Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9887

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
23-12-2015
Zaaknummer
200.168.082/01 en 200.168.088/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgemeenschap. Verknochte schulden. Overgeslagen polissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0001
FJR 2016/24.19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.168.082/01 en 200.168.088/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/357868 / FL RK 13-2791)

beschikking van de familiekamer van 10 december 2015

inzake

[de vrouw] ,

wonende op een geheim adres,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.J. Avis, kantoorhoudend te Hoofddorp,

tegen

[de man] ,

wonende te [A] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L. Laus, kantoorhoudend te Haarlem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 15 oktober 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen bij het gerechtshof Amsterdam op 15 januari 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht met bijlagen van 28 mei 2015 van mr. Avis;

- een journaalbericht met bijlagen van 30 juni 2015 van mr. Avis;

2.2

Bij beroepschrift heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

I. de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen van partijen voldoet van minimaal € 25,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te betalen;

II. de huwelijksgoederengemeenschap van partijen wordt verdeeld conform de punten 13 tot en met 22 van het beroepschrift;

III. kosten rechtens.

2.3

Bij verweerschrift heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Tevens heeft de man bij dit verweerschrift incidenteel appel ingesteld en verzocht de vrouw te gelasten bij de assuradeur [B] tot splitsing van de polissen over te gaan in dier voege dat iedere partij een polis met een gelijk aandeel verkrijgt dan wel indien splitsing verzekeringstechnisch niet mogelijk is de vrouw te gelasten de helft van de opbouw van beide posten aan de man uit te keren in geld.

2.4

Bij verweerschrift in het incidenteel appel heeft de vrouw het verzoek van de man bestreden.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 16 oktober 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 2008 te [C] (Verenigde Staten van Amerika) in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 november 2009 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is nimmer ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat het huwelijk in stand is gebleven.

3.3

De vrouw heeft op 29 november 2013 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen bij de rechtbank ingediend. De man heeft op 12 december 2013 een verweerschrift ingediend, waarbij hij tevens zelfstandige verzoeken heeft gedaan. Daarop heeft de vrouw een verweerschrift ingediend.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen op nihil bepaald. Tevens is de wijze van verdeling als volgt vastgesteld:

- de echtelijke woning aan de [a-straat] 94 te [D] dient te worden verkocht, waarbij de hypotheek zoveel mogelijk wordt afgelost en partijen ieder de helft van de restschuld voor zijn/haar rekening zal nemen;

- de en/of-rekening zal na verkoop van de echtelijke woning worden opgeheven; een eventueel positief saldo zal worden aangewend ter aflossing van de hypotheek;

- ieder krijgt de op zijn/haar naam staande bankrekening toegedeeld, zonder verdere verrekening van de saldi;

- ieder is voor de helft draagplichtig voor de schulden.

3.5

De echtscheidingsbeschikking is op 7 november 2014 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3.6

Bij beschikking van 7 april 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam zich relatief onbevoegd verklaard van de zaak kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar dit hof.

3.7

Niet in geschil is dat als peildatum voor de omvang en de waarde van de huwelijksgoederengemeenschap 29 november 2013 wordt gehanteerd.

4 De motivering van de beslissing

Ten aanzien van de kinderalimentatie

4.1

Ter zitting heeft de vrouw haar grieven inzake de kinderalimentatie ingetrokken. Derhalve behoeven deze geen bespreking meer en zal het verzoek van de vrouw in zoverre worden afgewezen.

Ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap

De schuld aan Woonstichting [E]

4.2

In geschil is of de schuld aan Woonstichting [E] ten bedrage van € 8.000,- in verband met schade die is ontstaan doordat in de woning aan de [b-straat] te [D] die de man van deze stichting huurde een hennepkwekerij werd gehouden, een schuld is die aan de man is verknocht.

4.3

De vragen of een goed dan wel een schuld wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan aan één der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed respectievelijk de schuld in de gemeenschap valt - een en ander als bedoeld in artikel 1:94 lid 3 BW - kunnen niet in hun algemeenheid worden beantwoord. De beantwoording is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed respectievelijk die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Daarbij bestaat geen grond te bezien of de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen de deelgenoten beheerst in een andere richting wijzen. De redelijkheid en billijkheid zijn al verdisconteerd in de maatstaf van de maatschappelijke opvattingen. Deze objectieve maatstaf dient de rechtszekerheid die voor de omvang van de huwelijksgemeenschap belangrijk is in verband met rechten van derden.

4.4

Vast staat dat de man de woning aan de [b-straat] te [D] van Woonstichting [E] huurde. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is naar voren gekomen dat de vrouw ervan op de hoogte was dat partijen inkomsten genoten - te weten een bedrag van
€ 850,- per maand - in verband met het onderverhuren van deze woning. Niet is komen vast te staan dat de man en/of de vrouw ervan op de hoogte was of waren dat een hennepplantage werd gehouden in de woning aan de [b-straat] te [D] , nu beiden dit ontkennen, die wetenschap niet uit de stukken blijkt en hieromtrent geen bewijsaanbod is gedaan. Wat hier verder ook van zij, het hof acht aannemelijk dat partijen de inkomsten uit (onder)verhuur hebben besteed aan de gezinshuishouding. Uit de stukken en de behandeling ter zitting komt naar voren dat partijen een levensstijl hadden die niet passend was bij de hoogte van hun reguliere inkomsten. Zo woonden partijen in een woning waarvan de hypothecaire lasten niet in verhouding stonden tot hun inkomen. Ter zitting heeft de man erkend dat hij aan de hypotheekverstrekker onjuiste - te hoge - inkomensgegevens heeft doorgegeven, waardoor aan partijen een hypothecaire geldlening werd verstrekt van € 552.000,- voor de aankoop van de woning aan de [a-straat] te [D] . Onder de hiervoor genoemde omstandigheden is het hof van oordeel dat de schuld aan Woningstichting [E] niet aan de man is verknocht.

4.5

Op grond van het voorgaande is het hof evenmin van oordeel dat deze gemeenschapsschuld op grond van de redelijkheid en billijkheid volledig door de man dient te worden gedragen, zoals de vrouw subsidiair heeft aangevoerd.

4.6

Gelet op het voorgaande is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan Woningstichting [E] , zodat de bestreden beschikking in zoverre zal worden bekrachtigd.

De restschuld inzake het appartement aan de [c-straat] 324 vier hoog te [A]

4.7

De vrouw heeft in haar beroepschrift gesteld dat in verband met de restschuld van
€ 6.834,02 inzake de verkoop van het appartement die zij heeft voldaan de man de helft van dit bedrag aan haar verschuldigd is, ondanks het feit dat de woning voor de peildatum is overgedragen, aangezien de man niet wilde bijdragen en de saldi van de bankrekeningen van partijen niet zijn verdeeld. In het verweerschrift in het incidenteel appel heeft de vrouw vervolgens aangegeven dat het niet meer zoveel uitmaakt dat zij deze last volledig heeft voldaan en gedragen, nu zij in de schuldsanering zit. Gelet hierop dient het ervoor te worden gehouden dat de vrouw haar grief ten aanzien van de restschuld inzake het appartement aan de [c-straat] 324 vier hoog te [A] heeft ingetrokken. Derhalve behoeft deze grief geen verdere bespreking meer en zal haar verzoek op dit punt worden afgewezen.

De restschuld ten aanzien van de voormalige echtelijke woning van partijen ( [a-straat] 94 te [D] )

4.8

De vrouw heeft aangevoerd dat de restschuld ten aanzien van de voormalige echtelijke woning en de schuld aan de makelaar dienen te worden verdeeld.

4.9

Ingevolge artikel 1:102 BW blijft na ontbinding van de gemeenschap ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden, waarvoor hij voordien aansprakelijk was. De interne draagplicht van de echtgenoten volgt uit artikel 1:100 lid 1 BW: ieder draagt de helft van deze schulden, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding van de gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden. De echtgenoot die een schuld voor een groter deel heeft voldaan dan met zijn draagplicht overeenstemt, heeft voor het meerdere verhaal op de andere echtgenoot.

4.10

Vast staat dat partijen de hypothecaire geldlening ten aanzien van de voormalige echtelijke woning van partijen en de verkoopopdracht aan de makelaar gezamenlijk zijn aangegaan tijdens het huwelijk. Derhalve zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele restant hypotheekschuld en de nota van de makelaar.

4.11

Het is niet mogelijk de restant hypotheekschuld ten aanzien van de voormalige echtelijke woning en de nota van de makelaar aan partijen ieder voor de helft toe te delen, zoals de vrouw heeft verzocht. Het hof leest het verzoek van de vrouw zo dat de vrouw wenst vast te laten stellen dat partijen in de interne verhouding ieder de helft van deze schulden voor hun rekening nemen. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd.

4.12

Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de restant hypotheekschuld inzake de voormalige echtelijke woning. Tevens is het hof van oordeel dat zij ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de nota van de makelaar. Het hof merkt op dat de hypotheekschuld en de nota van de makelaar blijkens de nota van afrekening van de notaris van 26 november 2014 reeds zijn opgenomen in de restschuld, zodat het hof de beslissing van de rechtbank dat partijen ieder de helft van de restschuld voor zijn/haar rekening zal nemen, zal bekrachtigen.

Overige schulden

4.13

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de volgende schulden voor de helft voor rekening van de man komen:

- de schuld aan (naar het hof begrijpt) de gemeente Amsterdam, dienst belastingen, van
€ 241,12;

- de schuld aan de [F] inzake de voormalige echtelijke woning van in totaal € 3.102,74;

- de schuld aan [G] van € 116,31;

- de schuld aan de belastingdienst van in totaal € 5.426,-;

- de schuld inzake de kinderopvang van € 908,94;

- de schuld aan de gemeente Bloemendaal van € 930,07.

4.14

Ter zitting heeft de man te kennen gegeven dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden aan de belastingdienst en de schuld inzake de kinderopvangtoeslag, en dat de man in zoverre geen verweer voert tegen het verzoek van de vrouw. Het hof begrijpt dat de man daarmee heeft bedoeld de gehele schuld aan de belastingdienst, zijnde die inzake de zorgtoeslag en de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van in totaal € 3.110,- en die inzake de kinderopvangtoeslag van
€ 2.316,-, derhalve in totaal € 5.426,-. Derhalve zal het hof aldus bepalen.

4.15

Ten aanzien van de overige door de vrouw opgevoerde schulden heeft de man aangevoerd dat partijen in eerste aanleg hebben afgesproken dat de vrouw deze zonder regres voor haar rekening zal nemen althans dat deze door haar zullen worden afgehandeld zonder regres op de man. De vrouw heeft hiertegen onvoldoende ingebracht. Derhalve zal het hof het verzoek van de vrouw in zoverre afwijzen.

De inboedel

4.16

Ter zitting heeft de vrouw haar grief inzake de inboedel ingetrokken. Derhalve behoeft deze grief geen verdere bespreking meer en zal het verzoek van de vrouw op dit punt worden afgewezen.

De verzekering bij [H]

4.17

Partijen zijn het erover eens dat de verzekering bij [H] een risicoverzekering betreft en dat deze, althans de waarde hiervan, om die reden niet in de verdeling dient te worden betrokken. Derhalve behoeft de grief hieromtrent geen verdere bespreking meer en zal het verzoek van de vrouw in zoverre worden afgewezen.

De verzekeringen bij [B]

4.18

De man heeft aangevoerd dat verzuimd is in de verdeling te betrekken twee polissen door de vrouw als verzekeringnemer afgesloten bij [B] met nummers [00000] en [00001] . Deze polissen hebben, zo stelt de man, in totaal een waarde van
€ 13.330,-, waarvan de man de (gesplitste) helft toekomt indien de polissen een splitsing toelaten, dan wel de helft van de per peildatum opgebouwde waarde indien splitsing niet mogelijk is.

4.19

De vrouw stelt zich op het standpunt dat deze polissen aan haar dienen toe te komen. De ouders van de vrouw hebben de polissen voor het huwelijk tussen partijen ten behoeve van de vrouw afgesloten. Gelet daarop, op de ellende die de man bij de vrouw heeft veroorzaakt, het leed dat hij haar heeft toegebracht waaronder een grote schuld ten gevolge van een hennepplantage in de woning van de man, het feit dat de vrouw in de schuldsanering zit en het feit dat zij geen kinderalimentatie van de man zal ontvangen, acht de vrouw het onredelijk dat de polissen bij [B] in de verdeling worden betrokken.

4.20

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:100, eerste lid, BW hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.

4.21

In zeer uitzonderlijke gevallen kan van de verdeling bij helfte worden afgeweken. Voor deze afwijking moet een zeer zware maatstaf worden aangelegd. Onverkorte toepassing van de krachtens artikel 1:100 lid 1 BW geldende regel moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.

4.22

Vast staat dat de verzekeringspolissen bij [B] per peildatum tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoorden. De omstandigheid dat de polissen door de ouders van de vrouw zijn aangekocht, is op zichzelf onvoldoende om af te wijken van een verdeling bij helfte. Ook overigens heeft de vrouw onvoldoende gesteld voor een dergelijke afwijking. De door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden zijn zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang niet zo uitzonderlijk dat onverkorte toepassing van de krachtens artikel 1:100 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tussen deelgenoten in een ontbonden huwelijksgemeenschap geldende regeling van verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.23

Gelet op het voorgaande zal het hof aan ieder van partijen de helft van de verzekeringspolissen bij [B] met nummers [00000] en [00001] toedelen en de vrouw gelasten [B] de opdracht te geven tot splitsing van deze polissen over te gaan. Indien de verzekeringspolissen geen splitsing toelaten, deelt het hof aan de vrouw deze polissen toe onder de verplichting de helft van de waarde van deze polissen per peildatum aan de man uit te keren.

5 De slotsom

5.1

Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2014 voor zover is bepaald dat ieder draagplichtig is voor de helft van de schulden en voor zover de polissen bij [B] met nummers [00000] en [00001] niet in de wijze van verdeling zijn betrokken;

en in zoverre opnieuw beslissende:

bepaalt dat ieder van partijen draagplichtig is voor de helft van de schulden met uitzondering van de schuld aan de gemeente Amsterdam, dienst belastingen, de schuld aan [F] , de schuld aan [G] , de schuld aan de kinderopvang en de schuld aan gemeente Bloemendaal;

deelt toe aan ieder van partijen de helft van de verzekeringspolissen bij [B] met nummers [00000] en [00001] en gelast de vrouw [B] opdracht te geven tot splitsing hiervan over te gaan, indien deze polissen splitsing toelaten, met dien verstande dat in het geval deze polissen geen splitsing toelaten, de polissen aan de vrouw worden toegedeeld onder de verplichting de helft van de waarde hiervan per peildatum aan de man te vergoeden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Jonkman, mr. M.P. den Hollander en mr. B.J. Voerman en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 december 2015 in bijzijn van de griffier.