Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9712

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
200.176.103
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vervangende toestemming voor verhuizing. Beslissing niet aanhouden vanwege afzonderlijke echtscheidingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.176.103

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem,283181)

beschikking van de familiekamer van 17 december 2015

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P. Vellekoop te Naaldwijk, gemeente Westland,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.M. Veldhuis te Doetinchem.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 juni 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 augustus 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 26 juni 2015. De moeder verzoekt het hof de voormelde beschikking te vernietigen en haar verzoeken alsnog toe te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen op 14 oktober 2015, heeft de vader het verzoek van de moeder in hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van dat verzoek, met veroordeling van de moeder in de kosten van dit geding.

2.3

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het journaalbericht met bijlagen van mr. Vellekoop van 6 november 2015 en het journaalbericht met bijlagen van mr. Veldhuis van

16 november 2015.

2.4

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof gehouden te Arnhem op 20 november 2015. Partijen en hun advocaten zijn daarbij verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) is [A] verschenen.

2.5

Het hof heeft - vanwege de in deze zaak op korte termijn gewenste duidelijkheid - partijen ter zitting medegedeeld dat zij op 27 november 2015 vanaf 14.00 uur telefonisch kunnen informeren bij de griffie van het hof naar de door het hof te geven beslissing en dat die beslissing en de motivering van die beslissing vervolgens zullen worden neergelegd in de onderhavige beschikking.

3 De vaststaande feiten en wat aan dit geding in hoger beroep vooraf ging

3.1

Partijen zijn op 17 februari 2006 met elkaar gehuwd.

3.2

Uit het huwelijk zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten op
[geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] [kind 1] (verder te noemen: [kind 1] ) en op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] [kind 2] (verder te noemen: [kind 2] ).

3.3

De vader heeft op 18 juni 2015 een echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank. Voorafgaand aan dat echtscheidingsverzoek heeft de rechtbank, naar aanleiding van een verzoek van de vader van 10 april 2015 bij beschikking voorlopige voorziening van 22 mei 2015, een zorgregeling vastgesteld inhoudende, kort weergegeven, dat de kinderen deels bij de vader verblijven en deels bij de moeder, in beide gevallen in de voormalige echtelijke woning.

3.4

De moeder heeft, voorafgaand aan het echtscheidingsverzoek van de vader, op 6 mei 2015 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank op de voet van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin zij verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder vast te stellen;
II. de moeder vervangende toestemming te verlenen om met ingang van het schooljaar
2015-2016 met de kinderen naar [plaats] te verhuizen;
III. de moeder vervangende toestemming te verlenen om de kinderen met ingang van
het schooljaar 2015-2016 in te schrijven op de [school] te [plaats] ;
IV. te bepalen dat de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en
opvoedingstaken bij de vader zullen zijn:
- indien de vader ook in [plaats] woont: een co-ouderschap waarbij de kinderen de
helft van de tijd bij de vader verblijven;
- indien de vader in [woonplaats] blijft wonen: het ene weekend van vrijdagmiddag uit
school tot zondagavond 19.00 uur en het andere weekend van vrijdagmiddag uit

school tot zaterdagochtend 11.00 uur, waarbij beide partijen zorgdragen voor het
halen en brengen van de kinderen;
- in beide gevallen: de helft van de schoolvakanties en feestdagen.

3.5

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 26 juni 2015 de verzoeken van de moeder afgewezen.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Het hoger beroep van de moeder betreft haar hiervoor onder 3.4 genoemde verzoeken, welke zij op de voet van artikel 1:253a BW ter beoordeling in rechte heeft voorgelegd en die door de rechtbank in eerste aanleg zijn afgewezen.

4.2

Op grond van het bepaalde in artikel 1:253a BW dient het hof in een geschil als het onderhavige, waarbij de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind belast zijn en er een verschil van mening bestaat over een verhuizing van de verzorgende ouder en het kind, een zodanige beslissing te nemen als het hof in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De belangen van de kinderen dienen daarbij de eerste overweging te vormen maar volgens vaste jurisprudentie sluit zulks niet uit dat in een voorkomend geval andere belangen zwaarder wegen.

4.3

Bij een dergelijke beslissing dient het hof - conform vaste rechtspraak - alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle betrokken belangen af te wegen, waaronder:
- de noodzaak om te verhuizen;

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen
van de verhuizing voor de kinderen en de andere ouder te verzachten en/of te
compenseren;

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;

- de rechten van de andere ouder en de kinderen op onverminderd contact met
elkaar in hun vertrouwde omgeving;

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;

- de frequentie van het contact tussen de kinderen en de andere ouder voor en na
de verhuizing;

- de leeftijd van de kinderen, hun mening en de mate waarin de minderjarigen
geworteld zijn in hun omgeving of juist extra gewend zijn aan verhuizingen;

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

4.4

In een geval als het onderhavige, waarin een afzonderlijke echtscheidingsprocedure aanhangig is gemaakt waarop nog niet is beslist, heeft voorts als uitgangspunt te gelden dat de ouders hun gelijkwaardigheid met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen na echtscheiding behouden en dat zij in overleg zullen moeten trachten te komen tot - onder andere - een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, daarbij uitgaande van die gelijkwaardigheid.

4.5

Blijkens de bestreden beschikking heeft de rechtbank zich van het voorgaande rekenschap gegeven en in dat kader overwogen dat de beslissing niet zal worden aangehouden in afwachting van de beslissingen in de echtscheidingsprocedure omdat partijen de rechtbank (evenals overigens in hoger beroep) uitdrukkelijk hebben verzocht spoedig te beslissen en de rechtbank het in het belang van de kinderen acht om snel helderheid te geven ten aanzien van de vraag of zij naar [plaats] zullen verhuizen. Na afweging van betrokken belangen is de rechtbank in de bestreden beschikking vervolgens tot de conclusie gekomen dat een verhuizing van de moeder met de kinderen naar [plaats] niet in het belang van de kinderen is te achten en tevens in strijd is met het belang van de vader om de kinderen in zijn nabijheid te zien opgroeien. De rechtbank heeft daarom de verzoeken van de moeder afgewezen.

4.6

De moeder kan zich niet vinden in de uitkomst van de belangenafweging die de rechtbank heeft gemaakt. Zij stelt allereerst dat partijen als gezin al het plan hadden om naar [plaats] te verhuizen en dat zij daartoe al concrete stappen hadden gezet. De makelaar is bij partijen langs geweest en de moeder had sollicitatiebrieven verstuurd. In het voorjaar van 2015 heeft de vader de moeder laten weten dat hij wil scheiden en niet langer met haar en de kinderen naar [plaats] wil verhuizen. De grieven van de moeder richten zich in het bijzonder tegen de overweging:
- dat de rechtbank in het kader van de belangenafweging ervan uit dient te gaan dat de
vader in [woonplaats] woont gelet op de schulden die op de echtelijke woning rusten
(grief 1);
- dat een verhuizing van de moeder naar [plaats] betekent dat de kinderen minder
vanzelfsprekend en frequent contact met de vader kunnen onderhouden en de
reisafstand tussen [plaats] en [woonplaats] te groot is om een zorgregeling af te spreken
waarbij de ouders een gelijkwaardig aandeel in de feitelijke zorg- en opvoeding
kunnen hebben (grief 2);
- dat haar jarenlange verlangen om naar [plaats] te verhuizen niet opweegt tegen het
belang van de vader en de kinderen en dat gesteld noch gebleken is dat het nu niet
meer mogelijk is voor de moeder om op en neer te reizen, dan wel op de dagen dat zij
in [plaats] werkt bij familie te verblijven en dat evenmin is gesteld of gebleken dat
zij in (de omgeving van) [woonplaats] geen baan als leerkracht zou kunnen vinden (grief 3
en grief 4);
- dat een verhuizing naar [plaats] een grote impact heeft op de kinderen omdat zij
moeten wennen op een nieuwe school en opnieuw vriendjes en vriendinnetjes moeten
maken (grief 5). De moeder heeft tevens aangegeven dat zij met de kinderen eerst
in het huis van een zus wil gaan wonen om vervolgens op zoek te gaan naar een eigen
woning, hetgeen veel onrust met zich brengt voor de kinderen omdat zij daardoor
tweemaal zullen moeten wennen aan een nieuwe woonomgeving (grief 6);
- dat een verhuizing naar [plaats] niet in het belang van de kinderen is en tevens in
strijd met het belang van de vader om de kinderen in zijn nabijheid te zien opgroeien
(grief 7).

4.7

De vader heeft betwist dat partijen samen het plan hadden om naar [plaats] te verhuizen. Het was volgens hem de moeder die wilde verhuizen. Die wens heeft de relatie onder druk gezet. Uiteindelijk heeft de vader begin 2015 aangegeven te willen scheiden. Anders dan de moeder stelt, was hij niet op de hoogte van de sollicitatie van de moeder. De vader wijst erop dat hij zelf een nieuwe baan heeft aangenomen in de directe omgeving van [woonplaats] en dat dat haaks staat op de stelling van de moeder dat ook hij naar [plaats] wilde verhuizen. De vader heeft voorts de grieven van de moeder, hiervóór onder 4.6 kort samengevat weergeven, betwist en daartoe onder meer opgemerkt dat hij economisch gebonden is aan de omgeving van [woonplaats] en dat hij waarschijnlijk de echtelijke woning zal kunnen overnemen. Voorts wijst de vader in navolging van de rechtbank onder meer op het belang van de kinderen om in hun sociale omgeving en nabijheid van de vader te blijven. De vader betwist dat de buurt onveilig is voor [kind 1] . De vader concludeert dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het belang van de moeder om naar [plaats] te verhuizen niet dient te prevaleren.
4.8 Het hof zal de grieven van de moeder gezamenlijk behandelen. Het hof schaart zich, na eigen onderzoek, achter de overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikking en overweegt in aanvulling daarop het volgende. Evenals de rechtbank is het hof er niet van overtuigd geraakt dat de voorgenomen verhuizing van de moeder met de kinderen naar [plaats] in het belang van de kinderen is. Het belang van de kinderen is naar het oordeel van het hof op dit moment vooral gelegen in het waarborgen van de rust en de continuïteit in hun leefsituatie en van de ingezette hulpverlening. Het behoort in dit verband tot de verantwoordelijkheid van partijen als ouders om de gevolgen van de echtscheiding voor de kinderen zoveel mogelijk te beperken. Naar het oordeel van het hof draagt de voorgenomen verhuizing van de moeder met de kinderen naar [plaats] daaraan niet bij. Niet alleen is er nog veel onduidelijk en onzeker over hoe de verblijfssituatie van de moeder en de kinderen in [plaats] eruit zal zien - zo stelt de moeder dat zij in geval van een toewijzende beschikking van het hof met de kinderen een woning van haar zus zal kunnen betrekken in [plaats] die momenteel nog wordt verhuurd - maar ook worden de kinderen in geval van de verhuizing uit hun vertrouwde omgeving gehaald en belast met zaken als de grote geografische afstand tussen hun ouders.

4.9

Voor de vader bestaan voorts praktische belemmeringen om de kinderen in geval van verhuizing te volgen teneinde het door hem nagestreefd co-ouderschap dan wel ruime zorgregeling vorm te kunnen geven. De vader kan om economische redenen - zijn werk en de voormalige echtelijke woning van partijen - en sociale binding met [woonplaats] , niet zonder belangrijke financiële en sociale gevolgen uit [woonplaats] vertrekken. Mogelijk zal de voormalige echtelijke woning van partijen in dat geval verkocht moeten worden met een restschuld en/of zal de vader een andere baan moeten zoeken of veel meer moeten reizen. Het hof vindt het niet zonder meer redelijk om dat van de vader te verlangen. Vast staat immers dat de wens om naar [plaats] te verhuizen vooral bij de moeder ligt en dat beide partijen in het verleden, ondanks die wens van de moeder, ervoor hebben gekozen zich in [woonplaats] te vestigen en daar een leven op te bouwen. Weliswaar is een en ander nadien door de ophanden zijnde echtscheiding in een ander daglicht komen te staan, maar juist in geval van zo'n ingrijpende gebeurtenis dienen de ouders zich in de eerste plaats te richten op het belang van de kinderen.

4.10

Onder omstandigheden kan een ander belang prevaleren maar de moeder heeft het hof daarvan in dit geval niet overtuigd. In het bijzonder heeft de moeder het hof niet weten te overtuigen van de noodzaak van de gewenste verhuizing naar [plaats] . Vast staat in dit verband dat zij al geruime tijd twee à drie dagen per week werkt in [plaats] en dat zij tot nu toe steeds in staat is geweest om van en naar haar werk te reizen, mede door gebruik te maken van verblijf bij familie in [plaats] . De moeder heeft gesteld dat zij heimwee heeft en dat partijen tijdens het huwelijk samen al stappen hadden gezet in de richting van een verhuizing naar [plaats] . Het hof overweegt dat de moeder ook in de huidige situatie haar familie in [plaats] kan bezoeken en dat de wens om in [plaats] te wonen eerder voor haar geen belemmering is geweest om zich in [woonplaats] te vestigen. Gesteld noch gebleken is voorts dat de heimwee zodanige vormen heeft aangenomen dat het de moeder belemmert in haar dagelijks functioneren. Aan de gestelde heimwee kan het hof daarom in het kader van de onderhavige belangenafweging geen doorslaggevende waarde toekennen in die zin dat de belangen van de kinderen daarvoor moeten wijken. De vader heeft gemotiveerd betwist, en daarom is niet komen vast te staan, dat partijen al tijdens het huwelijk stappen hebben gezet in de richting van een verhuizing naar [plaats] . Zowel de vader als de moeder heeft in dit verband de nodige onderbouwing verstrekt van - haaks op elkaar staande - stellingen onder meer door middel van verklaringen van derden. Wat ook zij van de waarde die aan dergelijke verklaringen van familieleden en/of bekenden kan worden toegekend in een echtscheidingsstrijd als de onderhavige, voor het hof zijn de gestelde gezamenlijke plannen en stappen van partijen voor de verhuizing niet van doorslaggevend belang. Dat heeft immers niet zozeer betrekking op de belangen van de kinderen maar speelt zich veeleer af op het toneel van de onderlinge strijd en belangen van de ouders.

4.11

Naar het oordeel van het hof heeft de raad in het kader van de belangen van de kinderen er ter zitting terecht op gewezen dat de kinderen veel zullen moeten reizen bij een verhuizing naar [plaats] en dat zulks een grote belasting voor hen zal betekenen, mede gelet op hun nog zeer jonge leeftijd. Beide partijen bepleiten immers een ruime zorgregeling in geval van een verhuizing van de moeder en de kinderen naar [plaats] . Dat het vele reizen een belasting zal vormen voor de kinderen geldt wellicht temeer omdat zich reeds nu de nodige spanningen en communicatieproblemen voordoen tussen partijen in het kader van de zorgregeling. Het hof is in dit verband gebleken dat Jeugdbescherming Gelderland inmiddels hulpverlening heeft ingezet in de vorm van een zogenoemd 'drangtraject', dit naar aanleiding van een escalatie tussen partijen eerder dit jaar. Naar het oordeel van het hof dient voorkomen te worden dat de ingezette hulpverlening door de verhuizing wordt bemoeilijkt en dient zo mogelijk ook een verdere verwijdering tussen partijen op ouderniveau te worden voorkomen. Een verhuizing van de moeder met de kinderen naar [plaats] zal ongetwijfeld de nodige praktische problemen met zich meebrengen, bijvoorbeeld in het kader van de uitvoering van de zorgregeling, die juist een goede communicatie tussen partijen noodzakelijk maakt om te voorkomen dat de kinderen daarvan de dupe worden. Duidelijk is dat op dit moment van een goede communicatie geen sprake is. Om alle hiervoor genoemde redenen is het niet in het belang van de kinderen om thans de verzoeken van de moeder toe te wijzen.

4.12

Aangezien ook overigens geen feiten en/of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere beslissing moeten leiden, moet worden geconcludeerd dat de grieven van de moeder tevergeefs zijn voorgesteld. Het hof zal daarom de bestreden beschikking bekrachtigen.
Proceskostenveroordeling

4.13

De vader heeft in zijn verweerschrift verzocht om de moeder in de proceskosten te veroordelen. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding en zal de proceskosten, als gebruikelijk in zaken als de onderhavige tussen (gewezen) echtelieden, aldus compenseren dat ieder de eigen kosten van het geding draagt.

5 De beslissing

Het gerechtshof:


bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 juni 2015;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat ieder de eigen kosten van het geding draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Smeeïng-van Hees, mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen en mr. J.P. Balkema en is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2015 in aanwezigheid van de griffier.