Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:10008

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
21-12-2016
Zaaknummer
200.185.662/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deel- of tussenbeschikking. Diverse geschilpunten, waaronder de voorlopige toevertrouwing van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2017/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.185.662/01

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland C/16/395727 / FL RK 15-1421 en C16/396080 / FL RK 15-1489)

beschikking van de familiekamer van 8 december 2016

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.A. de Munnik-Hoogendoorn, kantoorhoudend te Dronten,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.E. Beeker, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 18 januari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummers.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 10 februari 2016;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. De Munnik-Hoogendoorn van 19 februari 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. De Munnik-Hoogendoorn van 3 maart 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Beeker van 12 mei 2016;

- een journaalbericht van mr. De Munnik-Hoogendoorn van 24 mei 2016;

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 6 september 2016 met als bijlage het raadsrapport van 7 juli 2016;

- een journaalbericht van mr. De Munnik-Hoogendoorn van 8 september 2016 met bijlagen;

- een journaalbericht van mr. Beeker van 8 september 2016 met bijlagen;

- een brief van de raad van 8 september 2016;

- een journaalbericht van mr. De Munnik-Hoogendoorn van 13 september 2016 met bijlagen;

- een brief van de raad van 20 september 2016.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 20 september 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is verschenen de heer [B] namens de raad in het kader van zijn adviserende taak.

Mr. De Munnik-Hoogendoorn heeft haar brief van 19 september 2016 met bijlage ter zitting overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van de man en de vrouw is op 17 februari 2016 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] (hierna te noemen [de minderjarige1] ) geboren [in] 2009, en

- [de minderjarige2] (hierna te noemen [de minderjarige2] ), geboren [in] 2011, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.3

Bij tussenbeschikking van 28 juli 2015, verbeterd bij beschikking van 31 augustus 2015, heeft de rechtbank voor de duur van de scheidingsprocedure een voorlopige zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat de man en de vrouw om en om in de echtelijke woning verblijven en dat de man met de kinderen van maandag 12.00 uur tot donderdag 20.00 uur in de echtelijke woning verblijft en de vrouw van donderdag 20.00 uur tot maandag 12.00 uur. Die regeling zijn partijen zelf als voorlopige zorgregeling overeengekomen, zo meldt de beschikking.

4 Het hoger beroep

4.1

In de onder 1 genoemde beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - totdat nader is beslist een zorgregeling vastgesteld inhoudende dat de man met de kinderen in de echtelijke woning verblijft van maandag 12:00 uur tot donderdag 20:00 uur en dat de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning verblijft van donderdag 20:00 uur tot maandag 12:00 uur. Daarnaast is bepaald dat de man met ingang van 18 januari 2016 totdat nader is beslist een kinderalimentatie van € 312,- per kind per maand voldoet en dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding totdat nader is beslist een partneralimentatie van € 1.025,- per maand voldoet. De beslissingen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de definitieve zorgregeling, het gebruik van de echtelijke woning, de definitieve kinderbijdrage en partneralimentatie zijn aangehouden.

4.2

Partijen zijn tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen.

5 De omvang van het geschil

5.1

De vrouw heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen, een zorgregeling tussen de man en de kinderen te bepalen van eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag 17:00 uur alsmede één keer per week een avondmaaltijd, en de helft van de vakanties en feestdagen, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor de duur van zes maanden vanaf de inschrijving van de echtscheiding in de registers aan haar toe te kennen en te bepalen dat de man een partneralimentatie van € 1.804,- per maand met ingang van de inschrijving van de echtscheiding aan haar voldoet totdat nader is beslist.

5.2

De man heeft verzocht de verzoeken van de vrouw af te wijzen en heeft subsidiair en in incidenteel appel verzocht het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen, te bepalen dat hij bij uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het voorlopig gebruik van de echtelijke woning, de zorgregeling voor de duur van het raadsonderzoek uit te breiden met een verdeling van de schoolvakanties bij helfte, een zorgregeling tussen de vrouw en kinderen te bepalen van een weekend per veertien dagen en een door hem te betalen partneralimentatie van € 1.450,- per maand met ingang van de datum van de beschikking van het hof. Indien het hof het hoofdverblijf van de kinderen en het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw zou toewijzen heeft de man verzocht om een uitgebreide zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen die minimaal een verdeling van de zorg bij helfte inhoudt en om een door hem te betalen partneralimentatie te bepalen.

5.3

Ter zitting is duidelijk geworden dat partijen in deze procedure beiden verzoeken om voorlopige toevertrouwing van de kinderen en om een zorgregeling totdat daarover nader door de rechtbank zal zijn beslist, ook al luidden de verzoeken in hoger beroep of incidenteel appel oorspronkelijk anders. Het hof zal deze kwesties hierna bespreken, alsmede de nog voorliggende verzoeken betreffende het gebruik van de echtelijke woning en de voorlopige partneralimentatie.

6 De overwegingen

De ontvankelijkheid van het hoger beroep tegen de deelbeschikkingen

6.1

De vrouw heeft gesteld dat zij ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen de deelbeschikkingen, een beschikking waarbij in het dictum alvast uitdrukkelijk op een onderdeel van het verzochte is beslist, nu in afwachting van de raadsrapportage oftewel voor een bepaalde periode een zorgregeling is vastgesteld en hier geen sprake is van door de rechtbank opgedragen proefcontacten in het kader van een raadsonderzoek.

6.2

Op grond van genoemd art. 358 Rv staat tegen een eindbeschikking in beginsel gedurende drie maanden vanaf de dag van uitspraak hoger beroep open, terwijl van een tussenbeschikking in beginsel slechts hoger beroep kan worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking. Volgens vaste rechtspraak is onder een eindbeschikking te verstaan een beschikking waarin door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het verzochte een einde aan het geding wordt gemaakt. Een tussenbeschikking is iedere beschikking die geen eindbeschikking is. Voor een deelbeschikking, dat wil zeggen een beschikking in het dictum waarvan op een deel van het verzochte definitief wordt beslist en op een ander deel niet, betekent dit dat van de eindbeschikkingscomponent de appeltermijn direct begint te lopen en daarvan derhalve binnen die termijn moet worden geappelleerd, op straffe van niet-ontvankelijkheid.

6.3

Aangezien de - bij voorraad uitvoerbaar verklaarde - voorlopige beslissing van de rechtbank, te weten de voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen, een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt, en er geen sprake is van begeleide proefcontacten in het kader van raadsonderzoek, is de vrouw ontvankelijk in haar hoger beroep van deze deelbeschikking, zoals de man terecht ook heeft erkend. Omdat de vrouw gegriefd heeft tegen deze deelbeschikking wordt het verbod van hoger beroep tegen een tussenuitspraak doorbroken. Het hoger beroep voor zover dat het tussenuitspraakgedeelte betreft - zoals (het onthouden van een beslissing over) de voorlopige toevertrouwing van de kinderen - is dan ook ontvankelijk. Dat geldt ook voor de beslissing over de partneralimentatie, ongeacht of dat een tussenuitspraak is of - zoals de vrouw betoogt - voor een deel een eindbeschikking. Dat betoog behoeft derhalve geen verdere bespreking.

De ontvankelijkheid van het incidenteel appel

6.4

De vrouw heeft aangevoerd dat het incidenteel appel van de man onvoldoende duidelijk is, omdat hij geen grieven heeft aangevoerd. De man heeft (merendeels) wel kenbaar gemaakt waar hij het niet met de rechtbank eens is en waarom. De vrouw heeft daar ook op gereageerd en de verzoeken in incidenteel appel van de man, te weten de toevertrouwing van de kinderen aan de man (alsmede het hoofdverblijf van de kinderen en het gebruik van de echtelijke woning) besproken. Weliswaar was het raadzaam geweest om de grieven expliciet te formuleren, maar het brengt in dit geval niet mee dat het incidenteel appel van de man niet beoordeeld kan worden.

De voorlopige zorgregeling

6.5

De vrouw heeft het hof verzocht om een voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen te bepalen van eens per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag 17:00 uur alsmede één keer per week een avondmaaltijd, en de helft van de vakanties en feestdagen. De man wenst handhaving van de verdeling van de zorg bij helfte en heeft verzocht de voorlopige zorgregeling in stand te laten.

6.6

Het hof stelt in principe bij het beoordelen van een zorgregeling, ook een voorlopige, het belang van de kinderen voorop. Partijen hebben zelf oorspronkelijk gekozen voor de voorlopige zorgverdeling die de rechtbank heeft vastgesteld in haar beschikking van 28 juli 2015 en vervolgens in de bestreden beschikking, door partijen ook wel 'birdnesting' genoemd. Het hof is niet voldoende gebleken dat er voor de kinderen noodzaak is om de afgesproken voorlopige zorgregeling te wijzigen in die zin dat de regeling voor de ene ouder wordt uitgebreid en dus voor de andere ouder ingeperkt. Ook ziet het hof geen aanleiding om - anders dan de vrouw mogelijk voorstaat in grief 1 - niet de uitkomsten van het raadsonderzoek dat (ten tijde van de behandeling van de zaak ter zitting) nog niet volledig afgerond is in deze af te wachten. Het hof ziet geen aanleiding om op het raadsrapport, dat naar verwachting binnen afzienbare tijd klaar zal zijn en bij de rechtbank in de daar nog lopende procedure zal worden ingediend, vooruit te lopen. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat de huidige regeling dramatisch slecht verloopt en de ouders hebben over en weer aangegeven wat de andere ouder niet goed heeft gedaan, maar dat het niet goed gaat met de kinderen als gevolg van de zorgverdeling is in deze procedure niet aangetoond of bevestigd.

Partijen hebben de voorlopige zorgregeling en het halen en brengen van de kinderen in onderling overleg bovendien weten aan te passen naar de nieuwe woonsituatie van de vrouw. Dat wijst erop dat partijen zelf in staat zijn de zorgregeling waar nodig aan te passen bij veranderingen die zich voordoen.

De vrouw heeft overigens aangegeven eveneens naar een co-ouderschapsregeling te willen toewerken met dien verstande dat partijen nog dienen te werken aan verbetering van hun communicatie. Dat laatste onderschrijft het hof, maar enkel de noodzaak tot verbetering van de communicatie alsmede de negatieve wijze waarop de ouders over elkaar spreken, wat ook erg zorgelijk is, rechtvaardigt in dit geval en op dit moment - naar het oordeel van het hof - niet de wijziging van de huidige zorgverdeling. Nu niet gebleken is dat de voorlopige zorgregeling niet in stand kan blijven, zal het hof die inperken noch uitbreiden.

6.7

Het hof zal ondanks de handhaving van de huidige voorlopige zorgregeling de bestreden beschikking op dit punt vernietigen, omdat die niet meer steeds in de echtelijke woning plaatsvindt en de tijden enigszins gewijzigd zijn.

De voorlopige toevertrouwing

6.8

Partijen willen allebei dat de kinderen voorlopig aan hem respectievelijk haar worden toevertrouwd. Het hoofdverblijf van de kinderen is nog niet bepaald, ook nog niet voorlopig. De beslissing van de rechtbank om een raadsonderzoek te laten doen is niet door partijen bestreden. Die beslissing kan dan ook in stand gelaten worden.

Nu het hof de voorlopige zorgregeling qua uitgangspunt waarbij de ouders de zorg bij helfte delen zal handhaven, brengt het belang van de kinderen mee dat een voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan enkel één van de ouders nog achterwege dient te blijven, dan wel het thans niet noodzakelijk wordt geacht om vooruit te lopen op de uitkomsten van het raadsonderzoek en de mogelijke beslissing van de rechtbank over het hoofdverblijf van de kinderen. Het hof zal daarom de verzoeken tot voorlopige toevertrouwing aan een der ouders afwijzen.

Het gebruik van de echtelijke woning

6.9

De vrouw heeft ter zitting haar verzoek met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning ingetrokken. Dat betekent dat het hof in zoverre haar verzoek zal afwijzen. De stellingen van partijen over het gebruik van de echtelijke woning behoeven derhalve geen bespreking meer.

De partneralimentatie

6.10

De vrouw heeft in haar verweer in het incidenteel appel aangegeven het eens te zijn met de door de man genoemde voorlopige partneralimentatie van € 1.450,- per maand, maar niet met de door de man voorgestelde ingangsdatum. Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat de man met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheiding totdat nader is beslist door de rechtbank een partneralimentatie van € 1.450,- per maand aan de vrouw dient te betalen. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen. Ook hier geldt dat de stellingen van partijen over dit onderwerp geen verdere bespreking behoeven.

7 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover het de voorlopige partneralimentatie en het gebruik van de echtelijke woning betreft vernietigen, de voorlopige partneralimentatie vaststellen zoals hierna wordt weergegeven en het verzoek inzake het gebruik van de echtelijke woning afwijzen. Voor zover de bestreden beschikking de voorlopige zorgregeling betreft zal het hof deze vernietigen en daarvoor in de plaats stellen de lopende tussen partijen overeengekomen regeling. De verzoeken omtrent voorlopige toevertrouwing zal het hof afwijzen.

8 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 18 januari 2016, voor zover het de voorlopige zorgregeling, de voorlopige partneralimentatie en het gebruik van de echtelijke woning betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt een voorlopige zorgregeling vast totdat nader door de rechtbank is beslist inhoudende dat de man van maandag 12:00 uur tot donderdag na het avondeten voor de kinderen zorgt en dat de vrouw van donderdag na het avondeten tot maandag 12:00 uur voor de kinderen zorgt;

bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand totdat nader is beslist een partneralimentatie van € 1.450,- per maand voldoet, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.W. Beversluis, mr. J.G. Idsardi en mr. B.J. Voerman, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 december 2016.