Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9643

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
08-01-2016
Zaaknummer
15/00217
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:327, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2509
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Vereiste aangifte. Omkering en verzwaring bewijslast. Redelijke schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-0072
V-N Vandaag 2016/49
V-N 2016/15.29.5
mr. J. Berns annotatie in NTFR 2016/1029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00217

uitspraakdatum: 15 december 2015

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] b.v. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 januari 2015, nummer AWB 14/3713, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 15.000. Daarbij is voorts € 257 aan heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 2.460.

1.2

Deze aanslag en beschikkingen inzake de heffingsrente en boete zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een nader stuk ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 26 november 2015 te Arnhem. Beide partijen zijn, met kennisgeving aan het Hof, niet ter zitting verschenen.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is in 1995 opgericht. Volgens de op een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel vermelde omschrijving houdt zij zich bezig met bedrijfsopleiding en -training.

2.2

Voor de jaren 2007 en 2008 heeft belanghebbende geen aangiften Vpb ingediend. De Inspecteur heeft haar voor die jaren ambtshalve aanslagen Vpb opgelegd, berekend naar belastbare bedragen van € 13.751 respectievelijk € 13.781.

2.3

Belanghebbende is door de Inspecteur uitgenodigd tot het doen van aangifte Vpb 2009 vóór 1 maart 2011. Omdat indiening van die aangifte uitbleef, heeft de Inspecteur belanghebbende een zogenoemde herinneringsbrief gezonden en vervolgens, bij brief van 6 mei 2011, aangemaand tot het doen van bedoelde aangifte uiterlijk op 20 mei 2011. De aangifte is niet door belanghebbende ingediend.

2.4

De Inspecteur heeft vervolgens ambtshalve de onderhavige aanslag Vpb 2009 vastgesteld. Daarbij is hij uitgegaan van een schatting van het belastbare bedrag van belanghebbende op € 15.000. Aan heffingsrente is in rekening gebracht een bedrag van € 257. Voorts is een verzuimboete van € 2.460 aan belanghebbende opgelegd wegens het niet doen van de aangifte.

2.5

Het bezwaar van belanghebbende tegen deze aanslag en de beschikkingen is door de Inspecteur ongegrond verklaard.

2.6

De Rechtbank heeft het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de onderhavige aanslag en de beschikkingen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken van de Inspecteur, de aanslag en de beschikkingen.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Aangifteplicht

4.1

Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen binnen – voor de zogenoemde aanslagbelastingen als de vennootschapsbelasting – een door de inspecteur gestelde termijn (artikel 8, eerste lid, in verbinding met artikel 9, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; hierna: AWR).

4.2

Belanghebbende heeft met betrekking tot het onderhavige jaar geen gevolg gegeven, ook niet na de aanmaning van de Inspecteur daartoe, aan de uitnodiging van de Inspecteur tot het doen van de aangifte Vpb 2009.

4.3

Anders dan belanghebbende stelt, brengen de omstandigheden dat zij niet beschikte over een administratie en dat geen accountant bereid bleek te zijn een jaarrekening op te stellen niet mee dat belanghebbende was ontheven van de aangifteplicht. Belanghebbende kon niet volstaan met de opmerking ‘dat zich geen belastbare feiten hebben voorgedaan’. In zoverre belanghebbende zich erop beroept dat de Inspecteur bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat zij was ontheven van de aangifteplicht omdat een boekenonderzoek zou worden ingesteld, faalt dat beroep. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, heeft belanghebbende immers niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur een dergelijke toezegging heeft gedaan. Evenmin zijn feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de conclusie rechtvaardigen dat bij belanghebbende redelijkerwijs de indruk kon zijn gewekt dat de Inspecteur de gestelde toezegging zou hebben gedaan. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, dwingt evenmin tot de conclusie dat zij te dezen was ontheven van haar aangifteplicht.

Omkering en verzwaring bewijslast

4.4

Een en ander leidt tot de conclusie dat belanghebbende haar aangifteplicht heeft geschonden. Dit betekent, gelijk de Inspecteur heeft gesteld en de Rechtbank heeft geoordeeld, dat belanghebbende voor het jaar 2009 niet ‘de vereiste aangifte’ heeft gedaan. Reeds deze omstandigheid leidt op grond van artikel 27e, lid 1, van de AWR tot omkering en verzwaring van de bewijslast (vgl. HR 9 oktober 2015, nr. 14/03968, ECLI:NL:HR:2015:2988 en HR 2 maart 2007, nr. 42311, ECLI:NL:HR:2007:AZ9676). Anders dan belanghebbende betoogt, wordt aan de toets voor inhoudelijke gebreken in de aangifte (kort gezegd: dat zowel absoluut als verhoudingsgewijs bezien een aanzienlijk bedrag aan belasting niet is verantwoord in de aangifte) hier niet toegekomen.

4.5

Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat bij het ambtshalve vaststellen van een aanslag door de inspecteur dient te worden uitgegaan van een redelijke schatting van het belastbaar bedrag van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184).

Redelijke schatting en bewijs

4.6

Belanghebbende betwist in hoger beroep kennelijk de redelijkheid van de door de Inspecteur bepaalde schatting van het belastbare bedrag op € 15.000. Hoewel de onderbouwing van de schatting door de Inspecteur ‘mager’ is – de schatting is immers gebaseerd op de voor de jaren 2007 en 2008 opgelegde aanslagen die evenwel eveneens ambtshalve zijn vastgesteld – kan deze schatting, gelet op de (relatief beperkte) hoogte ervan en gelet op het ontbreken van toereikende informatie, naar het oordeel van het Hof niet als onredelijk worden bestempeld. Het ligt, nu belanghebbende deze schatting betwist, op haar weg daarvoor het verzwaarde tegenbewijs te leveren (HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013: BX7184).

4.7

Met de enkele stelling dat zij een ‘lege’ vennootschap is zonder bankrekeningen, is belanghebbende niet erin geslaagd te voldoen aan de op haar rustende verzwaarde bewijslast dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Verzuimboete

4.8

Zoals uit het hiervoor overwogene volgt, heeft belanghebbende geen gevolg gegeven, ook niet na de aanmaning van de Inspecteur daartoe, aan de uitnodiging tot het doen van de aangifte Vpb 2009. Dit betekent dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 67a van de AWR. Op de voet van deze bepaling heeft de Inspecteur belanghebbende een verzuimboete van € 2.460 opgelegd. Daarbij heeft de Inspecteur zich gehouden aan het in paragraaf 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst vervatte beleid van de staatssecretaris van Financiën (50% van het wettelijk maximum). Gelet op het aangiftegedrag van belanghebbende in het verleden – de Inspecteur heeft gesteld en het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende ook voor de jaren 2007 en 2008 als ook voor de jaren 2010 en 2011 geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodigingen tot het doen van aangiften Vpb – acht het Hof te dezen een verzuimboete van € 2.460 passend en geboden voor het verzuim dat door belanghebbende is begaan.

Heffingsrente

4.9

Het hoger beroep wordt mede geacht te zijn gericht tegen de beschikking inzake de heffingsrente. Belanghebbende heeft tegen die beschikking geen zelfstandige grieven aangevoerd. Nu de aanslag in stand wordt gelaten, ziet het Hof geen grond voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2015.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 december 2015

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.