Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1012

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
19-02-2016
Zaaknummer
14/00545, 14/00456 en 14/00547
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2014:2752, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Verzoek om teruggaven. Ontvankelijkheidsperikelen. Beheren van onroerend goed. Uitzondering op vrijstelling van toepassing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/384
V-N 2016/23.23.15
FutD 2016-0446
NTFR 2016/848 met annotatie van mr. J. Sanders jr.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 14/00545 tot en met 14/00547

uitspraakdatum: 9 februari 2016

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV, gevestigd te [Z] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 april 2014, nummers AWB 13/377 tot en met 13/379, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Roermond (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft bij brief van 3 april 2001 onder meer beslist dat verzochte teruggaven van omzetbelasting niet worden verleend. Belanghebbende heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt.

1.2.

Aan belanghebbende is op 29 mei 2002 over het tijdvak 19 april 1999 tot en met
31 december 2000 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van
€ 1.004.

1.3.

De Inspecteur heeft bij brief van 10 december 2004 aan belanghebbende medegedeeld dat haar nummer voor de omzetbelasting (hierna: OB-nummer) op non-actief is gezet. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 21 december 2004 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 21 november 2012 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat tegen de brief van 10 december 2004 geen bezwaar mogelijk is.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 21 december 2012 beroep ingesteld i) tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de brief van 3 april 2001, ii) tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag, en iii) tegen de uitspraak op bezwaar van 21 november 2012.

1.5.

De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft bij uitspraak van 29 april 2014 i) het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de brief van 3 april 2001 niet-ontvankelijk verklaard, ii) het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard, iii) het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 21 november 2012 ongegrond verklaard, en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.

1.6.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 2 juni 2014 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.7.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.8.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend alsmede nadere stukken.

1.9.

De Inspecteur heeft desgevraagd als nadere stukken ingediend i) een uitspraak op bezwaar van 20 juni 2014, ii) een uitspraak op bezwaar van 11 september 2014 en iii) een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 9 december 2014, nr. AWB 14/5283.

1.10.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015 te Arnhem. De zaken met de nummers 14/00545 tot en met 14/00547 zijn gezamenlijk behandeld. Belanghebbende is vertegenwoordigd door [A] , vergezeld van [B] . Namens de Inspecteur zijn verschenen [C] en [D] .

1.11.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek op de voet van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hervat om partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten over het materiële geschil.

1.12.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 3 juni 2015 aan partijen is toegezonden.

1.13.

Van belanghebbende is op 1 juli 2015 ter griffie een nader stuk met bijlagen ontvangen dat op 2 juli 2015 is doorgezonden aan de Inspecteur, die daarop bij stuk van
27 oktober 2015 heeft gereageerd. Het stuk van de Inspecteur is op 30 oktober 2015 doorgezonden aan belanghebbende.

1.14.

Belanghebbende heeft bij faxbericht van 11 januari 2016 een pleitnota toegestuurd.

1.15.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 27 januari 2016 te Arnhem. Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld in een andere samenstelling van de zetel dan bij de mondelinge behandeling van 20 mei 2015. Belanghebbendes gemachtigde [A] is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen
[C] en [D] .

1.16.

De Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

1.17.

Het Hof heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

1.18.

Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Procedure inzake brief van 3 april 2001 (teruggaaf omzetbelasting)

Ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet tijdig beslissen

2.1.

De Inspecteur heeft bij brief van 3 april 2001 aan belanghebbende meegedeeld dat zij met ingang van het tweede kwartaal 1999 niet wordt aangemerkt als belastingplichtige voor de omzetbelasting, dat de door belanghebbende verzochte teruggaven van omzetbelasting over het vierde kwartaal 1999 (ten bedrage van fl. 4.535 ofwel € 2.057) en het eerste kwartaal 2000 (ten bedrage van fl. 2.126 ofwel € 964) dan ook niet worden verleend, en dat de reeds verleende teruggaven van fl. 2.213 (€ 1.004) worden nageheven.

2.2.

Belanghebbende heeft bij brief van 12 april 2002 aan de Inspecteur onder meer meegedeeld dat voornoemde beslissing onjuist is. De Inspecteur heeft deze brief aanvankelijk niet als bezwaarschrift aangemerkt en heeft derhalve geen uitspraak op bezwaar genomen. Tussen partijen is niet langer in geschil dat deze brief als bezwaarschrift dient te worden aangemerkt.

2.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 21 december 2012 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 12 april 2002.

2.4.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat gezien het tijdsverloop tussen het bezwaar van
12 april 2002 en het ingestelde beroep van 21 december 2012, dit beroep onredelijk laat is ingediend en dat gelet op het bepaalde in artikel 6:12, lid 4, Awb het beroep derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.5.

Het vorenstaande doet niet eraan af dat de Inspecteur verplicht is alsnog een beslissing op het bezwaarschrift te nemen (vgl. HR 29 november 2013, nr. 13/00281, ECLI:NL:HR:2013:1365). Dat geldt ook indien een beroep dat is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk is verklaard.

2.6.

De Inspecteur heeft bij uitspraak van 11 september 2014 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Redengevend daarvoor is dat belanghebbende in de desbetreffende periode niet als ondernemer is aan te merken dan wel is aan te merken als ondernemer met uitsluitend vrijgestelde prestaties. Verder heeft de Inspecteur overwogen dat de uitspraak op bezwaar niet binnen een redelijke termijn is genomen, dat de redelijke termijn met ruim tien jaar is overschreden, dat dit aanleiding is een vergoeding van immateriële schade toe te kennen van 21 x € 500 ofwel € 10.500, en dat deze vergoeding zal worden verrekend met nog openstaande belastingschulden.

2.7.

Nu de Inspecteur alsnog op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft beslist, heeft belanghebbende geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. In zoverre dient het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Ontvankelijkheid bezwaar tegen brief van 3 april 2001

2.8.

Wel dient het Hof op grond van artikel 6:20, lid 3, Awb de alsnog genomen uitspraak van 11 september 2014 te beoordelen. Belanghebbende heeft ter zitting van 20 mei 2015 verklaard dat hij instemt met de in die uitspraak toegekende schadevergoeding van € 10.500 zodat in hoger beroep die beslissing geen beoordeling behoeft. De vraag of deze schadevergoeding kan worden verrekend met nog openstaande belastingschulden, kan in deze belastingprocedure niet aan de orde komen.

2.9.

Voornoemde uitspraak op bezwaar van 11 september 2014 heeft betrekking op belanghebbendes bezwaar tegen de brief van de Inspecteur van 3 april 2001 (zie 2.1). In deze brief heeft de Inspecteur teruggaaf van omzetbelasting geweigerd. De Inspecteur heeft ter zitting van 20 mei 2015 verklaard dat deze beslissing als een voor bezwaar vatbare (teruggaaf)beschikking in de zin van artikel 31, lid 8, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) moet worden aangemerkt, zodat daartegen ingevolge artikel 26, lid 1, AWR in verbinding met artikel 7:1, lid 1, Awb bezwaar en beroep openstaat. De Inspecteur heeft het bezwaar mitsdien terecht ontvankelijk verklaard.

Teruggaafbeschikking

2.10.

Vervolgens is de vraag of de Inspecteur in zijn uitspraak van 11 september 2014 terecht teruggaaf van omzetbelasting heeft geweigerd. Gelet op het hierna in 5.12 overwogene dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. De Inspecteur heeft mitsdien het bezwaar terecht ongegrond verklaard.

3 Procedure inzake naheffingsaanslag omzetbelasting

Ontvankelijkheid hoger beroep tegen niet-tijdig beslissen

3.1.

Aan belanghebbende is op 29 mei 2002 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.004.

3.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij bij brief van 28 juni 2002 bezwaar heeft gemaakt tegen voornoemde naheffingsaanslag. Zij heeft bij brief van 21 december 2012 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dit bezwaarschrift van 28 juni 2002.

3.3.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het bezwaarschrift van 28 juni 2002 aan de Inspecteur heeft verzonden, dat de Inspecteur een kopie van het bezwaarschrift pas ontvangen heeft als bijlage bij het pro forma beroepschrift van belanghebbende van 3 januari 2013, zodat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de brief van 28 juni 2002 ongegrond is.

3.4.

Het vorenstaande doet niet eraan af dat de Inspecteur verplicht is alsnog een beslissing op het bezwaarschrift te nemen (vgl. HR 29 november 2013, nr. 13/00281, ECLI:NL:HR:2013:1365).

3.5.

De Inspecteur heeft bij uitspraak van 20 juni 2014 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Verder heeft de Inspecteur ambtshalve overwogen dat belanghebbende in de desbetreffende periode niet als ondernemer is aan te merken dan wel is aan te merken als ondernemer met uitsluitend vrijgestelde prestaties, zodat belanghebbende niet in aanmerking komt voor aftrek van voorbelasting.

3.6.

Belanghebbende heeft bij brief van 31 juli 2014 beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur van 20 juni 2014. Bij uitspraak van 9 december 2014, nummer AWB 14/5283, heeft de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende het verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan.

3.7.

Nu de Inspecteur alsnog op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft beslist bij uitspraak van 20 juni 2014, heeft belanghebbende geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen niet tijdig nemen van een uitspraak op bezwaar. In zoverre dient het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wel dient het Hof op grond van artikel 6:20, lid 3, Awb de alsnog genomen uitspraak van 20 juni 2014 in onderhavige procedure te beoordelen.

Ontvankelijkheid bezwaar tegen naheffingsaanslag

3.8.

Het Hof stelt vast dat partijen ter zitting van 20 mei 2015 eenstemmig hebben verklaard dat belanghebbendes bezwaarschrift van 12 april 2002 in wezen is gericht tegen de naheffingsaanslag van 29 mei 2002, dat door de eerdere aankondiging van de Inspecteur in zijn brief van 3 april 2001 belanghebbende ook redelijkerwijs kon menen dat de naheffingsaanslag reeds tot stand was gekomen ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift, en dat derhalve op grond van artikel 6:10 Awb een niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven. Het Hof sluit zich daarbij aan. Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag is mitsdien ontvankelijk. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 20 juni 2014 ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, zodat deze dient te worden vernietigd.

Naheffingsaanslag

3.9.

Vervolgens is de vraag of de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld. In dat verband is de vraag aan de orde of in de in geding zijnde periode van 19 april 1999 tot en met 31 december 2000 belanghebbende recht had op aftrek van de belasting op de voet van artikel 15 Wet OB. Gelet op het hierna in 5.12 overwogene dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord. De Inspecteur heeft mitsdien de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld.

Vergoeding immateriële schade

3.10.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de procedure inzake de naheffingsaanslag. Gelet op de door de Inspecteur toegekende schadevergoeding van € 10.500 (zie 2.6) heeft belanghebbende ter zitting van 20 mei 2015 verklaard dit verzoek in te trekken.

4 Procedure inzake brief van 10 december 2004 (non-actief zetten OB-nummer)

Ontvankelijkheid bezwaar tegen brief van 10 december 2004

4.1.

De Inspecteur heeft bij brief van 10 december 2004 aan belanghebbende meegedeeld dat gelet op de ingediende aangiften omzetbelasting er geen activiteiten plaatsvinden, dat belanghebbende dus geen ondernemer is voor de omzetbelasting en dat haar OB-nummer op non-actief is gezet. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 21 december 2004 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 21 november 2012 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat tegen de brief van 10 december 2004 geen bezwaar mogelijk is.

4.2.

Tegen voornoemde mededelingen van de Inspecteur in de brief van 10 december 2004 staat ingevolge artikel 26, lid 1, AWR in verbinding met artikel 7:1, lid 1, Awb geen bezwaar en beroep open. De Rechtbank heeft mitsdien terecht geoordeeld dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat de Inspecteur het door belanghebbende gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard (vgl. HR 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797, r.o. 4.2.5).

4.3.

In hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, waaronder schending van de hoorplicht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, ziet het Hof geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De Rechtbank heeft in haar uitspraak in de onderdelen 14 en 15 daaromtrent een juiste beslissing genomen.

Vergoeding immateriële schade

4.4.

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Aangezien vanaf de dag dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt (21 december 2004) tot de dag waarop de Rechtbank uitspraak heeft gedaan (29 april 2014) in totaal negen jaar en vier maanden zijn verstreken, is de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak overschreden. Deze overschrijding is evenwel geen aanleiding voor schadevergoeding. Met de brief van 10 december 2004 was immers geen (direct) financieel belang gemoeid, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de lange duur van de procedure geen spanning en frustratie bij belanghebbende heeft veroorzaakt. Nu spanning en frustratie ontbreken, heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat volstaan kan worden met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. HR 29 november 2013, nr. 12/04301, ECLI:NL:HR:2013:1361).

5 Teruggaaf van voorbelasting

Feiten

5.1.

Belanghebbende heeft als bedrijfsactiviteit het beheren van onroerend goed. Zij heeft geen personeel in dienst. Zij is eigenaar van een bedrijfsruimte aan de [a-straat] 70a te [E] (hierna: het bedrijfspand). Zij heeft in 1999 en 2000 werkzaamheden aan het bedrijfspand laten verrichten. Ter zake van de daarvoor in rekening gebrachte omzetbelasting heeft zij de Inspecteur om teruggaaf verzocht.

5.2.

Op 21 oktober 1999 heeft belanghebbende met betrekking tot het bedrijfspand een huurovereenkomst gesloten met [F] BV. In deze huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

Het gehuurde, bestemming, gebruik

(…)

1.2

Het gehuurde mag uitsluitend worden gebruikt als winkel en opslagruimte.

Betalingsverplichting, betaalperiode

4.1.

De betalingsverplichting van huurder bestaat uit:

- de huurprijs

- de over de huurprijs verschuldigde omzetbelasting dan wel een daarmee overeenkomend bedrag in gevallen als bedoeld onder 15.2 van de algemene bepalingen, althans indien partijen een met omzetbelasting belaste huurprijs zijn overeengekomen.

4.2.

De huurprijs bedraagt op jaarbasis f 52.000,- (…)

Na de voorgenomen verbouwing, partijen volledig bekend, zal de huurprijs op jaarbasis
f 65.000,- bedragen (…). De verhoogde huurprijs gaat in met ingang van de maand volgende op die waarin de voorgenomen verbouwing is voltooid.

(…)

4.6.

Per betaalperiode van een kalendermaand bedraagt de huurprijs f 4.333.33 te vermeerderen met de omzetbelasting of een daarmee overeenkomend bedrag (zie 15.2 algemene bepalingen) althans indien partijen een met omzetbelasting belaste verhuur zijn overeengekomen. Na het gereedkomen van de verbouwing bedraagt de huurprijs f 5.416.67 per betaalperiode van een kalendermaand.

Omzetbelasting

5.1.

Alle bedragen genoemd in deze overeenkomst luiden exclusief omzetbelasting. Huurder is over de vergoeding voor bijkomende leveringen en diensten omzetbelasting verschuldigd. Bij belaste verhuur geldt dit ook voor de huurprijs. De omzetbelasting wordt door verhuurder in rekening gebracht en dient tegelijk met de huurprijs en de vergoeding voor bijkomende leveringen en diensten, of het voorschot daarop, te worden voldaan.

5.2.

Partijen komen overeen dat verhuurder aan huurder wel omzetbelasting over de huurprijs in rekening brengt.

5.3.

Indien is overeengekomen dat omzetbelasting over de huurprijs in rekening zal worden gebracht, verleent huurder bij deze een onherroepelijke volmacht aan verhuurder en diens rechtsopvolger(s) om mede namens hem(n) een verzoek als bedoeld in artikel 11 lid 1 sub b, 5o van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (optieverzoek tot belaste verhuur) in te dienen.”

5.3.

Bij brief van 2 mei 2002 heeft de Inspecteur het volgende aan belanghebbende geschreven:

“Heden heb ik de gevraagde kopie huurovereenkomst ontvangen van uw adviseur.

Het pand wordt verhuurd aan [F] BV. Voor de verhuur werd geen optieverzoek belaste verhuur gedaan op grond van artikel 11 lid 1 letter b ten vijfde van de Wet op de Omzetbelasting 1968. Tevens is het huurcontract niet als zodanig aan te merken. Dit houdt in dat de verhuur van het pand [a-straat] 70A te [E] vrijgesteld is van omzetbelasting.

In de aangiften voor de omzetbelasting is terzake van de huuropbrengsten ook geen omzetbelasting aangegeven.”

5.4.

Bij brief van 3 juni 2002 is namens belanghebbende daarop gereageerd. Bij deze brief is de volgende verklaring gevoegd:

“90%-verklaring

Ondergetekende, [F] B.V. gevestigd in [Z] , verklaart de onroerende zaak, plaatselijk bekend, [a-straat] 70A [E] kadastraal bekend Gemeente [E] , Sectie [Y] nummer [000] , groot 17 are, 3 ca te zullen gebruiken voor doeleinden waarvoor tenminste 90% recht op aftrek van omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de Omzetbelasting 1968 bestaat.

Het boekjaar van ondergetekende is gelijk aan het kalenderjaar.

Getekend te [Z] , d.d. 21 oktober 1999

[F] B.V.

[handtekening [A] ]”

5.5.

Bij brief van 6 juni 2002 heeft de Inspecteur het volgende geschreven:

“In reactie op uw schrijven van 3 juni 2002 deel ik u het volgende mee.

Indien aan de voorwaarden van mededeling 45 voldaan is, kan de huurovereenkomst in de plaats treden van het optieverzoek. In deze is echter niet voldaan aan de voorwaarden van de mededeling, omdat:

  1. in de huurovereenkomst niet verwezen is naar deze mededeling;

  2. de kadastrale aanduiding is niet opgenomen en

  3. de datum aanvang boekjaar van de huurder is niet vermeld.

Tevens ligt in punt 5.3 van de huurovereenkomst d.d. 21 oktober 1999 besloten dat de verhuurder en huurder een afzonderlijk optieverzoek zullen indienen.

Mijn standpunt zal ik dan ook niet herzien.”

Geschil

5.6.

In geschil is of de verhuur aan [F] BV is uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting voor de verhuur van onroerende zaken. Bij een bevestigende beantwoording heeft belanghebbende in de in geding zijnde periode van 19 april 1999 tot en met 31 december 2000 recht op teruggaaf van de omzetbelasting.

5.7.

De Inspecteur heeft ter zitting van 27 januari 2016 desgevraagd verklaard dat hij niet langer betwist dat de verhuur van het bedrijfspand kan worden aangemerkt als een economische activiteit.

Overwegingen

5.8.

Ingevolge artikel 11, lid 1, letter b, onder 5, Wet OB (tekst 1999 en 2000) is de verhuur van onroerende zaken als de onderhavige in beginsel vrijgesteld van omzetbelasting. Een uitzondering is evenwel mogelijk als de onroerende zaak wordt gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van de belasting bestaat en de verhuurder en de huurder gezamenlijk een verzoek daartoe aan de inspecteur hebben gedaan en overigens voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Die ministeriële regeling is gegeven in artikel 6a, lid 1, Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968.

5.9.

Vaststaat dat belanghebbende en de huurder geen gezamenlijk optieverzoek voor belaste verhuur hebben ingediend. Reeds daarom vindt de in artikel 11, lid, letter b, onder 5, Wet OB opgenomen uitzondering op de vrijstelling van verhuur van onroerende zaken geen toepassing. Bovendien heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de huurder het bedrijfspand heeft gebruikt voor doeleinden die recht geven op aftrek van ten minste 90% van de voorbelasting.

5.10.

In afwijking van het bepaalde in artikel 11, lid 1, letter b, onder 5, Wet OB heeft de staatssecretaris in Mededeling 45 – het besluit van 10 april 1996, nr. VB96/354, zoals dit is gewijzigd bij besluit van 24 maart 1999, nr. VB99/571 – goedgekeurd dat verhuurder en huurder mogen afzien van het indienen van een optieverzoek, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a in de, door partijen ondertekende, huurovereenkomst is, onder verwijzing naar deze regeling, duidelijk vermeld dat de verhuur belast is met omzetbelasting en is tevens vermeld de ingangsdatum van de belaste verhuur;

b bij de huurovereenkomst is een door de huurder ondertekende verklaring gevoegd – desgewenst kan de verklaring onderdeel uitmaken van de huurovereenkomst – waaruit blijkt dat hij de onroerende zaak gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van belasting op de voet van artikel 15 Wet OB bestaat;

c in de huurovereenkomst is opgenomen een omschrijving van de onroerende zaak met plaatselijke en kadastrale aanduiding alsmede de datum van aanvang van het boekjaar van de huurder;

d alle hiervoor onder de letters a tot en met c vermelde bescheiden, worden door de verhuurder in de administratie opgenomen, in dit verband zij verwezen naar artikel 34a Wet OB.

Verder is in dit besluit opgemerkt dat bij toepassing van deze goedkeuring artikel 11, lid 1, letter b, onder 5, Wet OB juncto artikel 6a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 onverkort van toepassing blijven, behoudens het vermelde inzake het indienen van een optieverzoek alsmede het afgeven van een beschikking.

5.11.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan voornoemde voorwaarden is voldaan. Zo ontbreekt in de huurovereenkomst onder meer een verwijzing naar Mededeling 45. Bovenal heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de huurder het bedrijfspand heeft gebruikt voor doeleinden die recht geven op aftrek van ten minste 90% van de voorbelasting.

5.12.

Gelet op het vorenstaande is de verhuur van het bedrijfspand in de onderhavige periode niet uitgezonderd van de vrijstelling van omzetbelasting voor de verhuur van onroerende zaken. Belanghebbende heeft derhalve in de in geding zijnde periode van 19 april 1999 tot en met 31 december 2000 geen recht op teruggaaf van de omzetbelasting. Mitsdien heeft de Inspecteur in zijn uitspraak van 11 september 2014 terecht teruggaaf van omzetbelasting geweigerd en heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld.

6 Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten omdat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende in beroep of hoger beroep kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

7 Beslissing

Het Hof:

– verklaart het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de teruggaafbeschikking van 3 april 2001 niet-ontvankelijk;

– verklaart het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar van 11 september 2014 (inzake de teruggaafbeschikking) ongegrond;

– handhaaft mitsdien de uitspraak op bezwaar van 11 september 2014 (inzake de teruggaafbeschikking en de toegekende vergoeding van immateriële schade van € 10.500);

– verklaart het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag van 29 mei 2002 niet-ontvankelijk;

– verklaart het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar van 20 juni 2014 (inzake de naheffingsaanslag) gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar van 20 juni 2014 (inzake de naheffingsaanslag);

– handhaaft de naheffingsaanslag;

– verklaart het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft de brief van
10 december 2004 (non-actief zetten OB-nummer) ongegrond;

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende de in beroep (€ 310) en in hoger beroep (€ 493) betaalde griffierechten vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. J.A. Monsma en
mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2016.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 11 februari 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.