Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1002

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-02-2016
Datum publicatie
15-02-2016
Zaaknummer
200.170.451/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invulling van het begrip consument als bedoeld in de richtlijn oneerlijke bedingen.

Ambtshalve toetsing vervalbeding in de algemene voorwaarden van de accountant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/414
Prg. 2016/93
RCR 2016/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.170.451/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3529388 LC EXPL 14-4833)

arrest van 9 februari 2016

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H. Hulshof, kantoorhoudend te Emmeloord,

tegen

Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil B.V.,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil,

advocaat: mr. A. van der Wielen, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling civielrecht, kantonrechter, zittingsplaats Lelystad van 25 maart 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 13 mei 2015,

- de memorie van grieven d.d. 28 juli 2015 (met producties),

- de memorie van antwoord d.d. 8 september juli 2015 (met producties),

- de aanvullende producties die ter gelegenheid van de inlichtingencomparitie d.d. 23 november 2015 zijn overgelegd en het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

2.2

Vervolgens heeft [appellant] stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering in hoger beroep van [appellant] luidt:

"(...) dat het uw gerechtshof moge behagen te vernietigen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 25 maart 2015 met zaaknummer 3529388 LC EXPL 14-4883 en opnieuw rechtdoende de vorderingen van Dijksterhuis af te wijzen met veroordeling van Dijksterhuis in de proceskosten van beide instanties."

3 De beoordeling in hoger beroep

De vaststaande feiten

3.1

De kantonrechter heeft in het vonnis van 25 maart 2015 onder 2.1 de feiten vastgesteld. Tegen deze feitenvaststelling heeft [appellant] de grieven 1 en 2 gericht. Het hof zal hierna opnieuw de feiten vaststellen met inachtneming van hetgeen [appellant] onder deze grieven heeft aangevoerd. Naar de kern samengevat komen deze feiten op het volgende neer.

3.1.1

Sinds 2003 heeft Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil accountantswerkzaamheden voor [appellant] verricht, waaronder het opstellen van jaarstukken en het indienen van belastingaangiften. De laatste door Dijksterhuis en Uil ingediende aangifte betrof (kalender)jaar 2009.

3.1.2

Bij schriftelijke volmacht d.d. 8 mei 2006 heeft [appellant] Mr. [volgemachtigde appellant] (hierna: [volgemachtigde appellant] ) gemachtigd om al zijn belastingzaken te behandelen, met het recht van substitutie.

3.1.3

Bij [appellant] is in de loop van 2011 onduidelijkheid ontstaan met betrekking tot de afhandeling van zijn belastingzaken door Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil. [appellant] heeft hierover contact gehad met wijlen de heer [X] (hierna: [X] ). Na het overlijden van [X] in oktober 2011, heeft er op initiatief van [appellant] op 9 november 2011 op het kantoor van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil een gesprek plaatsgevonden tussen hem en de heer [medew. accountantskantoor D&U] (hierna: [medew. accountantskantoor D&U] ).

3.1.4

Naar aanleiding van dit gesprek heeft [medew. accountantskantoor D&U] bij e-mailbericht van 21 november 2011 informatie opgevraagd bij [volgemachtigde appellant] . In zijn e-mailbericht heeft hij [volgemachtigde appellant] onder meer het volgende bericht:

"Zoals u wellicht heeft vernomen is onze collega, fiscaal jurist, [X] op 15 oktober jongstleden overleden.

Nog recent voor zijn overlijden heeft u via mail contact met hem gehad over de afhandeling van een aantal fiscale kwesties van de familie [appellant] .

Sinds de verkoop van het bedrijf in 2006 tot heden zijn er gesprekken geweest met de familie [appellant] en de belastingdienst.

Ik heb ook kunnen zien dat er hierover regelmatig mailverkeer is geweest met [X] .

Aan de hand van dit mailverkeer en wellicht ook mondeling overleg heeft D&U jaarrekeningen opgesteld en IB aangiften samengesteld.

Helaas is het dossier slechts beperkt inzichtelijk voor mij daar waar het voor [X] wellicht duidelijk was.

Het is mij niet duidelijk waarover er ingaande 1.1.2005 nu daadwerkelijk afspraken gemaakt zijn (vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst ontbreekt).

Moeder heeft het vruchtgebruik prijsgegeven waarvoor [appellant] als belaste waardegroei van zijn vermogen realiseerde. Dit is fiscaal afgerekend?

Zijn er destijds alleen afspraken gemaakt over de verwerking van vaders nalatenschap of ook afspraken over moeders aandeel in de boerderij?

Hoe hebben [appellant] en Moeder de opbrengst van de boerderij verdeeld in 2006?

Er wordt een enkele keer gesproken over 'scheiding en deling van de boerderij'. Hoe moet ik dacht interpreteren en hoe is dat uitgevoerd?

Omdat de aangifte IB van moeder en [appellant] ( [appellant] , toevoeging hof) over 2009 nog dient plaats te vinden is inzicht in de kwestie dringend gewenst.

Mag ik u daarom verzoeken om nadere informatie of, nog liever, kunt u mij een kopie (in PDF) zenden van uw dossier over deze klant?"

3.1.5

Bij e-mailbericht van 21 november 2011 heeft [medew. accountantskantoor D&U] aan [appellant] het volgende bericht:

"Hierbij de mail die ik van [volgemachtigde appellant] mocht ontvangen.

Het lijkt mij dat er per 1.1.2005 alle bedrijfsonroerendgoed naar jou is toegescheiden.

Ik moet aannemen dat dit door jou en moeder is gewenst tijdens gesprekken met [volgemachtigde appellant] .

Wanneer dit het geval is dan zouden de fiscale verplichtingen hierover voldaan zijn.

Ik ga me de komende week nog eens in verdiepen en je hoort nader".

3.1.6

Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil heeft bij factuur 120153 van 18 januari 2012 een bedrag van € 2.633,04 aan [appellant] gefactureerd. De factuur had betrekking op de volgende werkzaamheden: “Advieswerkzaamheden november 2011 [medew. accountantskantoor D&U] inzake uw zaak jegens diverse adviseurs, inclusief vastlegging en rapportage”.

3.1.7

Op 14 mei 2012 heeft er op het kantoor van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] , zijn moeder en drs. [Y] Ra (hierna: [Y] ) met betrekking tot de verdeling van de nalatenschap van de vader van [appellant] .

3.1.8

Bij brief van 24 mei 2012 heeft Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil aan [appellant] en zijn moeder verslag gedaan van het gesprek van 14 mei 2012 en hen geïnformeerd over haar bevindingen en een plan van aanpak gepresenteerd. In het plan van aanpak staat onder ander het volgende:

"Aanbevelingen en opvattingen D&U

Wij vragen ons af in hoeverre gegane zaken nog kunnen en zouden moeten worden gewijzigd. Wat schieten jij als je moeder mevrouw [naam moeder] daar nog mee op. Ja, wellicht kan een deel van de gemoedsrust, die jullie thans niet hebben een stukje worden bevredigd.

Wij vragen ons echter af of er voor jullie wel financiële genoegdoening zal ontstaan. Er zal veel in beweging moeten worden gezet alleen om te onderzoeken of een en ander mogelijk is. Daarnaast dient de Belastingdienst nog te willen en kunnen instemmen. In ieder geval betekent het veel tijd en dus (advies)kosten voorzover je bijvoorbeeld ons, dan wel een andere adviseur wenst in te schakelen.

(…)

Wij stellen jou en je moeder [naam moeder] voor:

(…)

- de gevoerde gesprekken die jij met [medew. accountantskantoor D&U] en ons hebt gehad zullen jou in rekening worden gebracht en door jou worden voldaan.

Na akkoord van jou en je moeder [naam moeder] zullen wij bovenstaande werkzaamheden op gaan starten. (…)."

Het plan van aanpak is door [appellant] noch zijn moeder geaccordeerd.

3.1.9

Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil heeft bij factuur 122664 van 17 oktober 2012 een bedrag van € 5.101,30 aan [appellant] gefactureerd. De factuur had betrekking op de volgende werkzaamheden:

"Verzorgen financiële administratie 2009 en BTW administratie met aangiften 2.490,00

Samenstellen jaarrekening 2009 inclusief review accountant 850,00

Werkzaamheden inzake boedelproblematiek inclusief bespreking met u en uw

moeder met [Y] RA en Mr. [B] FB € 2.655 1.900,00

Af: coulancekorting € 755

Fiscale werkzaamheden 2008 t/m 2011 510,00

(…)".

3.1.10

[appellant] heeft aan Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil op 30 april 2013 een

bedrag van € 3.087,30 overgeboekt onder vermelding van “D en U, 120153/122664 deelbetaling ivm klacht”.

3.1.11

Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil dan wel haar gemachtigde hebben op

28 augustus 2013, 26 september 2013 en 31 oktober 2013 aan [appellant] betalingsherinneringen gestuurd.

3.1.12

[appellant] heeft bij brief gedateerd 4 november 2013 aan de gemachtigde van

Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil onder meer geschreven:

“ Zoals uit mijn vertrouwelijke schrijven aan [Q] mag blijken, heb ik in November 2011 een gesprek gehad met [medew. accountantskantoor D&U] (...).

Ik heb in dat gesprek kenbaar gemaakt dat er door D&U een scheiding en deling was doorgevoerd, welke niet kan zonder notariële akte (bijlage 1), vervolgens krijg ik een rekening hiervoor (diverse gesprekken met diverse adviseurs). Het is de halve boerderij van moeder die weggescheiden wordt, zou er al gefactureerd kunnen worden dan naar moeder.

Werkzaamheden aan mij gefactureerd voor het opstellen van een contractstuk tussen mij en moeder en D&U anderzijds, waarin moeder aangeeft dat ze haar halve boerderij aan mij toedeelt, lijkt me wel heel ver gaan. In het gesprek met D&U heeft moeder aangegeven dat D& U haar halve boerderij boekhoudkundig heeft weggeboekt. Als D&U hier al voor kan factureren dan aan moeder”.

3.1.13

Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil heeft bij brief van 14 november 2013 aan [appellant] meegedeeld dat zij coulancehalve een creditnota zal opstellen ten bedrage van
€ 1.498,25 inclusief BTW.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.2

Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil heeft gevorderd [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 3.148,76 te vermeerderen met wettelijke handelsrente tot 3 september 2014 ad € 689,21 en buitengerechtelijke incassokosten
ad € 439,88, dus in totaal een bedrag van € 4.286,85. Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij in opdracht en voor rekening van [appellant] werkzaamheden heeft verricht, die door [appellant] niet zijn betaald.

3.3

[appellant] heeft de posten betwist en heeft daarnaast gesteld dat hij de werkzaamheden die door Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil bij factuur 120153 van 18 januari 2012 en bij factuur 122664 van 17 oktober 2012, (voor zover het betreft werkzaamheden inzake boedelproblematiek) aan hem in rekening zijn gebracht, niet behoeft te betalen omdat hij daarvoor geen opdracht heeft gegeven.

3.4

De rechtbank heeft de vordering van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil toegewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. Tegen dit vonnis is [appellant] onder aanvoering van vijf grieven in hoger beroep gekomen.

Bespreking van de (overige) grieven

3.5

De grieven 1, 2 (voor het overige) en grief 4 hebben betrekking op de vraag of [appellant] de facturen waarvan betaling wordt gevorderd aan Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil verschuldigd is. Het gaat hier om de facturen van 18 januari 2012 en 17 oktober 2012, voor zover het de daarin opgenomen advieswerkzaamheden betreft. De overige in rekening gebrachte werkzaamheden zijn door [appellant] met de betaling van € 3.087,30 wèl volledig betaald. In de grieven klaagt [appellant] erover dat de facturen onvoldoende zijn gespecificeerd en betwist hij dat hij Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil voor de gefactureerde werkzaamheden opdracht heeft gegeven.

De factuur van 18 januari 2012

3.6

Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil stelt dat zij in november 2011 in opdracht van [appellant] bezig is gegaan met de verwerking van de boedelverdeling en om die reden allerlei zaken moest uitzoeken. Volgens [appellant] moest Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil in verband met het overlijden van [X] haar dossier op orde brengen om de jaarrekening 2009 te kunnen samenstellen en heeft Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil de daarmee gemoeide tijd in rekening gebracht. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil geen werkzaamheden in rekening mag brengen die het gevolg zijn van het overlijden van [X] .

3.7

Vaststaat dat [X] in oktober 2011 is overleden en dat het gesprek tussen [appellant] en [medew. accountantskantoor D&U] kort daarna, begin november 2011, heeft plaatsgevonden. Uit de brief van [medew. accountantskantoor D&U] aan [volgemachtigde appellant] van 21 november 2011 volgt dat Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil in verband met het overlijden van [X] allerlei informatie niet had, ook "omdat het dossier slechts beperkt inzichtelijk" was en dat Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil om die reden informatie bij [volgemachtigde appellant] heeft opgevraagd.

3.8

Het hof is van oordeel dat gelet op de hiervoor onder 3.7 genoemde omstandigheden van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil in het kader van haar stelplicht had mogen verwacht dat zij precies aangeeft wat zij heeft gedaan en welke werkzaamheden zij in rekening heeft gebracht. Dat heeft zij niet gedaan. De omschrijving in de factuur is vaag en sluit niet aan bij haar toelichting en een urenspecificatie die die duidelijkheid wél zou kunnen geven ontbreekt. Voor zover de vordering is gebaseerd op de factuur van 18 januari 2011, is die onvoldoende onderbouwd.


De factuur van 17 oktober 2012

3.9

Het gaat hier alleen om de post werkzaamheden boedelproblematiek van € 1.900,-. Het hof is van oordeel dat Accountantskantoor Dijksterhuis ook met betrekking tot deze post niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Daartoe is het volgende redengevend.

3.10

Opmerkelijk is dat er een coulancekorting is verstrekt en een creditnota is uitgebracht, maar dat niet duidelijk is geworden wat daarvan de reden is.

Vaststaat dat er op 14 mei 2012 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [appellant] , zijn moeder en Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil en dat dit gesprek door Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil is bevestigd in de brief van 24 mei 2012, maar niet duidelijk is of dit gesprek is gedeclareerd – in de brief van 24 mei 2012 wordt daarvan geen melding gemaakt, maar wordt juist om een opdrachtbevestiging gevraagd. Ook onduidelijk is of er daarnaast nog andere werkzaamheden zijn gedeclareerd en of, en zo ja, wat bij moeder is gedeclareerd. Conclusie is dat ook dit deel van vordering onvoldoende is onderbouwd.

3.11

Gelet op het voorgaande kan in het midden blijven of [appellant] voor de gefactureerde werkzaamheden met betrekking tot de boedelverdeling opdracht heeft verstrekt. Het daarop betrekking hebbende bewijsaanbod van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil in randnummer 4 van de memorie van antwoord wordt als niet terzake dienend gepasseerd.

Omdat Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil niet aan haar stelplicht heeft voldaan, kan zij ook voor de overige in randnummer 4 genoemde stellingen niet tot bewijs worden toegelaten.

3.12

Het (gedeeltelijk) slagen van de grieven 1, 2 en 4 brengt mee dat het hof ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep de niet prijsgegeven stelling van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil in randnummer 8 van haar conclusie van repliek alsnog moet beoordelen. De stelling van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil houdt, kort gezegd, in dat [appellant] niet binnen 14 dagen na verzenddatum van de factuur van 17 oktober 2012 heeft gereclameerd waardoor al zijn rechten en aanspraken op grond van artikel 10 lid 1.4 van de algemene voorwaarden zijn komen te vervallen.

3.13

Het hof is van oordeel dat dit vervalbeding valt binnen het toepassingsgebied van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn), omdat het een beding betreft waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en [appellant] met betrekking tot de bestreden werkzaamheden, te weten de verdeling van de boedel van zijn overleden vader tussen [appellant] en zijn moeder, als “consument” in de zin van de Richtlijn moet worden aangemerkt. De omstandigheid dat de boedelverdeling betrekking had op de verdeling en de verkoop van het bedrijf van zijn overleden vader, zoals Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil in haar memorie van antwoord onder randnummer 3.16 stelt, is voor de beoordeling of [appellant] met betrekking tot die verdeling als consument moet worden aangemerkt, niet relevant nu het gaat om de hoedanigheid van [appellant] bij de opdracht en niet om het onderwerp van de opdracht. Dat [appellant] de vermeende opdracht heeft verstrekt in het kader van de uitoefening van zijn bedrijf, heeft Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld. Het blijkt ook niet uit de door partijen overgelegde stukken. Uit de stukken blijkt veeleer dat het hier een vraag van [appellant] en zijn moeder betreft die losstaat van de uitoefening van het agrarische bedrijf door [appellant] of zijn moeder. Relevant in dit verband is dat het bedrijf van de vader in 2006 is verkocht. De omstandigheid dat Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil daarnaast voor [appellant] werkzaamheden heeft verricht die wél verband houden met zijn bedrijf, waaronder het indienen van de omzetbelasting, is naar het oordeel van het hof evenmin relevant nu daaruit nog niet volgt dat de opdracht met betrekking tot de verdeling ook geacht moet worden in dat kader te zijn verricht. Iedere opdracht dient op zijn eigen merites beoordeeld te worden. Relevant is dat het hier om afzonderlijke opdrachten gaat met een ander doel en mogelijk ook andere opdrachtgevers ( [appellant] en zijn moeder in plaats van alleen [appellant] ) (vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 september 2015, nr. C-110/14, ECLI:EU:C:2015:538).

3.14

Het hof ziet zich daarmee ambtshalve voor de vraag gesteld of dit beding een oneerlijk beding is in de zin van de Richtlijn. De rechter is immers op basis van het Unierecht gehouden na te gaan of een beding oneerlijk in de zin van de Richtlijn is, zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Dit geldt ook indien de appelrechter daarbij buiten het door de grieven ontsloten gebied moet treden, zij het dat hij daarbij de grenzen van de rechtsstrijd van partijen dient te respecteren (HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691). Hoewel [appellant] in zijn grieven niet heeft aangevoerd dat sprake is van een oneerlijk beding treedt het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd, aangezien [appellant] bezwaar heeft gemaakt tegen het beroep van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil op genoemd vervalbeding. In dit verband is verder van belang dat artikel 6 van de Richtlijn het hof verplicht, indien het hof heeft vastgesteld dat het beding oneerlijk is, het buiten toepassing te laten (zie HvJEU 30 mei 2013, C-488/11, ECLI:EU:C:2013:341).

3.15

Het hof is van oordeel dat het vervalbeding doordat het [appellant] onmiddellijk, althans op zeer korte termijn, namelijk 14 dagen na de verzenddatum van de factuur, dwingt actie te ondernemen op straffe van verval van het recht zich te verweren tegen een onjuiste factuur, het evenwicht tussen partijen ten nadele van [appellant] aanzienlijk verstoort, en dus als oneerlijk in de zin van de Richtlijn moet worden aangemerkt. Het hof neemt daarbij allereerst in aanmerking dat het beding ertoe leidt dat ook indien Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil een manifest onjuiste factuur zou versturen [appellant] zich niet tegen deze factuur zou kunnen verweren indien hij niet al op heel korte termijn zou reclameren. Het hof overweegt vervolgens dat Burgerlijk Wetboek geen vervaltermijn voor verweer tegen een (apert) onjuiste factuur kent. De regeling van artikel 6:89 BW ziet niet op het opstellen en verzenden van facturen (vgl. Hoge Raad 11 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1565). In vergelijking met de regeling in het Burgerlijk Wetboek wordt de wederpartij van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil door het beding dus ‘op achterstand gezet’. Ten slotte is van belang dat een beding als dit op grond van artikel 6:236 aanhef en onder g BW als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt. Een beroep van [appellant] op vernietiging van het beding, zou dan ook zijn gehonoreerd.
Omdat het beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn, en dus buiten toepassing gelaten dient te worden, zal het hof het beroep daarop van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil afwijzen. Dit geldt ook ten aanzien van de factuur van 18 januari 2012, nog daargelaten dat die stelling door Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil eerst ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep is ingenomen en dus tardief is.

3.16

De conclusie uit het voorgaande is dat de vordering van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil alsnog zal worden afgewezen. Dit geldt ook voor de daarover berekende handelsrente en de buitengerechtelijke kosten. De daarop betrekking hebbende grief 5 slaagt dus eveneens. Grief 3, die inhoudt dat Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil ten onrechte het door [appellant] betaalde bedrag van € 3.078,30 overeenkomstig artikel 6:43 lid 2 BW heeft afgeboekt op de factuur van 18 januari 2012, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking. Het belang bij de grief ontbreekt.

4 De slotsom

De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vordering dient bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing alsnog te worden afgewezen. Het hof zal Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 350,-. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op 3 punten in tarief I.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling civielrecht, kantonrechter, zittingsplaats Lelystad van 25 maart 2015 en doet opnieuw recht;

wijst de vordering van Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil af;

veroordeelt Accountantskantoor Dijksterhuis en Uil in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op
€ 350,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op nihil voor verschotten, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 1.896,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 388,84 voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. R.E. Weening, mr. H. de Hek en mr. J.H. Kuiper en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

9 februari 2016