Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1003

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
200.174.402-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Incident tot schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad. Alvorens op het incident te beslissen, stelt het hof appellant in de gelegenheid zich uit te laten over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.174.402/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/392222 / KL ZA 15-154)

arrest van 9 februari 2016

[appellant] , h.o.d.n. Parel Keukens en Sanitair,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

tevens eiser in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.X.C. Peters, kantoorhoudend te Woudenberg,

tegen

[geïntimeerde] , h.o.d.n. [bedrijf geintimeerde],

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verweerder in het incident,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H. den Besten, kantoorhoudend te Almere.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het bij verstek gewezen kort geding vonnis van 17 juni 2015 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling civiel recht, locatie Lelystad (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 15 juli 2015,

- de memorie van grieven, tevens incidentele vordering ex artikel 351 Rv (met producties),

- de memorie van antwoord in het incident ex artikel 351 Rv (niet zijnde memorie van antwoord op de memorie van grieven) (met één productie),

- de nagezonden productie 6, behorende bij de memorie van grieven.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. In strijd met de artikelen 5.3 en 5.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven ontbreken in het door [geïntimeerde] overgelegde procesdossier de memorie van grieven met producties en de (nagezonden) productie 6. Voor deze stukken zal het hof derhalve putten uit het door [appellant] overgelegde procesdossier.

2.3

Over de nagezonden productie 6 van [appellant] heeft [geïntimeerde] zich nog niet kunnen uitlaten. Indien het hof dit nodig oordeelt, zal hem die gelegenheid alsnog worden gegeven.

3 De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Het gaat in deze zaak - voor zover relevant voor de beoordeling in het incident - in het kort over het volgende.

3.2

[appellant] heeft in opdracht van een derde werkzaamheden uitgevoerd in een woning aan [adres] . [appellant] heeft het bedrijf van [geïntimeerde] daarbij ingeschakeld voor het schilderwerk. Twee werknemers van [geïntimeerde] hebben schilderwerkzaamheden uitgevoerd in de woning.

3.3

Tussen partijen is onenigheid ontstaan over de kwaliteit van het door [geïntimeerde] afgeleverde werk.

3.4

[geïntimeerde] heeft [appellant] bij exploot van 6 mei 2015 gedagvaard om op 20 mei 2015 te verschijnen voor de kantonrechter te Almere . In deze bodemprocedure vordert [geïntimeerde] betaling door [appellant] van € 6.450,- met nevenvorderingen. In die procedure, bekend bij de rechtbank Midden-Nederland onder nummer 4126187 MC EXPL 15-5036, heeft de kantonrechter bij vonnis van 1 juli 2015 een comparitie van partijen gelast.

3.5

In de onderhavige zaak heeft [geïntimeerde] bij exploot van 26 mei 2015 [appellant] in kort geding betrokken. Bij de mondelinge behandeling op 10 juni 2015 is [appellant] niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend.

3.6

In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter [appellant] bij uitvoerbaar verklaard vonnis veroordeeld (samengevat) tot teruggave aan [geïntimeerde] van steigers, bouwlampen, stukadoormaterialen en een mixer, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag tot een maximum van € 5.000,-. Tevens is [appellant] verwezen in de proceskosten van [geïntimeerde] .

4 De beoordeling

4.1

Alvorens aan beoordeling in het incident toe te komen, overweegt het hof dat het vooralsnog onzeker is of het hoger beroep van [appellant] in de hoofdzaak ontvankelijk is. Immers, op grond van art. 143 lid 1 Rv dient de gedaagde die bij verstek is veroordeeld, tegen het vonnis verzet aan te tekenen.

4.2

[appellant] zal gelegenheid worden gegeven zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid van de hoofdzaak. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX7886) gelieve [appellant] zich daarbij tevens uit te laten over de vraag of hij pleidooi wenst.

4.3

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden, zowel in de hoofdzaak als in het incident.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident ex art. 351 Rv

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de hoofdzaak

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 1 maart 2016 voor akte als bedoeld in rechtsoverweging 4.2 aan de zijde van [appellant] ;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. K.M. Makkinga en mr. D.H. de Witte, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 februari 2016.