Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9880

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
07-01-2016
Zaaknummer
200.178.536/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldvordering in kort geding. Spoedeisend belang bij nakoming geldleningsovereenkomst. Geldsom benodigd voor financiering bouwproject. Uitleg overeenkomst. Naar voorlopig oordeel van het hof geen verzuim en geen rechtsgeldige ontbinding van de overeenkomst. Beroep op dwaling verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.178.536/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/144026 / KG ZA 15-241)

arrest in spoed kort geding van 22 december 2015

in de zaak van

Raap Beheer B.V.,

gevestigd te Lith,

appellante in de hoofdzaak en eiseres in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Raap Beheer,

advocaat: mr. W.J. Liebrand, kantoorhoudend te Oss,

tegen

1 [geïntimeerden] ,

gevestigd te Terkaple,

hierna: [geïntimeerden],

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [geïntimeerde 3],

geïntimeerden in de hoofdzaak en verweerders in het incident,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. J.H. van der Meulen, kantoorhoudend te Joure.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 30 september 2015 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende grieven en een incidentele vordering tot schorsing executie d.d. 9 oktober 2015 (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens van antwoord in het incident (met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

Raap Beheer vordert in het hoger beroep:
“bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

in het incident :

de tenuitvoerlegging van het vonnis van 30 september 2015, met rolnummer 170305 /

KG ZA 08-60 gewezen door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland,

locatie Leeuwarden, te schorsen totdat het Hof over het beroep heeft beslist; zulks met

veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het incident.

in de hoofdzaak :

het vonnis van 30 september 2015, met rolnummer 170305 / KG ZA 08-60, gewezen

door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, te

vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van

de gronden, de vorderingen van eisers in eerste aanleg, thans geïntimeerden, alsnog af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten in beide instanties.”

3 De vaststaande feiten

3.1

De voorzieningenrechter heeft de vaststaande feiten weergegeven in r.o 2.1 tot en met 2.14 van het bestreden vonnis. Tegen die weergave is geen (expliciete) grief gericht.
Voor zover randnummer 21 van de appeldagvaarding de verholen grief bevat dat de voorzieningenrechter de feiten niet volledig heeft weergegeven overweegt het hof dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.
Het hof zal dan ook uitgaan van de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten. Deze komen, aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder nog als onweersproken is komen vast te staan, op het volgende neer.

3.2

[geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] zijn de vennoten van [geïntimeerden] . [geïntimeerden]

stelt zich ten doel de exploitatie van een restaurantbedrijf, de verhuur van

vakantiehuisjes en appartementen en overige logiesverstrekking.

3.3

Raap Beheer is een financiële holding. Directeur-enig aandeelhouder van Raap

Beheer is de heer [naam] .

3.4

In het kader van de verdere ontwikkeling van haar bedrijfsactiviteiten wil De

[geïntimeerden] een tweetal samengebouwde vakantiewoningen gaan realiseren op een

door haar aan te kopen perceel grond (hierna: de grond) op een recreatiepark, plaatselijk

bekend [adres] (hierna: het plan).

3.5

[geïntimeerden] heeft voor een investeringsproject, waar dit plan

onderdeel van is, subsidie aangevraagd bij het Samenwerkingsverband Noord-Nederland

(SNN) op grond van de Subsidieregeling Toerisme Natuurlijk Fryslân 2013-2015 (STINAF

II). Bij beschikking van 21 oktober 2014 heeft het SNN deze subsidie verleend tot maximaal

€ 100.000,-. In deze beschikking staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

"Uw investeringsproject omvat investeringen in:

- Een tweetal eigen -voor verhuur bestemde- duurzame recreatieaccommodatie inclusief

aankoop van de grond waarop deze accommodaties zullen worden gerealiseerd;

- Een te realiseren bed & breakfast appartement;

- Zonnepanelen voor energievoorziening van de receptie en overige centrale voorzieningen

van het park;

- Vier laadpalen voor het opladen van elektrische boten.

(...)

Aan deze verleningsbeschikking zijn regels en voorwaarden verbonden. Deze zijn

opgenomen in de STINAF II. Het is van belang om hieraan te (blijven) voldoen om

aanspraak te maken op de subsidie. (…)
Bij de aanvraag was de financiering van uw project nog niet zeker gesteld. Op grond van

artikel 225 sub f van de STINAF II dient u uiterlijk binnen drie maanden na het versturen

van deze verleningsbeschikking de financiering van het gehele investeringsproject zeker te

hebben gesteld. U dient hiervoor (een) ondertekende financieringsovereenkomst(en) te

overleggen waaruit dit blijkt.

(...)

Voor de realisatie van het project heeft u een omgevingsvergunning nodig. Bij de aanvraag

kon u nog geen aanvraag voor een omgevingsvergunning overleggen. Op grond van artikel

225 sub g dient u uiterlijk binnen drie maanden na het versturen van deze

verleningsbeschikking de aanvraag voor de benodigde omgevingsvergunning bij ons aan te

leveren.

(...)

Uw project moet binnen twee jaren na de datum van de verleningsbeschikking gerealiseerd

zijn."

3.6

Partijen zijn vervolgens in onderhandeling getreden over het sluiten van een

geldleningsovereenkomst ter financiering van dit plan, waarbij verschillende variaties op

deze geldleningsovereenkomst aan de orde zijn geweest. In het kader van deze

onderhandelingen heeft [geïntimeerden] aan Raap Beheer een kopie van de

subsidiebeschikking verstrekt. [geïntimeerden] liet zich in dezen financieel

adviseren door de heren [naam] en [naam] ,

werkzaam bij financieel adviesbureau [naam] .

3.7

In december 2014 heeft [geïntimeerden] een omgevingsvergunning

aangevraagd voor de realisatie van het tweetal samengebouwde vakantiewoningen.

3.8

In reactie op een aan hem gemaild concept van de te sluiten

geldleningsovereenkomst heeft Raap bij e-mail van 7 januari 2015 - voor zover van belang - het

volgende aan [naam] gemaild:

"Ik heb nog naar de liquiditeitsbegroting gekeken, graag een nadere toelichting hoe er

jaarlijks ca. 40 k afgelost kan worden (vanaf 2016) en daarnaast ruim I5k aan rente

betaald kan worden terwijl de begrote omzet ca 30. K is."

3.9

In reactie hierop heeft [naam] voorgesteld om het concept aan te passen in die zin

dat de 'slotsom' € 150.000,- zou zijn en de aflossingsverplichtingen na drie jaar zouden

worden herzien op basis van de vorderingen van het recreatiepark. Raap is hier niet mee

akkoord gegaan.

3.10

Op 16 januari 2015 hebben [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] de definitieve

geldleningsovereenkomst ondertekend en diezelfde overeenkomst is op 17 januari 2015

door Raap namens Raap Beheer ondertekend en per e-mail naar [naam] en [geïntimeerde 2]

gestuurd. In de begeleidende e-mail heeft hij hen - voor zover van belang - het volgende

bericht:

"De afspraak dat we jaarlijks een lang weekend gebruik mogen maken van de beide huisjes

zal als het aan ons ligt zeker gebruikt gaan worden en ik heb het 1e weekend van september

al in gedachte?"

3.11

In de geldleningsovereenkomst is - voor zover van belang - het volgende bepaald:
"Artikel 1

1. De crediteur [Raap Beheer, toevoeging hof] leent aan de debiteur [ [geïntimeerden] , toevoeging hof] een bedrag van € 500.000,00 (zegge: vijfhonderdduizend euro en nul cent).

2. Over het openstaande bedrag en de eventuele achterstallige rente zal de debiteur een

rente verschuldigd zijn van vijf procent (5%) per jaar, verschijnend in maandelijkse

termijnen op de laatste dag van elke maand over de alsdan verstreken periode.
(…)

Artikel 3

De lening wordt aangegaan tot uiterlijk 30 juni 2025.

Artikel 4

De aflossingen zullen als volgt plaatsvinden:

De eerste aflossing van € 30.000,00 vindt plaats bij passering van de grondaankoop.

De tweede aflossing van € 42.500,00 vindt plaats binnen uiterlijk 6 maanden na passering

grondaankoop.

De derde aflossing van € 42.500,00 vindt plaats binnen uiterlijk 9 maanden na passering

grondaankoop. Betaling vinden uiterlijk na deze termijn plaats of zoveel eerder bij

ontvangst van de subsidie. Indien er door omstandigheden een vertraging in de bouw

ontstaat, dan zullen debiteur en crediteur in onderling overleg een aangepast aflosschema

op stellen voor de aflossing van de te ontvangen subsidie.

Het resterende leningsbedrag zal als volgt worden afgelost: 36 maandelijkse termijnen van

€ 2.176,00 voor het eerst per 1 juni 2016, vanaf 1 juni 2019 71 maandelijkse termijnen van

€ 4.259,00 en een slottermijn van € 4.275,00 per 30 juni 2025.

(...)

Artikel 5

Als zekerheid voor de afbetaling van de lening wordt verstrekt:

Een hypotheek van EUR 500.000,00 als 1e op de door crediteur aan te kopen grond met

(toekomstige opstallen, aan de [adres] . Exacte benaming van de

kadastrale nummers dient nog plaats vinden. Hypotheekvestiging dient plaats te vinden bij

overdracht/passeren van de grond.

(...)

Artikel 5a

Er wordt een rekening geopend op naam van ‘ [geïntimeerden] ’ welke als

depotrekening wordt aangehouden. Voor de betalingen van de bouwrekeningen wordt een

procuratie ingericht. Deze wordt als volgt ingericht. Debiteur en crediteur dienen beide te

tekenen voor elke betaling.
Rentevergoeding depotrekening:

Op de depotrekening wordt een rentevergoeding gegeven door crediteur ter hoogte van de

in deze overeenkomst genoemde leningsrente (5%) minus 1,2% (huidige spaarrente). Afslag

blijft gedurende gehele periode dat de depotrekening loopt ongewijzigd. Rentevergoeding

bedraagt derhalve 3,8%. De rente op de depotrekening zal maandelijks worden verrekend

met de leningrente."

3.12

Bij brief van 1 juni 2015 heeft Raap namens Raap Beheer - voor zover van belang – het volgende aan [geïntimeerden] bericht:

"Volstrekt onduidelijk is of inmiddels de grond is aangekocht, hetgeen naar de bedoeling

van de overeenkomst al had moeten gebeuren, wil conform de termijnstelling van 6 en 9

maanden na notariële overdracht nog dit jaar aan de terugbetalingsverplichting door jullie

voldaan kunnen worden.

Nu de grondaankoop een verplichting is die op jullie rust, waaraan kennelijk nog niet is

voldaan, geef ik jullie 14 dagen de tijd, derhalve tot 15 juni 2015 om de bedoelde notariële

overdracht van de grond conform de overeenkomst te realiseren. Wanneer u alsnog binnen

14 dagen uw verplichtingen tot aankoop van de grond bent nagekomen, dienen partijen nog

wel te komen tot nadere afspraken over een aantal lacunes in de overeenkomst.

Mocht de aankoop als hiervoor bedoeld niet binnen de genoemde termijn zijn gerealiseerd,

stel ik u nu reeds voor alsdan in gebreke en ontbind ik de overeenkomst per 15 juni 2015."

3.13

In reactie op deze brief heeft [geïntimeerden] bij brief van 10 juni 2015

- voor zover van belang - het volgende aan Raap bericht:

"U stelt nu een termijn voor aankoop van de grond. Indien de grond dan niet gepasseerd is

stelt u ons in gebreke. Op basis van de overeenkomst heeft u echter niet het recht deze

voorwaarden te stellen. De mogelijke in gebreke stelling is naar onze mening en op basis

van de afspraken in het contract niet gegrond."

3.14

Bij brief van 16 juni 2015 heeft Raap namens Raap Beheer de

geldleningsovereenkomst ontbonden, omdat [geïntimeerden] ondanks de

ingebrekestelling van 1 juni 2015 nog niet had voldaan aan haar verplichting om de grond

aan te kopen.

3.15

Bij besluit van 14 juli 2015 is aan [geïntimeerden] de gevraagde

omgevingsvergunning voor de realisatie van het tweetal samengebouwde vakantiewoningen

verleend.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerden] hebben gevorderd Raap Beheer bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot nakoming van de geldleningsovereenkomst en derhalve tot
- terbeschikkingstelling van een bedrag van € 500.000,- en te verstaan dat deze terbeschikkingstelling zal plaatshebben als volgt:
- partijen openen een bankrekening ten name van 'VOF [geïntimeerden] ', welke als

depotrekening wordt aangehouden;

- Raap Beheer voldoet onmiddellijk hierna een bedrag groot € 500.000,- op voormelde

depotrekening;

- partijen zullen niet anders dan gezamenlijk over deze depotrekening kunnen beschikken;

- ten laste van deze depotrekening worden voldaan (ten eerste) de rekening van de notaris,

ter zake van het transport van het ten processe bedoeld perceel grond en het daarop te

vestigen hypotheekrecht, welke rekening bij [geïntimeerden] ingediend zal worden;

- vervolgens worden (ten tweede) de ter zake van de realisatie van de opstal, ten processe

bedoeld, aan eisers te zenden facturen ten laste van het depot voldaan;

- voorts worden de facturen, bedoeld in alinea 25a van deze dagvaarding genoemde kosten

voldaan, zulks voor zover het depot dit toelaat en zulks voor zover die betalingen niet reeds

hebben plaatsgevonden;

en voorts Raap Beheer te veroordelen al hetgeen te doen wat zijdens Raap Beheer noodzakelijkerwijs gedaan moet worden om alle hierboven genoemde onderscheiden rechtshandelingen tot stand te brengen, en gedaagde te verbieden enige handeling te verrichten welke het tot stand komen van voornoemde rechtshandelingen verhindert of kan verhinderen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag dat gedaagde nalaat zodanig (noodzakelijke) handelingen te verrichten respectievelijk voor iedere belemmerende handeling welke gedaagde feitelijk uitvoert;

alles binnen de wettelijke termijn na betekening van het ten deze te wijzen vonnis;

en te verstaan dat [geïntimeerden] aan Raap Beheer recht van eerste hypotheek zullen verstrekken op het ten processe bedoeld, door hen ( [geïntimeerden] ) te verwerven registergoed;
met veroordeling van Raap Beheer in de kosten.

4.2

Raap Beheer heeft primair als verweer gevoerd dat [geïntimeerden] c.s geen spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorziening. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat zij de geldleningsovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden omdat [geïntimeerden] in verzuim verkeerde ter zake van haar verplichting de grond aan te kopen. Meer subsidiair heeft Raap Beheer een beroep gedaan op dwaling.

4.3

De voorzieningenrechter heeft de verweren van Raap Beheer verworpen en heeft Raap Beheer bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis veroordeeld om binnen een week na betekening van het vonnis een bedrag van € 500.000,- aan [geïntimeerden] ter beschikking te stellen. Voorts heeft de voorzieningenrechter bepaald dat Raap Beheer op straffe van verbeurte van een dwangsom binnen een week na betekening van het vonnis haar medewerking dient te verlenen aan het gezamenlijk openen van een bankrekening ten name van "VOF [geïntimeerden] ” welke als depotrekening zal worden aangehouden.
Ten slotte heeft de voorzieningenrechter bepaald dat voormelde terbeschikkingstelling zal plaatshebben door voldoening van het bedrag van € 500.000,- op voormelde depotrekening. Raap Beheer is in de kosten van de procedure veroordeeld. De overige vorderingen van [geïntimeerden] zijn afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Volgens vaste jurisprudentie (o.a. ECLI:NL:HR:2004:AP0263) dient de rechter ter beantwoording van de vraag of plaats is voor toewijzing van een geldvordering in kort geding niet alleen te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.


Spoedeisend belang
5.2 Grief 10 is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerden] voldoende spoedeisend belang bij hun vordering hebben.

5.3

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Indien, zoals hier, in hoger beroep de vraag moet worden beantwoord of een in kort geding verlangde voorziening, na toewijzing daarvan door de voorzieningenrechter, in hoger beroep voor inwilliging in aanmerking komt, dient ook in hoger beroep te worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof (ex nunc) bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (vergelijk
ECLI:NL:HR:2002:AE3437 en ECLI:NL:HR:2002:AE4553).

5.4

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] ook thans nog een spoedeisend belang hebben bij hun vordering tot ter beschikkingstelling van het bedrag van
€ 500.000,-. Vast staat dat de voor de bouw benodigde omgevingsvergunning op 14 juli 2015 aan [geïntimeerden] is verleend en op 9 september 2015 onherroepelijk is geworden. Eveneens staat vast dat aan hen ten behoeve van het project een subsidie is verleend van
€ 100.000,- onder een tweetal voorwaarden, te weten
1) de financiering van het investeringsproject dient binnen drie maanden na verzending van de verleningsbeschikking (verzenddatum 21 oktober 2014) zeker gesteld te zijn en
2) het project dient binnen twee jaar na de verleningsbeschikking (uiterlijk 21 oktober 2016) gerealiseerd te zijn.
Aan de eerste voorwaarde werd in januari 2015 door het sluiten van de in het geding zijnde overeenkomst van geldlening voldaan.
Om aan de tweede voorwaarde te kunnen voldoen en het project tijdig te kunnen realiseren is genoemd bedrag van € 500.000,- nodig. Zonder dat bedrag kan de bouw niet tijdig worden gestart en afgerond en komt de subsidie te vervallen. Daarmee is het spoedeisend belang van [geïntimeerden] bij hun vordering tot ter beschikkingstelling van het bedrag van € 500.000,- gegeven. De stelling van Raap Beheer dat niet gebleken is dat [geïntimeerden] in de zomer van 2015 alsnog hebben getracht financiering bij een derde te verkrijgen, kan – wat daarvan ook zij – niet afdoen aan het spoedeisende belang van [geïntimeerden] om nakoming te vragen van de geldleningsovereenkomst die zij met Raap Beheer hadden gesloten. In zoverre faalt grief 10.

5.5

De grief faalt evenwel niet voor zover die is gericht tegen de door de voorzieningenrechter in het dictum onder 5.2, 5.3 en 5.4 toegewezen voorzieningen ten aanzien van de wijze van ter beschikkingstelling en de daarop gestelde dwangsom. [geïntimeerden] hebben bij memorie van antwoord uiteen gezet dat genoemde voorzieningen praktisch niet uitvoerbaar bleken, reden waarom zij in een tweede kort geding een gewijzigde vordering hebben ingesteld. Die vordering is bij vonnis van de voorzieningenrechter van 28 oktober 2015 toegewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen (r.o. 6.9 slot) dat hij er vanuit gaat [geïntimeerden] de onderdelen 5.2 en 5.3 van het dictum van het vonnis van 30 september 2015 niet verder zullen executeren.
Gelet daarop hebben [geïntimeerden] geen spoedeisend belang meer bij de in het dictum van het vonnis van 30 september 2015 onder 5.2 en 5.3. genoemde voorzieningen. Deze zullen daarom alsnog worden afgewezen. Bij de onder 5.4 toegewezen dwangsom hebben zij evenmin nog belang, laat staan spoedeisend belang.
In zoverre slaagt de grief.

5.6

Hetgeen in r.o 5.5 is overwogen brengt mee dat Raap Beheer geen belang meer heeft bij de bespreking van grief 1, die is gericht tegen de door de voorzieningenrechter in het dictum sub 5.2, 5.3 en 5.4 gegeven beslissingen.

Aannemelijkheid van de vordering
5.7 De grieven 2 tot en met 4 richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat Raap Beheer de overeenkomst van geldlening rechtsgeldig heeft ontbonden. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

5.8

Raap Beheer heeft aangevoerd dat de overeenkomst van geldlening de verplichting voor [geïntimeerden] in zich houdt om de voor het project benodigde grond aan te kopen. Raap Beheer stelt zich op het standpunt dat die verplichting op grond van artikel 6:38 BW direct opeisbaar is, omdat in de overeenkomst geen termijn voor de nakoming van die verplichting is gesteld. Bij brief van 1 juni 2015 is [geïntimeerden] een termijn van veertien dagen gesteld om de notariële overdracht van de grond te realiseren. Nu zij daaraan geen gevolg hebben gegeven is de overeenkomst per 15 juni 2015 terecht ontbonden, aldus Raap Beheer.

5.9

[geïntimeerden] hebben aangegeven dat niet in geschil is dat zij de grond zouden aankopen, maar dat in de overeenkomst geen termijn is opgenomen voor aankoop van de grond omdat dat zij de grond pas zouden verwerven wanneer de omgevingsvergunning zou zijn verleend, hetgeen op het moment van sluiten van de overeenkomst nog niet duidelijk was. [geïntimeerden] hebben bij dagvaarding in eerste aanleg gesteld dat zij reeds een mondelinge koopovereenkomst met de (toenmalige) eigenaar van de grond waren aangegaan onder de ontbindende voorwaarden van het verkrijgen van de benodigde vergunningen en financiering.

5.10

Het hof overweegt als volgt. De in geding zijnde overeenkomst van geldlening verplicht Raap Beheer tot het ter beschikking stellen van een som geld van (maximaal)
€ 500.000,-. Daartegenover staat de verplichting van [geïntimeerden] tot het in termijnen terugbetalen van de lening, met rente, en het verschaffen van zekerheid in de vorm van hypotheek op de op de door [geïntimeerden] aan te kopen grond aan de [adres] . Een directe verplichting tot aanschaffen van die grond is evenwel in de overeenkomst van geldlening niet opgenomen. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen impliceert de verplichting tot hypotheekstelling de aankoop van de grond en – zo voegt het hof toe - de verwerving daarvan, maar daaruit vloeit nog niet voort dat de verwerving van de grond als zodanig een verplichting is die [geïntimeerden] op zich genomen hebben ten behoeve van Raap Beheer, laat staan dat deze verplichting in de tijd vooraf zou dienen te gaan aan de verplichting van Raap Beheer tot het ter beschikking stellen van de uit te lenen geldsom aan [geïntimeerden] .

Dat Raap Beheer derhalve met een beroep op artikel 6:38 BW kan verlangen dat [geïntimeerden] eerst de grond moest verwerven voordat zij aan haar eigen verplichting tot het ter beschikking stellen van de geldlening diende te voldoen, acht het hof, op grond van de tekst van de overeenkomst van geldlenig, niet aannemelijk. Het hof voegt hieraan nog toe dat de in artikel 6:38BW genoemde mogelijkheid om terstond nakoming te vorderen alleen dan aan de orde is, indien geen tijd voor nakoming is bepaald. In dat kader wordt onder een "bepaling voor de tijd van nakoming" niet alleen een uitdrukkelijk beding verstaan, maar ook de wet, de gewoonte en de redelijkheid en billijkheid als aanvullende bronnen voor de vaststelling van de inhoud van een overeenkomst (vergelijk: ECLI:NL:HR:1999:AA3369).
Uit de aard van de overeenkomst en de redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat niet terstond nakoming kan worden gevorderd, ook al is niet (expliciet) een tijd voor de nakoming bepaald (zie ook de conclusie van de AG bij genoemd arrest).
Zoals ook de voorzieningenrechter heeft overwogen kan de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vergelijk: ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

Partijen hebben de overeenkomst van geldlening gesloten met het doel het plan met (mede) financiering door Raap Beheer te realiseren op daartoe door [geïntimeerden] te verwerven grond. Voor partijen was duidelijk dat het plan slechts gerealiseerd kon worden nadat de benodigde omgevingsvergunning zou zijn verleend. Zonder die vergunning kon het project geen doorgang vinden en was ook de verwerving van de grond door [geïntimeerden] zinloos. Naar het voorshands oordeel van het hof dient de overeenkomst dan ook zo te worden uitgelegd dat [geïntimeerden] zich de grond – die zij naar zij stellen al hadden aangekocht onder een aantal ontbindende voorwaarden – pas behoefden te laten leveren nadat de omgevingsvergunning was verleend.
Genoemde vergunning is op 14 juli 2015 verleend en op 9 september 2015 onherroepelijk geworden. De ingebrekestelling die Raap Beheer op 1 juni 2015 zond en waarbij een termijn van twee weken werd gesteld voor de eigendomsoverdracht van de grond, was dan ook prematuur en de gestelde termijn te kort. Weliswaar liet de vergunningverlening langer op zich wachten dan partijen hadden gehoopt, maar gesteld noch gebleken is dat dat aan [geïntimeerden] te wijten was. [geïntimeerden] zijn naar het voorlopig oordeel van het hof door de ingebrekestelling van 1 juni 2015 niet in verzuim komen te verkeren en de overeenkomst is niet rechtsgeldig ontbonden.

5.11

De grieven 2 tot en met 4 falen. Ook grief 9, die gegrond is op de stelling dat de overeenkomst is ontbonden, stuit af op hetgeen hiervoor is overwogen.

5.12

De grieven 5 tot en met 8 zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is dat de bodemrechter het beroep van Raap Beheer op dwaling zal honoreren en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

5.13

Raap Beheer heeft in hoger beroep aan zijn beroep op dwaling met betrekking tot de datum waarop de exploitatie kon starten geen andere stellingen ten grondslag gelegd dan die in eerste aanleg door de voorzieningenrechter zijn beoordeeld en gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft het oordeel van de voorzieningenrechter en sluit zich daarbij aan. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.
Raap Beheer erkent dat hij een kopie van de subsidiebeschikking heeft ontvangen. Daaruit bleek dat er nog geen omgevingsvergunning was aangevraagd. Voor zover Raap Beheer heeft gedwaald over het tijdstip waarop die vergunning alsnog zou worden verleend, betrof dat een uitsluitend toekomstige omstandigheid, waarop een beroep op dwaling niet kan worden gegrond (art.6:228 lid 2 BW). Voor zover Raap Beheer zich (in de appeldagvaarding sub 77) beroept op een contact in maart 2015 waarbij men zou hebben aangegeven ‘snel los’ te zullen zijn, overweegt het hof dat dat contact niet van belang is voor de beoordeling van het beroep op dwaling, omdat dat contact plaatsvond nadat de overeenkomst al was gesloten.

5.14

De grieven 5 tot en met 8 falen.

5.15

Het hof acht de vordering van [geïntimeerden] , gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voorshands voldoende aannemelijk.

Restitutierisico
5.16 Grief 11 houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het restitutierisico niet in de weg staat aan toewijzing van de vordering.

5.17

Het hof is van oordeel dat een mogelijk restitutierisico niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat, nu dit risico niet anders is dan op het moment waarop Raap Beheer – als professionele partij – tot het aangaan van de overeenkomst besloot. De omstandigheid dat Raap Beheer bij nader inzien wellicht spijt heeft gekregen van haar investering, betekent niet dat zij niet gehouden kan worden aan de nakoming van de voor haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting om het bedrag van € 500.000,- aan
[geïntimeerden] ter beschikking te stellen.


Slotsom

5.18

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor zover het het dictum sub 5.2 5.3 en 5.4 betreft. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd. Nu het hof einduitspraak doet, heeft Raap Beheer geen belang meer bij haar vordering in het incident. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen. Raap Beheer zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die van het incident daaronder begrepen. Deze worden, nu het incident en de hoofdzaak in één memorie zijn behandeld, aan de zijde van [geïntimeerden] wat het salaris voor de advocaat betreft tot aan deze uitspraak begroot op € 3.895,- (1 pt, tarief VII).


De beslissing
Het gerechtshof:

in het incident:
wijst de vordering af;

in de hoofdzaak:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 30 september 2015 voor zover het de veroordelingen in het dictum sub 5.2 5.3 en 5.4 betreft;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

in de hoofdzaak en het incident:
veroordeelt Raap Beheer in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot deze tot aan deze uitspraak voor zover gevallen aan de zijde van [geïntimeerden] op € 5.160,- aan verschotten en op € 3.895,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. J.H. Kuiper en M.E.L. Fikkers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 december 2015.