder 1 sprake was van het bestaan van een cognitieve stoornis NAO in de zin van een trage cognitieve verwerking, een aandachtsstoornis, een beperkte cognitieve flexibiliteit, een beperkt vermogen tot plannen, een gebrekkige impulscontrole evenals een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische, dwangmatige en ontremde kenmerken, deels het gevolg van niet-aangeboren hersenletsel naar aanleiding van een val op 6 oktober 2012. Een en ander en met name de gebrekkige impulsbeheersing heeft met zich meegebracht dat verdachte niet goed in staat is geweest om zijn gevoelens en zichzelf te beheersen en hij op agressieve wijze heeft gereageerd. Zodoende wordt geadviseerd verdachte ten aanzien van feit 1 sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Met betrekking tot het tenlastegelegde onder 3 dient te worden vastgesteld dat verdachte kort voordat het feit plaatsvond bewusteloos is geweest als gevolg waarvan hij op het moment dat hij weer bij kwam tijdelijk in een staat heeft verkeerd van verminderd bewustzijn en/of (nog meer) verminderd cognitief functioneren, zodat hij nog minder controle had over zijn gedrag dan normaliter. Geadviseerd wordt verdachte voor het tenlastegelegde onder 3 als tenminste sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid ter zake van het tenlastegelegde onder 3

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder 3 als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd nu hij geen enkele controle meer had over zijn gedrag ten tijde van het feit en hij zodoende dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de gerechtelijk psychiater weliswaar heeft geconcludeerd dat verdachte als ten minste sterk verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd, terwijl de forensisch neuropsycholoog heeft gesteld dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar tot ontoerekeningsvatbaar te beschouwen is.

Beoordeling door het hof

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid ter zake van het tenlastegelegde onder 3. Het hof overweegt dat, mede gelet op de verklaring van verdachte over dit feit – waaruit blijkt dat hij zich het feit kan herinneren en wat zijn motief was, namelijk dat hij boos was op aangeefster omdat toen hij was gevallen zij niet naar hem op zoek was gegaan – niet aannemelijk is geworden dat het feit hem in het geheel niet kan worden toegerekend.

Het hof neemt de conclusies van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] met betrekking tot de geestesgesteldheid van verdachte over en beschouwt verdachte voor het tenlastegelegde onder 1 en 3 als sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal strafbare feiten. Verdachte is allereerst met een hamerkop naar de woning van aangeefster gegaan om inlichtingen bij haar in te winnen omtrent een aangifte die tegen hem was ingediend. Verdachte heeft aldaar de ruit van de voordeur ingeslagen toen aangeefster de deur niet opende, is de woning binnengegaan en heeft, toen hij aangeefster niet kon vinden, verschillende goederen in de woning van aangeefster ernstig beschadigd. Voorts heeft verdachte zich in mei 2014 schuldig gemaakt aan mishandeling van aangeefster door haar meermalen te slaan. Door zo te handelen jegens zijn (ex-) vrouw heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en psychische integriteit.

In het voordeel van verdachte weegt mee dat hij blijkens zijn uittreksel justitiële documentatie d.d. 27 oktober 2016 niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Verder heeft verdachte er ter zitting blijk van gegeven achteraf wel in te zien dat aangeefster zich door zijn handelen ernstig bedreigd heeft gevoeld en zich nog steeds angstig voelt. Op dit moment is verdachte in therapie en werkt hij mee aan het normaliseren van het contact met zijn ex-vrouw.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder bovenstaande in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.280,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep gehandhaafd.


De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering volledig wordt toegewezen met inbegrip van de wettelijke rente en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte, die zich niet heeft verzet tegen de vordering, is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 70 (zeventig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 25 (vijfentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

1. zich binnen 7 (zeven) dagen na het onherroepelijk worden van het onderhavige arrest zal melden bij Reclassering Nederland, Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang als de reclassering dit gedurende de proeftijd noodzakelijk acht.;

2. zich ambulant moet laten behandelen bij GGZ Altrecht, afdeling Vesalius of een vergelijkbare instelling, ter beoordeling van de reclassering, indien en voor zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, en zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van de behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;.

3. zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd zal onthouden van direct of indirect contact met [benadeelde] behoudens in het bijzijn van zijn advocaat of de betrokken mediator in het kader van de boedelscheiding dan wel de behandelaar, althans met instemming van de reclassering.

Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.280,00 (duizend tweehonderdtachtig euro) bestaande uit € 630,00 (zeshonderddertig euro) materiële schade en € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag van € 1.280,- vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.280,00 (duizend tweehonderdtachtig euro) bestaande uit € 630,00 (zeshonderddertig euro) materiële schade en € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 november 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Heft op het - geschorste - bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. J.D. den Hartog, voorzitter,

mr. H. Abbink en mr. Y.A.J.M. van Kuijck, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier,

en op 16 december 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 16 december 2016.

Tegenwoordig:

mr. H. Abbink, voorzitter,

mr. C.L. van Kooten, advocaat-generaal,

mr. P.A.C. Admiraal, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.