Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9814

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-12-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
200.151.250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kosten observatierapporten particulier bureau zijn schade in de zin van art. 6:96 lid 2 sub b en c BW en dienen door wanpresterende huurster aan de verhuurder te worden vergoed

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.151.250/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland 2368645)

arrest van de derde kamer van 22 december 2015

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [verzoekster],

advocaat: mr. R.J. Verweij,

tegen:

de stichting

Stichting Talis Woondiensten,

gevestigd te Nijmegen,

geïntimeerde,

hierna: Talis,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

15 november 2013 en 18 april 2014 die de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Nijmegen, heeft gewezen tussen Talis als eiseres en [verzoekster] als gedaagde.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 13 juni 2014,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord, tevens akte wijziging van eis.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de door de kantonrechter in het vonnis van 18 april 2014 onder 2.1 tot en met 2.21 vastgestelde feiten.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

Talis verhuurde aan [verzoekster] woonruimte gelegen aan het [adres te woonplaats]. In december 2010 heeft Talis in kort geding gevorderd dat [verzoekster] wordt veroordeeld het gehuurde te ontruimen, waarbij Talis zich op het standpunt stelde dat [verzoekster] niet langer hoofdverblijf in het gehuurde had, maar het zonder toestemming van Talis aan derden – haar zoon met zijn gezin – heeft verhuurd, althans in gebruik had gegeven. Talis heeft zich voor dat standpunt onder meer beroepen op twee in haar opdracht vervaardigde observatie-rapporten van Visser & van Kappel Security Solutions B.V. (hierna: Visser & Van Kappel). Partijen zijn het tijdens de procedure in kort geding eens geworden over de datum waarop [verzoekster] het gehuurde zou ontruimen. Bij vonnis in kort geding van 26 januari 2011 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem de gevorderde ontruiming toegewezen, onder compensatie van de (proces)kosten.

4.2

In de onderhavige procedure vordert Talis dat [verzoekster] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag aan hoofdsom van € 21.098,79, zijnde de door Visser & Van Kappel aan Talis in rekening gebrachte onderzoekskosten. De kantonrechter heeft die vordering toegewezen in het onder 3 genoemde eindvonnis van 18 april 2014. Tegen dat vonnis is [verzoekster] in hoger beroep gekomen, onder aanvoering van vijf genummerde grieven.

4.3

Grief 1 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.9 van het bestreden vonnis dat voor het tweede rapport van Visser & Van Kappel geldt dat het ruimschoots voldoende is als bewijs voor de stellingen van Talis.

4.4

Naar Talis met een beroep op het tweede rapport heeft gesteld, is [verzoekster] gedurende een aanzienlijke tijd (de observatieperiode van 47 etmalen) slechts voor korte bezoeken in het gehuurde gesignaleerd en heeft zij daar niet één keer de nacht doorgebracht. Anders dan [verzoekster] meent, rechtvaardigen die stellingen, indien juist, de conclusie dat [verzoekster] het gehuurde niet als hoofdverblijf gebruikte. Uit de door [verzoekster] zelf aangehaalde rechtspraak volgt dat de plaats waar iemand de nacht doorbrengt een factor van grote betekenis is bij de bepaling van diens hoofdverblijf. Dat [verzoekster] wel op het adres [adres te woonplaats] ingeschreven stond en dat zij daar haar post ontving, is dan te weinig voor de door haar bepleite conclusie.

De stelling, en de daaraan ten grondslag liggende observaties uit het meergenoemde rapport, dat [verzoekster] in de observatieperiode niet dan voor korte bezoeken overdag in het gehuurde heeft verbleven, is door [verzoekster] niet, althans niet voldoende, weersproken. Tegenover de gedetailleerde en onderbouwde waarnemingen van Visser & Van Kappel zoals Talis die heeft aangehaald, kon [verzoekster] niet volstaan met louter algemeen geformuleerde, blote ontkenningen zoals de stelling in de memorie van grieven dat zij de juistheid van de waarnemingen uit het “niet ondertekend[e]” tweede rapport “met nadruk” betwist. Het had op de weg van [verzoekster] gelegen om meergenoemde observaties gericht te bestrijden, bijvoor-beeld door aan te voeren dat zij in de periode wel degelijk in het gehuurde heeft overnacht, dan wel een verklaring te geven voor de omstandigheid dat zij dat niet heeft gedaan. Door dat na te laten heeft [verzoekster] de stellingen van Talis op dit punt onvoldoende betwist en kan van het leveren van tegenbewijs door [verzoekster] geen sprake zijn. Grief 1 faalt derhalve.

4.5

Grief 2 faalt omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de gevorderde kosten van de beide onderzoeken van Visser & Van Kappel niet zijn te beschouwen als kosten waarvoor de in artikel 237 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.6

De gevorderde kosten voldoen voorts aan de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2, sub b en c, BW. Talis heeft [verzoekster] in maart 2010 geconfronteerd met de vermeende tekortkomingen en het daarvoor beschikbare bewijs (twee anonieme schriftelijke verklaringen van buurtbewoners en het eerste rapport waarvoor Visser & Van Kappel enige dagen heeft gepost op het adres waar [verzoekster] werkelijk zou wonen). Waar [verzoekster] de tekortkoming betwistte en de betrouwbaarheid van het bewijs bestreed, valt goed te begrijpen dat Talis vervolgens opdracht heeft gegeven tot een uitvoerig(er) tweede onderzoek, ditmaal bestaande in observatie van het gehuurde. De reactie van [verzoekster] (uitdrukkelijke ontkenning van de tekortkoming) heeft tevens tot gevolg dat [verzoekster] niet aan Talis kan tegenwerpen dat zij opdracht tot het eerste rapport heeft gegeven zonder eerst zelfstandig onderzoek te hebben gedaan of met [verzoekster] te hebben overlegd. Redelijk te achten is voorts, dat bij dat tweede onderzoek is gekozen voor een observatie gedurende 47 dagen en nachten. Daarbij speelt mede een rol dat Talis er rekening mee diende te houden dat [verzoekster] zich op het standpunt zou kunnen stellen dat een paar losse observaties niets zeggen, hetgeen zij ten aanzien van het eerste rapport overigens ook heeft gedaan (zie haar conclusie van antwoord onder 10 en 11). Nu [verzoekster] niet klaagt dat de door Visser & Van Kappel gedeclareerde tarieven onredelijk hoog zijn, faalt ook grief 4.

4.7

Grief 3 treft evenmin doel. [verzoekster] stelt dat partijen in het kader van het eerdere kort geding hebben afgesproken om ook de thans gevorderde kosten – die in kort geding niet aan de orde waren – voor eigen rekening te laten. Talis betwist dat en betoogt dat de overweging in rov. 2.3 van het onder 4.1 vermelde vonnis slechts betrekking heeft op de proceskosten. Van de juistheid van die laatste lezing moet worden uitgegaan, gelet op de als productie 18 en 19 bij inleidende dagvaarding overgelegde e-mailberichten. Uit die berichten blijkt immers dat [verzoekster] expliciet heeft verklaard te kiezen voor de haar door Talis gepresenteerde optie die inhoudt dat partijen een regeling in der minne afspreken ter zake van de beëindiging van de huurovereenkomst en het ontruimingstijdstip en dat een aparte procedure zal worden gevoerd over de door Talis geclaimde (onderzoeks)kosten. Daartegenover heeft [verzoekster] geen concrete omstandigheden gesteld, waaruit zou moeten worden afgeleid dat partijen de door [verzoekster] gestelde afspraak hebben gemaakt.

4.8

Grief 5 ten slotte mist zelfstandige betekenis en behoeft na het voorgaande geen nadere bespreking.

4.9

Uit het voorgaande volgt voorts dat [verzoekster] ten aanzien van de punten waarvan zij (tegen)bewijs heeft aangeboden (het in rov. 4.4 bedoelde verweer, onderscheidenlijk de door haar gestelde, onder 4.7 besproken, afspraak), is tekortgeschoten in haar stelplicht. Haar bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.

4.10

In haar memorie van antwoord heeft Talis bij wijze van vermeerdering van eis gevorderd dat het door [verzoekster] bestreden vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Het hof zal deze vordering toewijzen.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verzoekster] de kosten van het hoger beroep moeten dragen. Deze kosten worden vastgesteld op € 1.920,- aan griffierecht en op € 1.158,- (1 punt x tarief III) voor salaris.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Nijmegen, van 18 april 2014, met dien verstande dat de beide in het dictum opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Talis vastgesteld op € 1.920,- aan griffierecht en op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.LR. Wefers Bettink, F.W.J. Meijer en F.J. de Vries, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.