Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1004

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
16-02-2016
Zaaknummer
200.167.180/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijds hoger beroep tegen beslissing in deelgeschil. Appellante slechts gedeeltelijk ontvankelijk in haar appel. Tegen de beslissing van de deelgeschilrechter dat geen nader onderzoek door een deskundige nodig is naar het causaal verband staat geen appel open. Deze beslissing heeft niet het karakter van een bindende eindbeslissing.

NN heeft, naar het oordeel van het hof, in strijd met de GPO besloten een persoonlijk onderzoek, bestaande uit het observeren van appellante, te doen verrichten. De resultaten van dit onderzoek dienen terzijde te worden gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2016/30
VR 2017/36
PS-Updates.nl 2016-0081 met annotatie van A.I. Schreuder
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.167.180/01

(zaaknummer deelgeschilprocedure: rechtbank Noord-Nederland C/18/151386 / HA RK 14-264

zaaknummer bodemprocedure: rechtbank Noord-Nederland C/18/154593))

arrest van 9 februari 2016

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.G. Keizer, kantoorhoudend te Amersfoort, die ook heeft gepleit,

tegen

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: NN,

advocaat: mr. D.J. van der Kolk , kantoorhoudend te Rotterdam, die ook heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van

26 november 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen (hierna: de rechtbank) op het door [appellante] aanhangig gemaakte deelgeschil en in de rolbeschikking van 11 maart 2015 van deze rechtbank.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van dagvaarding van 18 maart 2015 is door [appellante] hoger beroep ingesteld tegen de deelgeschilbeschikking van de rechtbank.

2.2

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep van 18 maart 2015;

- de akten uitlating ontvankelijkheid d.d. 14 april 2015 en 12 mei 2015 door [appellante] ;

- de memorie van grieven van 7 juli 2015 met 10 producties;

- de memorie van antwoord van 18 augustus 2015 met 5 producties;

- het gehouden pleidooi waarbij pleitnotities zijn overgelegd.

2.3

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

2.4

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

“(…) de tussen partijen gewezen door de Rechtbank Noord-Nederland op
26 november 2014 gewezen beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Tussen partijen voor recht te verklaren dat het in opdracht van Nationale Nederlanden uitgevoerde fraudeonderzoek / persoonlijk (observatie)onderzoek op onrechtmatige gronden is uitgevoerd, en onrechtmatig jegens [appellante] is geweest, en dat het dientengevolge onrechtmatig verkregen bewijs niet door Nationale Nederlanden mag worden meegewogen bij de beoordeling van de schadezaak van [appellante] , alsmede;

II. Tussen partijen voor recht te verklaren dat bij [appellante] als gevolg van het ongeval van 28 augustus 2007 sprake is van de onder paragraaf 8 van onderhavige memorie, althans de door Rutgers in zijn rapportages van 24 september 2010 en 15 april 2011 beschreven (geformuleerde) klachten en beperkingen, althans dat deze klachten en beperkingen aan het ongeval van 28 augustus 2007 moeten worden toegerekend, alsmede;

III. Nationale Nederlanden te veroordelen om de kosten van het deelgeschil, te begroten op een bedrag van € 9.177,00 aan [appellante] te vergoeden, dan wel,

IV. Uitsluitend indien het onder III gevorderde wordt afgewezen, Nationale Nederlanden te veroordelen om terzake de kosten van het deelgeschil een bedrag van € 6.118,00 aan [appellante] te betalen, alsmede,

V. Te bepalen dat de procedure na het wijzen van arrest zal worden terugverwezen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, zodat de rechtbank Noord-

Nederland met inachtneming van het door UEA Gerechtshof te wijzen arrest verder

kan beslissen op de door [appellante] bij inleidende dagvaarding geponeerde vorderingen, alsmede;

VI. Nationale Nederlanden te veroordelen tot betaling van de kosten in appel, één en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke renten over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

VII. Nationale Nederlanden te veroordelen tot betaling van de nog te maken nakosten”.

2.5

NN heeft geconcludeerd tot ontzegging van haar vordering aan [appellante] , hetzij door haar niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar vordering af te wijzen met veroordeling van [appellante] in de kosten van dit hoger beroep.

3 De feiten

3.1

Op één uitzondering na, zijn tegen de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.15), geen grieven gericht, zodat van die feiten kan worden uitgegaan. De uitzondering betreft de vaststelling door de rechtbank dat het deskonderzoek is verricht door middel van publiek toegankelijke bronnen, waartegen [appellante] met grief 1 opkomt. Het hof zal die grief hierna afzonderlijk behandelen. De overige door de rechtbank vastgestelde feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, komen op het volgende neer.

3.2

[appellante] heeft een universitaire opleiding diergeneeskunde afgerond. Zij heeft zich gespecialiseerd in diergeneeskunde bij paarden. [appellante] heeft na afronding van haar studie gedurende enige tijd als dierenarts in loondienst gewerkt in een praktijk van diergeneeskunde.

3.3

In de periode van juli 2006 tot en met juli 2007 heeft [appellante] onder medische behandeling gestaan in verband met door haar ondervonden rugklachten, hoofdpijnklachten en vermoeidheidsklachten na een verkeerd gezette ruggenprik.

3.4

In april 2007 hebben [appellante] en haar levenspartner (die zich ook professioneel met paarden bezighoudt) een boerderij met stallen en weidegrond aangekocht, met de intentie om daar een bedrijf op te richten. Dat bedrijf, [naam vof appellante] V.O.F., waarvan [appellante] en haar partner vennoot zijn en dat zich richt op de revalidatie van paarden, is ook opgericht.

3.5

[appellante] is op 28 augustus 2007 betrokken geweest bij een verkeersongeval, te weten een kopstaartbotsing. Ten tijde van het ongeval was zij 28 jaar oud.

3.6

[appellante] heeft NN, de WAM-verzekeraar van de veroorzaker van het ongeval, aansprakelijk gesteld voor de door haar ten gevolge van het ongeval geleden (letsel)schade. NN heeft aansprakelijkheid erkend.

3.7

Tussen partijen zijn onderhandelingen gevoerd. NN heeft aan [appellante] voorschotten uitgekeerd ter hoogte van € 170.000,00.

3.8

Op 17 juli 2008 heeft re-integratiedeskundigedeskundige De Vree en op 25 november 2008, 7 juli 2009, 26 november 2009 en 10 februari 2010 heeft re-integratiedeskundige Dagan in opdracht van beide partijen over de beperkingen en activiteiten van [appellante] gerapporteerd. In deze rapporten is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
- rapport van 17 juli 2008:

“Zij probeert wat hand- en spandiensten te verlenen tijdens het voederen en verzorgen van de paarden en de huisdieren (honden en katten). Van een substantiële bijdrage kan nog geen sprake zijn in dit stadium, aldus betrokkene. Wel onderhoudt zij de contacten met de eigenaren van de paarden en zij verricht de administratieve taken. Overigens verdeelt zij deze taken over de gehele week. Verder doet zij de boodschappen en kookt zij merendeels.

(...)

Hoewel het al in het toekomstbeeld besloten lag, is betrokkene nu sneller genoodzaakt over te gaan op een meer holistische behandeling van de paarden. Een aanzet hiertoe is de opleiding acupunctuur in De Bilt. Wat betreft de holistische behandeling overweegt betrokkene de opleiding Holistische Diergeneeskunde te volgen. Dit is een 4 jarige opleiding te De Bilt bij de Stichting Educatie Holistische Diergeneeskunde (S TEHD).”

-
rapport van 25 november 2008:

“Betrokkene legt uit dat de opleiding Acupunctuur onderdeel uitmaakt van de opleiding tot Holistische dierenarts. Na de module Acupunctuur volgen nog modules als homeopathie, fytotherapie (kruidengeneeskunde), gedrag en lecherantenne (energetische therapie). Betrokkene schat in nog circa 4 jaar nodig te hebben voor deze studie. Na afronding van de module Acupunctuur is zij bevoegd veterinaire acupuncturist. Wanneer zij alle modules heeft behaald is zij bevoegd holistisch dierenarts.(...)

Betrokkene geeft aan dat zij zich ‘s morgens op haar best voelt. Op werkdagen

(maandag tot en met vrijdag) rijdt zij elke ochtend 30 minuten paard. Betrokkene ziet

dit als therapie. Zij verricht administratieve taken en onderhoudt de contacten met de

eigenaren van de paarden.”

-
rapport van 7 juli 2009:

“Betrokkene heeft een start gemaakt met de hervatting van haar oorspronkelijke

werkzaamheden als dierenarts. Hierbij ondervindt zij een toename van pijnklachten

aan het hoofd, de nek en schouders.

Betrokkene is bewust bezig met het doseren van de omvang, inhoud en tempo van het werk. Na 3 maanden wil zij de balans opmaken en evalueren of zij het huidige niveau continueert of dat een geleidelijke opbouw tot de mogelijkheden behoort.”

-
rapport van 26 november 2009:

“In het voortgangsbericht van 7 juli 2009 deelde ik u mee dat betrokkene 2 dagdelen

per week was gestart met de hervatting van haar werkzaamheden. (...)

Desgevraagd geeft zij aan dat haar dagritme bestaat uit lichte huishoudelijke taken,

zoals boodschappen doen en koken afgewisseld met rusten. (...)

Uit het bovenstaande kunt u opmaken dat betrokkene nog altijd een lage en

wisselende belastbaarheid ervaart. In de maanden mei, juni en juli 2009 heeft zij 2

dagdelen per week gewerkt. Het is haar niet gelukt dit vol te houden danwel weer op te starten, In dit licht sprak ik met haar en partijen over het aanbieden van een

belastbaarheidverhogende training. Aangezien betrokkene en u hierover positief zijn,

verneem ik graag of ook uw medisch adviseur zich hierin kan vinden.”

3.9

Op 27 mei 2010 heeft de neuroloog professor A.W.F. Rutgers in gezamenlijke opdracht van partijen onderzoek verricht naar de medische situatie van [appellante] . Prof. Rutgers heeft op 24 september 2010 gerapporteerd. In de anamnese van zijn rapport heeft prof. Rutgers onder meer het volgende vermeld:
“Wat ze wel en niet kan is heel onvoorspelbaar, per dag on-afhankelijk. Gemiddeld heeft ze per week 2-3 dagen zware migraine en 2-3 dagen hoofdpijn. Nu en dan is er een dag dat ze fris in het hoofd is, goed kan denken.(...)

Ze kan op een dag haar ADL doen. Stofzuigen lukt helemaal niet. Ze wandelt met

hondjes, op therapeutische basis probeert ze paard te rijden. Daar zat geen stijgende

lijn in, ze deed het een half uur per dag. Computerwerk kan alleen afhankelijk van hoe ze zich voelt. Ze is nu 34 weken zwanger. Sinds 3 maanden – veel bloedverlies, bekkeninstabiliteit – doet ze heel weinig, ligt ze veel op bed.
Haar werk als dierenarts is eigenlijk na het ongeluk ongeveer nihil geweest. Ze kan de handelingen niet doen, kan niet altijd opletten. Ze kan van tevoren niet voorspellen hoe ze is. Ze heeft het vorig jaar geprobeerd, maar het lukte niet.(...)
Werksituatie:
(…)
Toen ze beter werd hebben ze een bedrijfsplan opgezet voor een paardenrevalidatiecentrum. Ze hebben daar een boerderij in [woonplaats] voor gekocht. Zij zou daar het diergeneeskundig deel doen. Daarnaast zou ze als sportarts paarden behandelen. Revalidatie doet haar vriend. Voor de begeleiding komen 2 collega’s. Haar titel helpt wel bij het binnenhalen van klanten. (…) Zij is te traag om zelf dingen te kunnen doen bij paarden. (…) Ze onderhoudt nu het contact met de klanten. Het financiële stuk heeft ze moeten afstaan, omdat ze niet lang achter de computer kan zitten. Ze doet wel het factureren.

Hobby’s:

Paarden, paardrijden, ze heeft voorheen op hoog niveau gereden. Nu rijdt ze

beperkt.(...) Ze kookte thuis wel, boodschappen deed ze met weinig tillen.(...) Als ze

iets sociaals doet en het is druk heeft ze erna meer last.”

De aan hem voorgelegde vraag 1F - Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaal diagnostische overweging geven? - heeft prof. Rutgers als volgt beantwoord:
“Betrokkene heeft een weke delen letsel van de nek gehad, met postwhiplash syndroom. Er zijn geen aanwijzingen voor (doorgemaakte) neurologische uitvalsverschijnselen. Er is een combinatie van persisterende pijnklachten in nek en hoofd, bewegingsbeperking van de nek en vegatieve dysregulatie, met klachten over haar inspanningsvermogen en cognitief functioneren. Om meer helderheid over eventuele beperkingen in het cognitief functioneren te krijgen werd een neuropsychologisch onderzoek verricht, waarbij lichte stoornissen in het visuele geheugen, stoornissen in de aandachtsfuncties en verhoogde vermoeibaarheid gevonden worden.
Differentiaal diagnostisch vind ik geen aanwijzingen voor andere diagnoses.”
Prof. Rutgers heeft, in antwoord op vraag 2C, aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat er op zijn terrein klachten en verschijnselen zijn die [appellante] ook zou hebben gekregen zonder het ongeval.

3.10

Op 23 juni 2010 heeft neuropsycholoog drs. G. Kraaijenbrink onderzoek verricht naar de medische situatie van [appellante] . Drs. Kraaijenbrink heeft op 24 september 2010 gerapporteerd. De resultaten van het onderzoek van drs. Kraaijenbrink zijn door prof. Rutgers in diens rapport betrokken. In de anamnese in het rapport van drs. Kraaijenbrink is onder meer het volgende vermeld:
“Samen met hem is ze nu een bedrijf begonnen, een revalidatiecentrum voor paarden en dat begint nu erg goed te lopen. Men heeft inmiddels een wachtlijst. Betrokkene kan echter nauwelijks een rol spelen in het bedrijf, de diergeneeskundige zorg wordt waargenomen door externe dierenartsen. Het enige dat betrokkene kan doen is wat observeren en wat lichte hand en spandiensten verrichten. Zo houdt ze afspraken bij, brengt ze de koffie als er gasten zijn, ontvangt ze wat klanten en doet ze kleine boodschapjes. Ze heeft echter de moed nog niet opgegeven, misschien dat ze over een tijd iets meer kan en bijvoorbeeld halve dagen kan gaan werken. In dat stadium is ze echter nu nog niet. (…)

Paardrijden lukt niet meer, het is althans geen feest. Er is nu een paard geselecteerd dat heel “vlak” rijdt, mogelijk dat betrokkene daar in de toekomst weer wat op kan rijden.”

3.11

In een aanvullend rapport van 15 april 2011 heeft prof. Rutgers vragen beantwoord van de medisch adviseur van NN naar aanleiding van zijn eerste rapport. Een van de vragen betrof het verband tussen het ongeval en de migraine. Op die vraag heeft prof. Rutgers het volgende geantwoord:
“Op deze vraag is moeilijk een concreet, kwantitatief antwoord te geven. De beschreven multifactoriële genese, waarbij intrinsieke aan de persoon gebonden kenmerken een belangrijke rol spelen, ondersteun ik. Exogene factoren, zoals een trauma, spelen eveneens een rol.
Bij betrokkene was - op grond van anamnestische gegevens - voor het ongeval geen sprake van migraine. Sinds het ongeval heeft ze veel hinder van de migraineklachten. Het ongeval lijkt bij haar daarom een belangrijke exogene factor in het ontstaan van migraine te zijn en ertoe geleid te hebben dat de voor dit ongeval niet-manifeste migraine-aanleg manifest is geworden.
In het klachtenpatroon van betrokkene speelt de hoofdpijn, met kenmerken van migraine, een dominante rol. 2-3 dagen per week kan ze weinig doen door migraine. De migraine wordt uitgelokt door lichamelijke activiteit, waardoor ze zich ook op de dagen zonder migraine beperkt kan inspannen. In het geheel van haar klachten en beperkingen lijkt de migraine daarom een prominente rol te spelen.”

3.12

UWV-arts Dijkstra heeft op 30 juni 2011 een rapportage opgesteld. In dat rapport is onder meer het volgende vermeld:
“Ze tilt haar kind van bijna 1 jaar zo min mogelijk (doet veel op de grond), maar tilt haar kind wel als het moet. Boodschappen doet ze zelf maar zorgt er dan ook voor dat ze niet te zwaar tilt.(...) Computeren doet ze daarom niet langer dan een kwartier achter elkaar. Auto rijden in de regen is ook lastig omdat ze dan teveel geconcentreerd moet opletten. (...) Ze heeft 2 of 3 jaar een revalidatie behandeling gehad. Dit heeft niet geholpen. Wel heeft ze geleerd de pijn te accepteren en haar leven nu in te richten naar haar lijf. (...)

Betrokkene gaat dan zelf 3 a 4 keer per week een half uurtje paard rijden op een goed getraind paard. Dat gaat wel goed (van fitnes kreeg ze teveel last, paard rijden gaat veel beter en is belangrijk om de wervelkolom soepel te houden). Bekijkt dan bijvoorbeeld weer even de mail, kookt eten, doet een spelletje met de kleine en die gaat dan om half 8 naar bed. (...)

Cliënte wil haar eigen werk weer voor een deel gaan oppakken (accupunctuur geven

aan paarden). Ze wil eerst proberen 4 paarden per week te zien, verdeeld over 2 dagen. Per paard/eigenaar is ze dan ongeveer ¾ uur bezig. Ze moet zich dan wel goed kunnen concentreren maar denkt dat ze dat die tijd wel volhoudt, ook omdat ze in die ¾ uur ook kan afwisselen met wat lichamelijk werk (naalden prikken).”

3.13

Op 20 juli 2011 is door UWV-arbeidsdeskundige H. Brakels gerapporteerd. In de samenvatting van zijn rapport heeft hij onder meer geschreven:
“Mevrouw [appellante] zal enkele werkzaamheden in het eigen bedrijf, een paardenrevalidatie bedrijf, gaan verrichten. Het bedrijf heeft ze samen met haar echtgenoot in de vorm van een V.O.F. Of dat ook inkomsten als zelfstandige zal gaan inhouden is nu nog niet bekend. Mevrouw [appellante] zal ons inlichten zodra ze inkomsten zal hebben als zelfstandige.”
Dit rapport en dat van Dijkstra is ter kennis gebracht van NN.

3.14

In een brief van 4 januari 2012 heeft de advocaat van [appellante] onder meer het volgende geschreven aan de advocaat van NN:
“Cliënte is inmiddels weer in staat om een aantal paarden per week te behandelen, maar dat aantal is wel beperkt tot 4-6 paarden. Het behandelen van een groter aantal paarden blijkt (fysiek) te belastend.”

3.15

Ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar Movir heeft de afdeling arbeidsdeskundig advies van CED Mensenwerk een drietal rapporten opgesteld, d.d. 6 oktober 2008, 17 februari 2009, en 26 februari 2013. Deze rapporten heeft [appellante] op 8 april 2013 aan NN toegezonden. In het rapport van 26 februari 2013 is onder meer het volgende vermeld:
“Dit heeft haar veel inzicht gegeven in wat de klachten doet toenemen. Zij kan e.e.a.

daardoor nu beter ‘managen’ en het beloop van haar klachten vertoont hierdoor een

vlakkere lijn. Zij vertelt hierover het volgende: haar klachten zijn belastingafhankelijk. (...)

Autorijden gaat goed zolang zij niet in de regen of in het donker rijdt. (…)
Zij probeert weer wat paard te rijden maar kan dat alleen oppaarden die ‘los in de mond’ zijn omdat zij geen trekkracht kan verduren. (...)

Zij vult (naast een beperkte arbeidsinzet, zie 2.2.3) haar dagen met de zorg voor de kinderen, het - verspreid over de week - doen van boodschappen, het kijken naar de training van paarden in de bak naast het huis. Dit laatste slechts beperkt want alleen meekijken is al belastend. Zij doet alles in kleine stukjes.
(...) Men voert een VOF onder de naam ‘ [naam vof appellante] ’. (...)

Inmiddels werkt zij 1 x per 2 weken 2,5 uur, meest op woensdagmiddag, soms op

vrijdag of zaterdag. Zij selecteert op ‘leuke’ mensen en paarden. Gedurende deze 2,5

uur ziet zij ca. 5 paarden. Een behandeling bestaat uit het goed kijken naar een

patiënt, het opstellen van een behandelplan en het toepassen van chiropractie en

acupunctuur. Verzekerde stelt dat dit fysiek niet zwaar is, het komt grotendeels aan op techniek. Voor het zwaardere werk, zoals wervelkolomonderzoek worden derden

ingehuurd.

Andere activiteiten zijn:

• 1 1 x per 4-6 weken (wanneer zij haar moeder in het westen van het land bezoekt) het zien van een of meerdere paarden in een stal te [plaats] .

• 1 Ondernemerstaken; beantwoorden van post en mail, overleg, ca. 2 uur per week.

• 1 Het verzorgen van een module functionele anatomie aan de eigen opleiding voor instructeurs en trainers, d.w.z. 1 keer per jaar 2 uur.

• 1 Nascholing, ca. 5 dagdelen per jaar.”

3.16

Op 1 mei 2013 hebben mevrouw [schaderegelaar NN] , schaderegelaar van NN (hierna: [schaderegelaar NN] ) en de advocaat van NN in het bedrijfspand van [naam vof appellante] een gesprek gehad met [appellante] en de advocaat van [appellante] . Van dit gesprek heeft NN geen verslag gemaakt. Tijdens dit gesprek is afgesproken dat een onderzoek zou worden verricht door een orthopeed en een verzekeringsarts en dat opdracht zou worden gegeven voor een bedrijfseconomisch onderzoek. Over een (nieuw) onderzoek door een neuroloog, dat door NN werd gewenst, werd geen overeenstemming bereikt.

3.17

De heer [X] van NN (hierna: [X] ) heeft, nadat mr. Van der Kolk en [schaderegelaar NN] hadden gerapporteerd over het gesprek van 1 mei 2013, een deskresearch (het verzamelen en analyseren van secundaire data) verricht naar de activiteiten van [appellante] .

3.18

Medio juni 2013 heeft NN aan CED Forensic opdracht verstrekt tot het verrichten van een observatie op zaterdag 29 juni 2013. CED Forensic heeft van de observatie een rapport d.d. 30 juni 2013 opgemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft NN opdracht gegeven tot vervolgobservaties op 4 en 5 juli 2013, waarover op 23 juli 2013 is gerapporteerd, op
26 en 27 september 2013, waarover op 29 september 2013 is gerapporteerd en op 4 tot en met 6 november 2013, waarover op 8 november 2013 is gerapporteerd. Bij de genoemde rapporten zijn een observatieverslag en een DVD met video-opnames gevoegd. Gedurende de periode van de observaties heeft NN op internet gezocht naar meer informatie over de activiteiten van [appellante] .

3.19

Op 15 juli 2013 heeft NN aan [appellante] medegedeeld dat zij zonder nader/aanvullend onderzoek door een in hoofdpijnklachten gespecialiseerd neuroloog niet bereid is de hoofdpijn- en migraineklachten van [appellante] aan het ongeval van 28 augustus 2007 toe te rekenen.

3.20

In een brief van 15 januari 2014 heeft de advocaat van NN de advocaat van [appellante] de observatierapporten (met bijlagen) en de resultaten van het deskonderzoek toegestuurd. In deze brief heeft de advocaat van NN onder meer het volgende geschreven:
“Het standpunt van mijn cliënte is - om het maar direct duidelijk te maken - dat uw cliënte in de afgelopen periode in strijd met de waarheid heeft verklaard en dat zij ten onrechte uitkeringen heeft gehad. Mijn cliënte stelt zich op het standpunt dat de betaalde voorschotten terugbetaald moeten worden. Ook behoud ik mij namens cliënte alle rechten voor om daarnaast andere rechtsmaatregelen te nemen. (…)
De indruk is ontstaan dat uw cliënte meer claimt dan gerechtvaardigd is. Nu het hier gaat om een grote financiële vordering en nader medisch onderzoek niet meer aan de orde is – uw cliënte heeft dat expliciet aangegeven – is door de afdeling Speciale Zaken (fraudecoördinator) van mijn cliënte besloten om nader onderzoek te doen via een persoonlijk onderzoek.
In het kader van dat persoonlijk onderzoek is de facebook-pagina van uw cliënte bekeken en is ook andere openbare informatie die via een desk research verkregen kon worden verzameld. Vervolgens is besloten om het persoonlijk onderzoek uit te breiden tot het volgen en filmen van uw cliënte. Uit hetgeen daarbij aangetroffen is, trekt mijn cliënte de conclusie dat uw cliënte normaal functioneert. Zij draagt de boodschappen ook als haar partner daarbij aanwezig is. Tijdens een foto op Nieuwjaarsdag 2014 draagt zij - in aanwezigheid van haar partner - zo op het oog het zwaarste van de twee kinderen op een arm. Zij presenteert en neemt deel aan evenementen op het bedrijf waarbij zij langdurig wordt belast. Ook rijdt zij wel degelijk paard. Kortom, in de visie van mijn cliënte functioneert zij als ieder ander en wordt zij in ieder geval niet belemmerd door enige beperking als gevolg van het ongeval. Dit terwijl zij zelf uitdrukkelijk en bij herhaling heeft aangegeven wel in ernstige mate belemmerd te zijn als gevolg van het ongeval.”

3.21

[appellante] heeft de rechtbank Noord-Nederland in maart 2014 verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten, welk verzoek is toegewezen. De getuigenverhoren van [appellante] , haar partner, haar moeder, de partner van haar moeder en een vriendin, hebben op
1 juli 2014 plaatsgevonden.

3.22

Bij brief van 22 mei 2014 heeft orthopedisch chirurg dr. M.C. de Waal Malefijt verslag uitgebracht van het expertiseonderzoek dat op 30 december 2013 bij [appellante] is verricht. Hij heeft gerapporteerd dat hij geen orthopedische afwijkingen heeft kunnen vaststellen; er is geen beschadiging van de wervelkolom en er is een normale beweeglijkheid.

3.23

Ook drs. [A] , aan wie partijen opdracht hadden gegeven onderzoek te doen naar het hypothetische verdienvermogen van [appellante] , was inmiddels met zijn werkzaamheden begonnen. Hij heeft op 21 mei en 5 november 2014 gerapporteerd.

3.24

Onderhandelingen tussen partijen over het alsnog treffen van een minnelijke regeling hebben geen resultaat gehad.

3.25

De arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [appellante] heeft kennisgenomen van de resultaten van het verrichte onderzoek en heeft aangegeven geen uitkeringen meer te zullen doen en te overwogen de uitgekeerde bedragen te zullen terugvorderen.

4 De vorderingen en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft een verzoek tot een beslissing in een deelgeschil ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland. Zij heeft de rechtbank verzocht voor recht te verklaren dat:
a. het uitgevoerde fraudeonderzoek / persoonlijk observatieonderzoek op onrechtmatige gronden is uitgevoerd en onrechtmatig is geweest jegens haar en dat het dientengevolge onrechtmatig verkregen bewijs niet door NN mag worden meegewogen bij de beoordeling van de schadezaak van [appellante] ;
b. de rapportages van drs. Kraaijenbrink , prof. Rutgers en dr. De Waal Malefijt voor de verdere schaderegeling als bindend uitgangspunt hebben te gelden en dat er geen noodzaak is tot het verrichten van aanvullend neurologisch onderzoek;
c. bij [appellante] als gevolg van het ongeval sprake is – kort gezegd – van bewegingsbeperking van de nek, nekpijn en gemakkelijk optredende hoofdpijnklachten, waardoor ze slechts beperkt actief kan zijn, niet lang in een houding kan werken en geen lichamelijk zwaar werk kan verrichten, van een beperkt geestelijk inspanningsvermogen, uitkomend in verhoogde vermoeibaarheid, verminderde aandacht en aandachtsflexibiliteit en lichte stoornissen in het visuele geheugen en van migraineklachten, welke klachten en beperkingen aan het ongeval kunnen worden toegerekend,
een en ander met
d. begroting van de kosten op de voet van artikel 1019aa Rv en veroordeling van NN tot betaling van deze kosten met het verschuldigde griffierecht.

4.2

Nadat NN verweer had gevoerd en de mondelinge behandeling van het verzoek had plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij beschikking van 26 november 2014 de kosten van de deelgeschilprocedure begroot op € 6.118,- en het verzoek voor het overige afgewezen.

4.3

[appellante] heeft vervolgens een bodemprocedure tegen NN aanhangig gemaakt bij de rechtbank Noord-Nederland. In deze procedure heeft hij gevorderd dat voor recht wordt verklaard wat hiervoor, in rechtsoverweging 4.1 onder a. tot en met c. is vermeld en dat NN wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van het deelgeschil, te begroten op € 9.177,- , van alle door haar geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat, en van de proceskosten. In de inleidende dagvaarding heeft [appellante] aangekondigd dat zij de rechtbank zal verzoeken verlof te verlenen voor het in stellen van (tussentijds) hoger beroep tegen de beschikking in het deelgeschil.

4.4

[appellante] heeft bij brief van haar raadsman van 20 februari 2015 aan de rechtbank Noord-Nederland verzocht tussentijds hoger beroep te mogen instellen, welk verzoek bij beschikking van die rechtbank van 11 maart 2015 is gehonoreerd.

5 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

5.1

In artikel 1019bb Rv is bepaald dat tegen de beschikking in een deelgeschil geen hoger beroep openstaat. Indien evenwel een bodemprocedure aanhangig is gemaakt tussen de bij het deelgeschil betrokken partijen kan tegen een beschikking in een deelgeschil “als van een tussenvonnis” appel worden ingesteld indien binnen drie maanden na de eerste roldatum appel wordt ingesteld nadat de bodemrechter in eerste aanleg daartoe de mogelijkheid heeft geopend, voor zover de beschikking beslissingen bevat als bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv (artikel 1019cc lid 3 aanhef en onder a Rv). In artikel 1019cc lid 1 Rv is bepaald dat de bodemrechter gebonden is aan de beschikking in het deelgeschil voor zover in de beschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten van partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding.

5.2

Vastgesteld kan worden dat [appellante] tijdig - binnen drie maanden na de eerste roldatum in de bodemprocedure - in appel is gekomen tegen de beschikking in het deelgeschil en dat zij toestemming heeft gevraagd aan en verkregen van de rechtbank tot het instellen van tussentijds hoger beroep. Volgens [appellante] is ook voldaan aan de overige ontvankelijkheidsvereisten. NN heeft dat niet bestreden. Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft haar raadsman aangegeven dat NN, wat er ook zij van de vraag of aan alle vereisten is voldaan, hecht aan een inhoudelijk oordeel van het hof over de partijen verdeeld houdende onderwerpen. Dat beide partijen graag een inhoudelijk oordeel van het hof willen, betekent nog niet dat [appellante] in het appel ook (op alle onderdelen) ontvankelijk is. Het hof dient, zo nodig ambtshalve, zelf de ontvankelijkheid van het appel te beoordelen. Daartoe overweegt het hof als volgt.

5.3

Met de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade is beoogd te bevorderen dat geschillen over letsel- en overlijdensschade eenvoudig en door middel van een minnelijke regeling kunnen worden afgewikkeld. De wetgever wilde met de deelgeschilprocedure vooral het buitengerechtelijk traject bij de afhandeling van personenschade versterken door de deelnemers aan dat traject de mogelijkheid te bieden om reeds tijdens de onderhandelingsfase de rechter te adiëren en op eenvoudige wijze een rechterlijke uitspraak te verkrijgen over een deelgeschil dat partijen verdeeld houdt en daardoor het bereiken van een minnelijke regeling blokkeert (vgl. Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 2 en 3). Gelet op deze bedoeling van de deelgeschilprocedure is het hiervoor gerelateerde (geclausuleerde) rechtsmiddelenverbond van artikel 1019bb Rv eenvoudig te begrijpen. Juist omdat tegen de beslissing in de deelgeschiluitspraak geen hoger beroep mogelijk is, is dit volgens de wetgever een extra stimulans voor partijen om de buitengerechtelijke onderhandelingen zelf af te ronden. Die stimulans wordt door het toelaten van allerlei uitzonderingen tenietgedaan (vgl. Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 13 en 19 en Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 8, p. 13).

5.4

Aan een uitdrukkelijke en zonder voorbehoud gegeven beslissing in de deelgeschilbeschikking betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen in het deelgeschil is de rechter in de bodemprocedure op dezelfde wijze gebonden als hij zou zijn gebonden aan een tussenvonnis in de bodemprocedure (artikel 1019cc lid 1 Rv). Met deze formulering heeft de wetgever aansluiting gezocht bij de leer van de bindende eindbeslissing (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 20 en Kamerstukken I 2009-2010, 31 518, C, p. 12). De gebondenheid betreft alleen de materiële rechtsverhouding tussen partijen, derhalve niet de, zoals de parlementaire geschiedenis dat omschrijft “procedurele beslissingen” (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 20). Met “procedurele beslissingen” wordt onder meer gedoeld op “de verplichting tot medewerking aan verdere medische of arbeidsdeskundige onderzoeken en op beslissingen ter verdere instructie van de onderhandelingen in het deelgeschil” (Kamerstukken II 2007-2008, 31 518, nr. 5, p.1). Overigens wordt in de parlementaire geschiedenis onderkend dat procedurele en materiële beslissingen nauw met elkaar kunnen samenhangen en dat soms sprake is van “grensgevallen” (Kamerstukken II 2007 – 2008, 31 518, nr. 3, p. 20).
Door de verwijzing van artikel 1019cc lid 3 aanhef en onder a naar artikel 1019cc lid 1 Rv is alleen tussentijds appel mogelijk tegen - kort gezegd - bindende eindbeslissingen betreffende de materiële rechtsverhouding, niet tegen (al dan niet bindende) procedurele eindbeslissingen. Het hof zal tegen deze achtergrond de ontvankelijkheid van het appel van [appellante] beoordelen.

5.5

De deelgeschillenrechter heeft het volgende beslist, waartegen [appellante] , blijkens de memorie van grieven, in haar tussentijds appel opkomt:
a. Het fraudeonderzoek door NN is niet onrechtmatig geweest en het daardoor verkregen bewijs mag bij de beoordeling van de schade van [appellante] een rol spelen
(bestreden door grief I);
b. Voor de beantwoording van causaliteitsvraag is nadere bewijslevering (door deskundigen) noodzakelijk (bestreden door grief II);
c. De kosten van de deelgeschilprocedure worden begroot op € 6.118,-, maar veroordeling van NN is, gelet op de te geven uitspraak in het deelgeschil, niet aan de orde (bestreden door grief III).

5.6

Naar het oordeel van het hof betreft het oordeel van de deelgeschilrechter over de onrechtmatigheid van het fraudeonderzoek een zonder voorbehoud gegeven beslissing betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen. Aan het oordeel dat het fraudeonderzoek al dan niet onrechtmatig is geweest (en daarmee dat NN door het onderzoek te laten verrichten al dan niet onrechtmatig heeft gehandeld) zijn immers rechtsgevolgen verbonden, niet alleen van procedurele aard - de rechter kan aan het oordeel dat sprake is van een onrechtmatig fraudeonderzoek de consequentie verbinden dat het met dat onderzoek verzamelde bewijs buiten beschouwing moet blijven -, maar ook van materiële aard.

5.7

Omdat de deelgeschilrechter heeft geoordeeld dat geen sprake is van een onrechtmatig fraudeonderzoek is hij niet toegekomen aan de vraag naar de gevolgen van de onrechtmatigheid voor het met het onderzoek vergaarde bewijs. Indien het hof op het punt van het fraudeonderzoek tot een ander oordeel zou komen, is [appellante] ook ten aanzien van de vervolgvraag ontvankelijk, nu deze zozeer samenhangt met de vraag naar de onrechtmatigheid, mede gelet op het hierna aan te halen arrest van de Hoge Raad van 18 april 2014, dat geen sprake is van een zuiver procedurele beslissing, maar minst genomen van een grensgeval.

5.8

Ten aanzien van de ontvankelijkheid betreffende de bewijslevering inzake de causaliteit komt het hof tot een ander oordeel. Het hof stelt allereerst vast dat de bewoordingen van de beschikking in het deelgeschil niet imponeren als uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven. De deelgeschilrechter heeft in rechtsoverweging 3.3.3, waar hij de vraag beantwoordt of het causaal verband vaststaat, het volgende overwogen:
“In het licht van dit alles verkeert de rechtbank voorshands niet in de positie dat zij als vaststaand mag aannemen dat [appellante] de klachten en beperkingen heeft die zij opgeeft. Nog minder is gegeven het antwoord op de vraag of er een causaal verband met het ongeval bestaat.”
Het door het hof onderstreepte woord "voorshands” benadrukt het voorlopige karakter van dit oordeel van de deelgeschilrechter. De bodemrechter is, naar het oordeel van het hof, reeds om die reden niet aan dit oordeel gebonden, waardoor het belang van [appellante] bij het instellen van hoger beroep tegen dit oordeel ontbreekt.
Van belang is voorts dat een beslissing om al dan niet een deskundigenbericht te gelasten geen bindende eindbeslissing is (vgl. Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2054, overigens ook in een whiplashzaak en 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1902). De bodemrechter is aan een dergelijke beslissing niet gebonden en mag erop terugkomen.
De slotsom is dan ook dat het door de deelgeschilrechter gegeven en met grief II bestreden oordeel geen bindende eindbeslissing is en ook niet kwalificeert als een geschil betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen.

5.9

Ten aanzien van de ontvankelijkheid betreffende het oordeel van de deelgeschillenrechter over de kosten stelt het hof voorop dat op de in het deelgeschil gemaakte kosten de regeling van artikel 6:96 lid 2 BW van toepassing is (artikel 1019aa Rv). Een geschil over die kosten is derhalve een geschil over het bestaan en de omvang van een schadepost en kwalificeert als een geschil betreffende de materiële rechtsverhouding tussen partijen. Met het begroten van de kosten van het deelgeschil beslist de deelgeschilrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud op dit geschilpunt. Dat betekent dat voor zover de grief de hoogte van het door de deelgeschilrechter begrote bedrag betreft, [appellante] ontvankelijk is in haar appel.
Voor het ook door [appellante] met de grief aangevochten beslissing van de deelgeschilrechter, om NN niet te veroordelen tot betaling van de door hem begrote kosten van het deelgeschil, ligt dat anders. Aan een veroordeling tot betaling komt in de bodemzaak geen verdergaande betekenis toe dan een in een vonnis in kort geding opgenomen veroordeling (artikel 1019cc lid 2 Rv). Aan een dergelijke veroordeling is de bodemrechter niet gebonden. Tegen de beslissing om (wel te begroten, maar desondanks) niet te veroordelen staat dan ook geen (tussentijds) appel open. Overigens zou het wel openstaan van tussentijds appel ertoe leiden dat indien het appel gegrond wordt beoordeeld, de beslissing in het tussentijds appel het karakter van een deelarrest krijgt. In dat geval zou in hoger beroep een einde worden gemaakt aan dit geschilpunt terwijl de procedure voor het overige in eerste aanleg moet worden voortgezet, hetgeen het hof ongewenst acht.

5.10

De slotsom is dat [appellante] slechts gedeeltelijk ontvankelijk is in haar appel. Voor zover het appel de beslissing van de deelgeschilrechter betreffende het (bewijs van het) causaal verband en het achterwege blijven van een veroordeling in de kosten betreft, is [appellante] niet-ontvankelijk in het appel. Het hof zal om die reden grief III, die het causaal verband betreft, onbesproken laten.

6 De bespreking van de grieven

6.1

De grieven I en II hebben beide betrekking op het door NN verrichte onderzoek. In grief I gaat het om de vraag welke onderzoeksactiviteiten NN nu precies heeft verricht en in welke volgorde, grief II betreft de toelaatbaarheid van deze activiteiten.

6.2

Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft het hof met partijen doorgenomen welke onderzoeksactiviteiten, en wanneer, zijn verricht. Daarbij is, vooral op basis van de door [X] afgelegde, en door [appellante] niet weersproken, verklaring het volgende gebleken:
a. nadat [schaderegelaar NN] en mr. Van der Kolk [appellante] op 1 mei 2013 hadden bezocht en over dit bezoek aan (onder meer [X] van) NN hadden gerapporteerd, heeft [X] op
27 mei 2013 een desk research verricht, door NN aangeduid als deskonderzoek. Hij heeft over de beslissing om dat onderzoek te verrichten niet met mr. Van der Kolk overlegd. [X] heeft bij gelegenheid van het pleidooi verklaard dat het bij NN gebruikelijk is om in alle zaken met een schade(claim) van meer dan € 500.000,- een dergelijk onderzoek te verrichten;
b. het deskonderzoek bestond, zoals gebruikelijk bij NN, uit het raadplegen van de FISH-databank, waarin onder meer schademeldingen en verzekeringen bij NN en aangesloten maatschappijen worden geregistreerd, en vervolgens naar aanleiding van de informatie uit die databank, uit het benaderen van de persoonlijke facebookpagina van [appellante] en die van [naam vof appellante] V.O.F. [X] heeft genoemde facebookpagina’s benaderd via een facebookaccount van NN. Zowel het persoonlijke facebookaccount van [appellante] en dat van [naam vof appellante] V.O.F. was een openbaar account; derden hadden er onbeperkt toegang toe;
c. op 30 mei 2013 is na intern overleg binnen NN, waarbij ook mr. Van der Kolk was betrokken, naar aanleiding van de resultaten van het deskonderzoek besloten tot het verstrekken van een (eerste) observatieopdracht;
d. naar aanleiding van het rapport betreffende de eerste observatie is besloten tot meer observaties, tot aan de laatste observatie op 3 tot en met 5 november 2013;
e. gedurende de periode waarin de observaties plaatsvonden, heeft [X] op internet meer informatie over de activiteiten van [appellante] verzameld. Hij heeft naast de al genoemde facebookpagina’s ook gericht gezocht op onder meer de site van ruitersportvereniging [naam] en de site “paardenspul” en heeft startlijsten van springwedstrijden geraadpleegd.

6.3

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt niet dat NN, in de persoon van [X] , ook niet openbaar toegankelijke informatie op internet heeft benaderd, bijvoorbeeld door onder pseudoniem een account aan te maken en zich aan te melden als "vriend" van [appellante] op Facebook. Voor zover [appellante] met grief I opkomt tegen het oordeel van de rechtbank in het deelgeschil dat alleen openbaar toegankelijke bronnen zijn geraadpleegd, faalt de grief. Voor zover [appellante] met de grief ingang wil doen vinden dat de onderzoeksactiviteiten van NN meer behelsden dan hiervoor is weergegeven, en/of dat deze activiteiten hebben plaatsgevonden in een andere volgorde dan hiervoor is weergegeven faalt de grief eveneens. Het hof heeft aard, omvang en volgorde van de activiteiten vastgesteld op basis van het door NN overgelegde onderzoeksrapport en met inachtneming van de door partijen bij gelegenheid van het pleidooi gegeven toelichting, die het hof plausibel acht en die ook niet is weersproken door [appellante] . Daaraan doet niet af dat het door NN destijds aan [appellante] verstrekte onderzoeksrapport uitgeprinte informatie van internet bevat met een datum die niet overeenkomt met de hiervoor vermelde data, nu aannemelijk is dat [X] de uiteindelijk voor het rapport geselecteerde informatie meerdere malen en op verschillende data zal hebben benaderd.

6.4

Bij de bespreking van grief II stelt het hof het volgende voorop. Het instellen door een verzekeraar van een persoonlijk fraudeonderzoek vormt een inbreuk op de privacy van de betrokkene, degene op wie het onderzoek betrekking heeft. Een dergelijke inbreuk is in beginsel onrechtmatig, maar de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond kan aan een inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of een dergelijke rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend (Hoge Raad 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002: AD9609).
Met de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek (hierna: de GPO) heeft het Verbond van Verzekeraars beoogd invulling te geven aan de hiervoor genoemde belangenafweging. Gelet op de inhoud en opzet van de GVP kan tot uitgangspunt worden genomen dat indien een verzekeraar in strijd met de code handelt, sprake is van een ongerechtvaardigde en derhalve onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. Het met die inbreuk verkregen bewijsmateriaal moet als onrechtmatig verkregen worden aangemerkt
(Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942).

6.5

Het hof zal eerst nagaan of, zoals [appellante] stelt maar NN betwist, NN bij het onderzoek dat zij heeft (doen) verricht(en) heeft gehandeld in strijd met de GPO. De GPO maakt onderscheid tussen een ‘feitenonderzoek’ en een ‘persoonlijk onderzoek’. De regels van de GPO zien op het verrichten van een ‘persoonlijk onderzoek’, zodat eerst dient te worden nagegaan wat het karakter is - in termen van de GPO - van het door NN verrichte onderzoek.

6.6

De GPO definieert het feitenonderzoek als “(h)et onderzoek dat wordt ingesteld naar de feiten, omstandigheden en gedragingen van betrokkene die nodig zijn voor de beoordeling van een verzekeringsaanvraag, lopende verzekeringsovereenkomst, schademelding of andere aanspraak op uitkering of prestatie.” Het persoonlijk onderzoek wordt in de GPO omschreven als “(h)et onderzoek, volgend op een feitenonderzoek, naar gedragingen van betrokkene waarbij bijzondere onderzoeksmethoden en of bijzondere onderzoeksmiddelen worden gebruikt, dat inbreuk maakt of kan maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene.”
Aldus maakt de GPO onderscheid, in de situatie dat een onderzoek wordt verricht, tussen een fase waarin feitenonderzoek plaatsvindt en een daaropvolgende fase waarin het persoonlijk onderzoek plaatsvindt. In die vervolgfase worden bijzondere onderzoeksmethoden en/of onderzoeksmiddelen gebruikt en is sprake van (mogelijke) inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene.

6.7

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de vanaf juni 2013 verrichte observaties zijn te beschouwen als een persoonlijk onderzoek in de zin van de GPO. Zij verschillen over het antwoord op de vraag of ook het door NN verrichte deskonderzoek heeft te gelden als een persoonlijk onderzoek. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval voor wat betreft het deskonderzoek dat door [X] in mei 2013 is verricht (vgl. rechtsoverweging 6.2 onder a. en b.). Bij dat deskonderzoek heeft NN aanvankelijk slechts interne bronnen - de FISH-databank - geraadpleegd en vervolgens alleen algemeen toegankelijke internetsites. Om die sites te kunnen raadplegen heeft NN zich geen bijzondere moeite hoeven te getroosten. [X] kon volstaan met het googelen op de naam van [appellante] en hoefde zich geen toegang te verschaffen tot (gedeeltelijk) afgeschermde informatie. [appellante] heeft deze informatie, door die op algemeen toegankelijke sites te plaatsen, aan eenieder, en derhalve ook aan NN, beschikbaar gesteld en toen [X] op zoek ging naar deze algemeen toegankelijke informatie maakte NN nog geen gebruik van bijzondere onderzoeksmethoden of -middelen. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof sprake van een feitenonderzoek.

6.8

[X] heeft ook na mei 2013 nog informatie op internet over [appellante] verzameld (vgl. rechtsoverweging 6.2 onder e.). Toen hij die informatie verzamelde, was inmiddels opdracht gegeven tot het verrichten van observaties, en hadden een of meer observaties plaatsgevonden. Er was toen derhalve sprake van een persoonlijk onderzoek, volgens de GPO, een onderzoek volgend op een feitenonderzoek. Onder deze omstandigheden valt naar het oordeel van het hof ook het vanaf juni 2013, in de periode van de observaties, verrichte onderzoek naar informatie op internet onder het begrip persoonlijk onderzoek. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het voor de hand ligt dat in een fase waarin gebruik wordt gemaakt van bijzondere onderzoeksmethoden, in dit geval observaties, sprake zal zijn van een wisselwerking tussen het resultaat van de observaties en de onderwerpen waarnaar op internet wordt gezocht.

6.9

In artikel 1.1 van de GPO is voor zover van belang (gelet op het debat tussen partijen) bepaald dat een persoonlijk onderzoek kan worden ingesteld nadat “gerede twijfel is ontstaan over de juistheid of volledigheid van de resultaten van het feitenonderzoek, zodanig dat bij de verzekeraar een redelijk vermoeden van verzekeringsfraude of andere vormen van oneigenlijk gebruik van verzekeringsproducten of diensten is ontstaan.” Onder verzekeringsfraude verstaat de GPO “(h)et opzettelijk misleiden van een verzekeraar bij de totstandkoming en/of uitvoering van een verzekeringsovereenkomst met de bedoeling om onrechtmatig verzekeringsdekking, -uitkering, -prestatie of dienstverlening te krijgen.”
Bij de beslissing om een persoonlijk onderzoek in te stellen en te vervolgen dient de verzekeraar de beginselen van proportionaliteit (uitgewerkt in artikel 2 van de GPO) en subsidiariteit (uitgewerkt in artikel 3) in acht te nemen.

6.10

In het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 18 april 2014 liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand dat de GPO zo diende te worden uitgelegd dat eerst plaats is voor het instellen van een persoonlijk onderzoek indien sprake is van een structureel weigeren van de betrokkene (in dat geval: de verzekerde) om medewerking te verlenen aan de behandeling van de schademelding. Het hof baseerde deze uitleg op het beginsel van de subsidiariteit, welk beginsel de verzekeraar - volgens de door de Hoge Raad in stand gelaten uitleg van het hof van de GPO - voor de beoordeling stelt of persoonlijk onderzoek het enige hem ter beschikking staande middel is, dan wel of er andere mogelijkheden van onderzoek zijn die tot hetzelfde resultaat kunnen leiden zonder dat daarbij de persoonlijke levenssfeer van betrokkene wordt geraakt.
De Hoge Raad liet ook in stand het oordeel van het hof dat van gerede twijfel leidend tot een redelijk vermoeden van twijfel (in de zin van artikel 1.1 van de GPO) eerst sprake is indien bij de verzekeraar het vermoeden is gerezen en ook in redelijkheid heeft kunnen rijzen dat de verzekerde de verzekeraar bij de uitvoering van de schadebehandeling grondig en/of structureel misleidt of heeft misleid.
Bij het antwoord op de vraag of NN in dit geval opdracht heeft mogen geven tot het verrichten van een persoonlijk onderzoek, bestaande uit het observeren van [appellante] , zal het hof van de hiervoor vermelde uitleg van de GPO uitgaan. Het hof zal ook in aanmerking nemen het observeren van een betrokkene zeker wanneer dat in zijn/haar privéomgeving gebeurt, een forse inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene oplevert. Voordat de verzekeraar besluit tot observatie, zal hij zich er dan ook, gelet op het beginsel van de subsidiariteit, rekenschap van moeten geven of het door hem met de observatie beoogde doel niet door andere, minder vergaande middelen, zoals een interview van betrokkene, kan worden bereikt.

6.11

Op 1 mei 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen en hun vertegenwoordigers. Wanneer in aanmerking wordt genomen dat het letsel in mei 2013 al ruim vijfeneenhalf jaar geleden was ontstaan, de afhandeling van de zaak geruime tijd stil had gelegen en NN op grond van (gedragsregel 5 van) de Gedragscode Behandeling Letselschade (hierna: GBL) ook gehouden was minimaal eenmaal per jaar persoonlijk contact met [appellante] te hebben, is begrijpelijk dat NN heeft besloten tot dat gesprek. Daar was alle reden toe. Bij gelegenheid van het pleidooi is gebleken dat, anders dan het hof uit de stellingen van NN had opgemaakt, bij NN op dat moment geen sprake was van groot wantrouwen jegens [appellante] . Mr. V.d. Kolk heeft over de aanleiding tot het gesprek het volgende verklaard:
“De medisch adviseur gaf aan het niet te vertrouwen. Met name de migraine-problematiek klopte niet. Hij geloofde niet dat [appellante] zo veel last zou hebben en dacht ook dat er een verband was met de ruggenprikproblematiek. Daarnaast was het zo dat ik en mevrouw [schaderegelaar NN] , letselschadebehandelaar bij NN, nieuw waren bij deze zaak. De gedachte was tevens om een gesprek aan te gaan en kijken wat we verder kunnen doen. Wellicht zelfs de zaak afdoen. Het was zeker niet zo dat op het moment van het gesprek mevrouw [schaderegelaar NN] en ik dachten dat er niets van klopte.”
Dat de medisch adviseur van NN de zaak ‘niet vertrouwde’ betekent niet dat de medisch adviseur aanleiding zag tot fraude, maar dat de medisch adviseur twijfels had over het bestaan van causaal verband tussen de door [appellante] gestelde klachten en het ongeval. Het bestaan van een twijfel van die soort bij een medisch adviseur van een verzekeraar is in zaken als deze, een whiplashzaak waarin een forse schade wordt geclaimd, eerder regel dan uitzondering.

6.12

Het staat vast dat partijen tijdens het gesprek afspraken hebben gemaakt over het verdere schadetraject. Aan die afspraken is ook een vervolg gegeven. [appellante] heeft zich onderworpen aan een onderzoek door een orthopeed en heeft medewerking verleend aan een economisch onderzoek naar haar verdiencapaciteit. Voor zover NN heeft willen stellen dat [appellante] (in mei 2013) structureel weigerde haar medewerking te verlenen aan de behandeling van de schadeafwikkeling, heeft zij die stelling dan ook onvoldoende onderbouwd. Het hof overweegt in dit verband dat het enkele feit dat [appellante] niet wilde meewerken aan een nieuw, of aanvullend, neurologisch onderzoek deze stelling evenmin kan dragen. [appellante] had meegewerkt aan een neurologisch onderzoek, dat van prof. Rutgers , en aan het daarmee samenhangende neuropsychologisch onderzoek van drs. Kraaijenbrink . Dat zij er in het kader van de onderhandelingen niet wilde meewerken aan een nieuw onderzoek, behoefde NN niet te verrassen en is onvoldoende voor de conclusie dat zij structureel haar medewerking aan de schadeafwikkeling weigerde.

6.13

Bij gelegenheid van het pleidooi is gebleken dat mr. Van der Kolk en mevrouw
[schaderegelaar NN] na het gesprek op 1 mei 2013 niet de indruk hadden, laat staan tot de conclusie waren gekomen, dat [appellante] (mogelijk) fraudeerde, of onjuiste informatie had verstrekt. Zij hebben dat ook niet aan NN gerapporteerd. Het door [X] verrichte deskonderzoek vond (in eerste instantie) dan ook niet plaats naar aanleiding van tijdens het gesprek gerezen twijfel over de moraliteit van [appellante] . [X] heeft verklaard dat het onderzoek, althans voor wat betreft het onderzoek in de interne registers, plaatsvond in het kader van de bij NN gebruikelijke procedure bij schades als deze.

6.14

NN heeft aangevoerd (onder meer in het verweerschrift eerste aanleg onder 2.7), dat uit het onderzoek in de eigen systemen naar voren kwam dat [appellante] in februari 2010 had verzocht haar als maat op de door haar partner bij NN afgesloten AVB aan te tekenen, dat zij in september 2010 voor zichzelf bij NN een aansprakelijkheidsverzekering voor dierenartsen had aangevraagd en dat bij twee schademeldingen op die laatste polis [appellante] als behandelend dierenarts was opgetreden. NN leidde daaruit af dat [appellante] “wel degelijk als dierenarts werkte”, terwijl zij “ten gevolge van het ongeval in 2007 geen werkzaamheden meer zou kunnen verrichten”.

6.15

In de aan NN voorafgaand aan het deskonderzoek verstrekte informatie is meermalen vermeld dat [appellante] (op bescheiden schaal) als dierenarts werkte:
- in het rapport van drs. Kraaijenbrink (vgl. rechtsoverweging 3.10) is vermeld dat [appellante] met haar partner een bedrijf is begonnen en dat [appellante] in het kader van de bedrijfsvoering lichte hand- en spandiensten verricht;
- in de rapporten van re-integratiedeskundige Dagan (vgl. rechtsoverweging 3.8) is vermeld dat [appellante] opleiding acupunctuur voor paarden volgt en een 4 jarige opleiding voor de “holistische behandeling” van paarden wil gaan volgen (rapport 17 juli 2008), dat zij administratieve taken doet en het contact met klanten in het bedrijf onderhoudt (rapport 25 november 2008), dat zij een start heeft gemaakt met de hervatting van haar oorspronkelijke werkzaamheden als dierenarts (26 november 2009);
- in het rapport van de UWV-arts (vgl. rechtsoverweging 3.12) is aangegeven dat [appellante] haar eigen werk weer voor een deel wil oppakken (4 paarden per week);
- de UWV-arbeidsdeskundige (vgl. rechtsoverweging 3.13) heeft gerapporteerd dat [appellante] werkzaamheden in het bedrijf van haar partner zal gaan verrichten;
- in het rapport van Movir (vgl. rechtsoverweging 3.15) is melding gemaakt van het feit dat [appellante] inmiddels 1 maal per twee weken ongeveer 5 paarden behandelt.
Bovendien heeft de advocaat van [appellante] op 4 januari 2012 aan (de advocaat van) NN geschreven dat [appellante] paarden behandelt. [appellante] heeft verder aangevoerd dat zij ook in het gesprek van 1 mei 2013 heeft verteld dat zij (maximaal) tweemaal per week gedurende twee uren werkt. [appellante] heeft in dat verband verwezen naar een handgeschreven notitie van haar raadsman naar aanleiding van dat gesprek. NN heeft deze stelling onvoldoende weersproken. In dit verband overweegt het hof dat NN zich daarbij niet kan beroepen op een verslag nu dat ontbreekt, ofschoon op grond van de toelichting op gedragsregel 5 van de GBL, waaraan NN gebonden is, wel een verslag dient te worden opgesteld.

6.16

In het licht van de in de vorige rechtsoverweging vermelde informatie had NN ermee bekend kunnen, en naar het oordeel van het hof behoren te, zijn dat [appellante] actief was in [naam vof appellante] V.O.F. en in dat bedrijf ook werkzaamheden als dierenarts verrichtte. Dat [appellante] op de AVB-polis van [naam vof appellante] mede als maat was aangetekend en dat zij een eigen aansprakelijkheidsverzekering had voor haar werkzaamheden als dierenarts was niet in strijd met, maar lag in de lijn van, die informatie. Dat wanneer zich binnen het bedrijf van [naam vof appellante] een schade met een paard voordeed, hetgeen zich klaarblijkelijk tweemaal heeft voorgedaan, [appellante] , die in het bedrijf werkte en ernaast woonde, op enigerlei wijze daarbij betrokken zou zijn, hoefde NN evenmin te verwonderen. De slotsom is dan ook dat de informatie die [X] ontleende aan de interne systemen van NN niet in strijd was met de informatie die [appellante] NN zelf al in het kader van het schaderegelingstraject had verstrekt.

6.17

Ook het daaropvolgende in mei 2013 door [X] verrichte onderzoek op internet leverde naar het oordeel van het hof geen informatie op waarmee NN niet bekend was of behoorde te zijn. Allereerst kwam uit dit onderzoek naar voren dat [appellante] werkzaamheden verrichtte als dierenarts. Voor die informatie geldt hetgeen hiervoor is overwogen. Vervolgens bleek uit dit onderzoek dat [appellante] geregeld paardreed. Dat [appellante] geregeld (maar veel minder dan voor het ongeval) paardreed is ook vermeld in de hiervoor aangehaalde rapporten van Dagan van 25 november 2008, van Dijkstra en van Movir, en eveneens in het rapport van Rutgers (vgl. rechtsoverweging 3.9). Ook voor de door [X] in mei 2013 aan internet ontleende informatie geldt dan ook dat die niet in strijd was met de informatie die [appellante] zelf al aan NN had verstrekt.

6.18

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat toen NN eind mei/begin 2013 besloot een persoonlijk onderzoek te (laten) verrichten:
- het kort tevoren geachte bezoek aan [appellante] geen aanleiding had gegeven te twijfelen aan de moraliteit van [appellante] en evenmin aan haar bereidheid mee te werken aan de afhandeling van de schade;
- het deskonderzoek geen informatie had opgeleverd waarmee NN niet bekend was, althans behoorde te zijn;
- het door [X] verrichte onderzoek op internet geen informatie had opgeleverd waarmee NN niet bekend was, althans behoorde te zijn;
- de medisch adviseur van NN twijfels had over het causaal verband tussen de door [appellante] opgevoerde klachten en het ongeval en [appellante] niet wilde meewerken aan een nader of nieuw neurologisch onderzoek.
Naar het oordeel van het hof vormde deze twijfel van de medisch adviseur, die zoals hiervoor is overwogen geenszins uitzonderlijk is bij de afwikkeling van een letselschadezaak als deze, een volstrekt onvoldoende rechtvaardiging voor het starten van een persoonlijk onderzoek. Niet alleen kon bij deze stand van zaken bij NN niet in redelijkheid het vermoeden postvatten dat [appellante] haar bij de uitvoering van de schadeafhandeling misleidde (laat staan grondig en/of structureel misleidde), evenmin deed zich de situatie voor dat [appellante] structureel weigerde medewerking te verlenen aan de schadeafhandeling. [appellante] wilde gemotiveerd aan één onderdeel niet meewerken. Indien NN al twijfel had over de juistheid van de door [appellante] verstrekte informatie zou zij bij [appellante] kunnen informeren naar de aard en de omvang van haar werkzaamheden en naar de frequentie van het paardrijden. In dat verband zou zij [appellante] eventueel hebben kunnen confronteren met de door haar gevonden informatie in de interne systemen en op internet. Voor wat betreft het neurologisch onderzoek had NN de mogelijkheid om een dergelijk onderzoek in rechte af te dwingen, of door het aanhangig maken van een procedure tot het verkrijgen van een voorlopig deskundigenbericht, of door het entameren van een deelgeschilprocedure. NN had, kortom, diverse en aanzienlijk minder vergaande, middelen en mogelijkheden om haar eventuele twijfels over de causaliteit te toetsen.

6.19

De slotsom is dat NN in strijd met de GPO heeft gehandeld door eind juni 2013 een persoonlijk onderzoek te beginnen tegen [appellante] . Gelet op hetgeen hiervoor, in rechtsoverweging 6.4, is overwogen, is indien een verzekeraar in strijd met de code handelt, in beginsel sprake van een ongerechtvaardigde en derhalve onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. Het hof ziet - gelet op enerzijds de aard van het onderzoek en de daaraan inherente vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [appellante] en anderzijds de in dit geval wel zeer wankele basis voor het vermoeden van
fraude - geen enkele reden om daarover in dit geval anders te oordelen. Het met die inbreuk verkregen bewijsmateriaal moet als onrechtmatig verkregen worden aangemerkt. Dat geldt zowel het materiaal dat verzameld is met de observaties als met het na juni 2013 verrichte internetonderzoek.

6.20

Dat het bewijs onrechtmatig is verkregen, betekent nog niet per definitie dat het ook terzijde dient te worden gelegd. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. het meergenoemde arrest van 18 april 2014 en de daar aangehaalde oudere rechtspraak van de Hoge Raad) wegen in beginsel het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan artikel 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs en is slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden de terzijdelegging van dit bewijs gerechtvaardigd. Die bijkomende omstandigheden doen zich naar het oordeel van het hof voor.
Allereerst strookt het niet met het doel van de GPO, te weten het geven van invulling aan de belangenafweging tussen het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van de verzekeraar bij het, kort gezegd, ontdekken en bestrijden van fraude, dat het in strijd daarmee verkregen bewijsmateriaal door NN, die zich aan de GPO heeft gebonden, kan worden gebruikt.
Vervolgens is naar het oordeel van het hof sprake van een ernstige schending van de regels van de GPO, nu NN enerzijds gebruik heeft gemaakt van observatie, een vergaand opsporingsmiddel, en zij daar anderzijds daarvoor geen enkele reden had (zoals hiervoor is uiteengezet).
Ten slotte neemt het hof in aanmerking dat het onderzoek betrekking had op een schadezaak, waarin [appellante] niet als contractspartij van NN, maar als slachtoffer van het onrechtmatig handelen van een verzekerde van NN was betrokken. [appellante] heeft er niet voor gekozen zich tot NN te verhouden.

6.21

De grief slaagt.

6.22

Grief IV betreft de kosten van het deelgeschil. Met de grief komt [appellante] allereerst op tegen de weigering van de voorzieningenrechter NN te veroordelen in de kosten van het deelgeschil. Uit hetgeen het hof hiervoor (in rechtsoverweging 5.9) heeft overwogen, volgt dat [appellante] niet-ontvankelijk is voor zover haar appel betrekking heeft op de afwijzing van de vordering tot veroordeling van NN in de kosten van het deelgeschil. Bij de bespreking van het deel van de grief dat betrekking heeft op deze afwijzing heeft [appellante] dan ook geen belang.

6.23

[appellante] heeft gevorderd de kosten van het deelgeschil te begroten op € 9.177,-. Zij is uitgegaan van een tijdsbesteding van 27 uren, een uurtarief van € 265,-, 6% kantoorkosten en 21% BTW. De kosten zijn begroot op € 6.118,-. De deelgeschilrechter heeft overwogen dat de omvang van de werkzaamheden weliswaar blijkt uit de overgelegde urenstaat, maar dat die omvang niet in overeenstemming is met hetgeen te zijner tijd in redelijkheid aan NN in rekening kan worden gebracht. De deelgeschilrechter heeft in dat verband gewezen op de gestelde ervaring van de raadsman van [appellante] en op de omstandigheid dat deze het dossier ter gelegenheid van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor en de gehouden verhoren al geheel op orde heeft moeten maken.

6.24

Volgens [appellante] is ten onrechte gesneden in het aantal uren. In feite zijn minder uren in rekening gebracht dan door haar raadsman aan de zaak zijn besteed, met de tijdswinst vanwege de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor is al rekening gehouden en het in rekening gebrachte urenaantal is gelet op het belang van de zaak, de omvang van het verzoekschrift en de te beantwoorden rechtsvragen wel degelijk redelijk.

6.25

NN meent dat volstaan kan worden met een bedrag van € 3.500,-. Zij acht, zoals zij ook in eerste aanleg al had betoogd, een tijdsbesteding van 14 uren redelijk en meent dat uitgegaan moet worden van een uurtarief (naar het hof begrijpt: inclusief kantoorkosten en te vermeerderen met BTW) van € 250,-.

6.26

Het hof ziet geen reden om uit te gaan van een lager uurtarief dan het door de advocaat van [appellante] gehanteerde uurtarief. Niet ter discussie staat dat [appellante] en haar raadsman dit tarief zijn overeengekomen. Evenmin staat ter discussie dat de advocaat van [appellante] een in letselschadezaken gespecialiseerde advocaat is. NN heeft niet weersproken dat zij in de aan het deelgeschil voorafgaande buitengerechtelijke fase kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand heeft voldaan die zijn begroot op basis van een uurtarief van € 265,- (ex 6% kantoorkosten en BTW). Bovendien is gesteld noch gebleken dat een tarief van
€ 265,- (ex BTW en kantoorkosten) hoger is dan het tarief dat in vergelijkbare zaken in letselschadezaken pleegt te worden gehanteerd.

6.27

Van een gespecialiseerde advocaat mag, en in dat uitgangspunt volgt het hof de rechtbank, verwacht worden dat hij minder tijd hoeft te besteden aan het opstellen van gedingstukken op het gebied waarin hij is gespecialiseerd. [appellante] heeft aangevoerd dat haar raadsman 18 uren heeft besteed aan het opstellen van het verzoekschrift en in totaal 9 uren aan de bestudering van het verweerschrift, correspondentie, voorbereiding van de zitting en de zitting zelf. Dat de advocaat van [appellante] teveel tijd heeft besteed aan de werkzaamheden in verband met de zitting, is gesteld noch gebleken. Het hof acht een tijdsbesteding van 9 uren, mede gezien de reistijd die voor een in Amersfoort gevestigde advocaat gemoeid zal zijn met een zitting in Groningen, ook alleszins redelijk; een specialisatie leidt nu eenmaal niet tot een kortere reistijd.

6.28

Voor wat betreft het opstellen van het verzoekschrift geldt het volgende. Anders dan NN stelt en door de deelgeschilrechter met de verwijzing naar het verzoekschrift betreffende het voorlopig getuigenverhoor is gesuggereerd, ziet het hof bij vergelijking van beide verzoekschriften weinig overlappingen. In het voorlopig getuigenverhoor wordt nauwelijks aandacht besteed aan de vraag die in het deelgeschil vooral centraal staat, te weten de onrechtmatigheid van het persoonlijk onderzoek. De kwestie van de causaliteit wordt in het verzoekschrift tot het houden van het voorlopig getuigenverhoor vanuit een ander perspectief behandeld dan in het verzoekschrift ter inleiding van het deelgeschil. In het eerstgenoemde verzoekschrift is de benadering vooral een feitelijke: wat valt er in het dagelijks leven van [appellante] te merken van de klachten en beperkingen van [appellante] en wat kunnen de beoogde getuigen daarover mogelijk verklaren. De benadering van de causaliteit in het deelgeschil is meer een juridisch-beschouwende: welke conclusies kunnen worden verbonden aan hetgeen inmiddels, na deskundigenonderzoeken en getuigenverhoren, vaststaat over de klachten en beperkingen van [appellante] . Het hof ziet dan ook niet in dat de advocaat van [appellante] minder tijd heeft hoeven besteden aan het opstellen van het verzoekschrift ter inleiding van het deelgeschil doordat hij eerder al een procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor voor [appellante] had gevoerd.
Nu het een zeer omvangrijk (51 pagina's) en grondig onderbouwd verzoekschrift betreft, het thema van het persoonlijk onderzoek bepaald geen standaard thema is, waarmee een letselschadeadvocaat geregeld wordt geconfronteerd en ook de causaliteitsproblematiek in dit geval verre van eenvoudig is, acht het hof een tijdsbesteding van 18 uur voor het op het opstellen van het verzoekschrift, redelijk. Dat betekent dat het hof bij de begroting van de buitengerechtelijke kosten uitkomt op 27 uren en daarmee op een bedrag van € 9.177,-.

6.29

Grief IV slaagt dan ook gedeeltelijk.

7 Conclusies

7.1

Het hof zal [appellante] gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren in haar appel. Voor zover het appel ontvankelijk is - betreffende de rechtmatigheid van het persoonlijk onderzoek en de begroting van de kosten van het deelgeschil - zal het hof de beschikking in het deelgeschil vernietigen. Het hof zal de zaak voor verdere behandeling terugwijzen naar de rechtbank, teneinde de zaak met inachtneming van hetgeen het hof heeft overwogen af te doen. Bij deze wijze van afdoening heeft [appellante] geen belang bij een dictum waarin voor recht wordt verklaard dat het persoonlijk onderzoek onrechtmatig was en uitkomsten ervan niet mogen worden gebruikt voor de bewijslevering en/of waarbij de kosten worden begroot op het door de hof hiervoor vermelde bedrag. Deze beslissingen kan zij immers niet zelfstandig ten uitvoer leggen, maar hebben effect voor de beslissing in de bodemprocedure op de door haar in die procedure ingestelde vorderingen. Dat effect wordt bewerkstelligd door de (gedeeltelijke) vernietiging van de deelbeschikking en de bepaling dat de rechtbank met inachtneming van dit arrest de zaak dient af te doen.

7.2

NN is in dit appel op belangrijke onderdelen in het ongelijk gesteld. Het hof zal haar dan ook veroordelen in de proceskosten (geliquideerd salaris van de advocaat: 3 punten, tarief II).

8 De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar appel tegen de beschikking in het deelgeschil van 26 november 2014, voor zover dat is gericht tegen de afwijzing van het verzoek van [appellante] tot afgifte van een verklaring voor recht betreffende de causaliteit en het verzoek tot veroordeling van NN tot betaling van de kosten van het deelgeschil;

vernietigt genoemde beschikking voor zover het verzoek tot afgifte van een verklaring voor recht dat het persoonlijk onderzoek op onrechtmatige gronden is uitgevoerd en onrechtmatig is geweest jegens [appellante] en dat het daaruit verkregen bewijs niet mag worden gebruikt is afgewezen;

vernietigt genoemde beschikking voor zover de kosten van het deelgeschil zijn begroot op
€ 6.118,- in plaats van op € 9.177,-;

verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland teneinde deze verder te behandelen met inachtneming van hetgeen hiervoor door het hof is overwogen;

veroordeelt NN, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit hoger beroep en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellante] gevallen, op € 405,19 aan verschotten en op € 2.682,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. A.E.B. ter Heide en mr. J.H. Kuiper en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 februari 2016.