Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10068

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-12-2016
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
200.192.153
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie. Geen samenleving in gezinsverband, behoefte op basis van gemiddelde inkomens. Geen vermijdbare last, schuldhulpverleningstraject, minimale draagkracht. Ingangsdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.192.153

(zaaknummer rechtbank Gelderland, 290495)

beschikking van 13 december 2016

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.C. van ‘t Hek te Den Haag,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Schrik te Putten.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 maart 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 mei 2016;

- het verweerschrift met producties;

- een journaalbericht van mr. Schrik van 30 september 2016 met productie;

- een journaalbericht van mr. Van ’t Hek van 8 oktober 2016 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 oktober 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad maar niet samengewoond.

3.2

Uit de vrouw is op [geboortedatum] 2014 [kind] geboren, over wie de vrouw alleen het gezag uitoefent.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind].
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 18 maart 2016 die bijdrage met ingang van 1 oktober 2015 vastgesteld op € 300,- per maand.

4.2

De man is met één grief in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De man verzoekt het hof bij beschikking, per datum indiening verzoekschrift eerste aanleg, althans per datum beroepschrift, althans per een datum die het hof redelijk en in het belang van [kind] voorkomt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de rechtbank uitgesproken onderhoudsverplichting in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] te vernietigen en te bepalen op nihil, althans op € 25,-, althans op een bedrag dat het hof juist acht.

4.3

De vrouw voert verweer. De vrouw verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden en de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel dat hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat hij niet langer twijfelt dat hij de verwekker is van [kind], zodat het hof ervan uitgaat dat de man de verwekker is van [kind].

5.2

Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van [kind] aan een bijdrage van de man.

5.3

Volgens het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen wordt de behoefte van een kind waarvan de ouders nooit in gezinsverband hebben samengeleefd aldus bepaald dat het gemiddelde wordt genomen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder.

De vrouw stelt dat zij, nu de man onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de hoogte van zijn inkomen, een schatting heeft moeten maken van de behoefte op basis van het inkomen van beide ouders.
De man voert aan dat de vrouw niet heeft aangetoond wat de behoefte van [kind] is en dat het voor haar rekening en risico komt dat er geen behoefteberekening is overgelegd.

€ Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende gegevens over zijn inkomsten heeft overgelegd om de behoefte te kunnen vaststellen. De man heeft wel enkele stukken overgelegd maar deze geven - gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw - geen volledig beeld van zijn inkomsten vanaf 1 oktober 2015.

Uit de aangifte inkomstenbelasting blijkt dat de man in 2015 een belastbaar inkomen heeft ontvangen van € 9.941,- uit zijn werkzaamheden bij [A] Montage Services B.V. Naar de vrouw onweersproken heeft gesteld, heeft de man ook gewerkt voor een Italiaanse rederij, maar daarvan zijn geen stukken overgelegd.
Het ligt op de weg van de man om zijn betwisting van de stelling van de vrouw dat de behoefte van [kind] € 300,- per maand bedraagt, te onderbouwen. Nu de man dat heeft nagelaten stelt het hof de behoefte van [kind] op het door de vrouw gestelde bedrag van € 300,- per maand.

5.4

De man stelt voorts dat zijn draagkracht niet toereikend is om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] te betalen.

De man verzoekt rekening te houden met zijn betalingsverplichting uit hoofde van het schuldhulpverleningstraject, daartoe stellende dat het buiten beschouwing laten van die verplichting bij de vaststelling van een bijdrage voor hem tot een onaanvaardbaar resultaat leidt, omdat hij bij deze bijdrage met zijn inkomen niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud kan voorzien. Indien het hof hem evenwel de minimale bijdrage van € 25,- per maand zal opleggen zal hij deze betalen, aldus de man.

5.5

Het hof overweegt het volgende. Gebleken is dat de man op 11 april 2016 een schuldhulpverleningscontract heeft afgesloten met/bij financieel adviesburo Deco.

Uit de stukken van de schuldhulpverlening blijkt dat het totaal van de schulden € 16.463,49 bedraagt. Voorts blijkt uit deze stukken dat de man een inkomen heeft van

€ 1.197,85 netto per maand, kostgeld ontvangt van € 460,- per maand en extra inkomsten heeft van € 200,- per maand, zodat hij in totaal een netto inkomen heeft € 1.857,85 per maand. Voorts wordt er daarbij van uitgegaan dat de vaste lasten van de man € 1.379,24 per maand bedragen, inclusief kostgeld/leefgeld van de man van € 150,- per maand, zodat de man een aflossingsruimte heeft van € 478,61 per maand.

De vrouw heeft deze stukken van het schuldhulpverleningstraject van de man niet dan wel onvoldoende betwist. Evenmin heeft zij gesteld dat geen rekening zou moeten worden gehouden met de aflossing van deze schulden van de man.

5.6

Het hof stelt voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen. Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter, maar alleen goed gemotiveerd, buiten beschouwing kan laten.

Het hof stelt vast dat geen sprake is van een vermijdbare last in de zin dat de man zich van die last kan bevrijden of daarvoor een regeling kan treffen, anders dan via een periodieke aflossing hetgeen hij via het schuldhulpverleningstraject heeft gedaan. Evenmin kan de man de door hem opgevoerde schulden voldoen uit zijn vrije ruimte. Dit brengt met zich dat de man niet in staat is meer bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] dan de, conform de in het Rapport Alimentatienormen genoemde draagkrachttabel, vastgestelde minimale beschikbare draagkracht van € 25,- per maand. Gelet op de door de man gedane toezegging een bijdrage van deze hoogte te zullen betalen, acht hij een dergelijk bedrag kennelijk aanvaardbaar.

5.7

Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

Het hof hanteert als ingangsdatum van de verplichting tot betaling van de kinderalimentatie 1 oktober 2015, zijnde de eerste van de maand volgende op de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg, nu de man vanaf toen rekening heeft kunnen houden met een door hem te betalen onderhoudsbijdrage voor [kind].

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van

18 maart 2016, en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 oktober 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] € 25,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, A. Smeeïng-van Hees en R. Feunekes, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 13 december 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.