Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9609

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2015
Datum publicatie
18-02-2016
Zaaknummer
200.169.439
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind. Verzoek machtiging tot schenking. Schenkingstraditie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.169.439

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 3663609)

beschikking van de familiekamer van 15 december 2015

inzake

[verzoeker]

en

[verzoekster] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep, verder te noemen: de bewindvoerders,

advocaat: mr. J.J.L. Joseph te Grave.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de rechthebbende,

en

[belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder te noemen: de zus.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton, zittingsplaats Zutphen) van 6 februari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 6 mei 2015;

- een journaalbericht van mr. Joseph van 3 november 2015 met producties, ingekomen op

6 november 2015.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 19 november 2015 plaatsgevonden. De bewindvoerders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Ook is de zus verschenen. De rechthebbende is vanwege haar medische toestand niet in staat te verschijnen of gehoord te worden.

3 De vaststaande feiten

3.1

Rechthebbende is geboren op [geboortedatum] 1938. Bij beschikking van de kantonrechter van 10 juni 2014 zijn alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de rechthebbende onder bewind gesteld. Sinds 1 december 2014 verblijft de rechthebbende in een verpleeghuis in [woonplaats] . De bewindvoerders en de zus zijn de drie kinderen van de rechthebbende.

3.2

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 9 december 2014, hebben de bewindvoerders (en de zus), voor zover thans van belang, verzocht hen te machtigen uit het vermogen van de rechthebbende een schuld van € 15.000,- aan de kinderen (€ 5.000,- per kind) af te lossen en een extra schenking te doen van € 20.000,- per kind.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken afgewezen.

4 De omvang van het geschil

De bewindvoerders zijn met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

6 februari 2015. Zij verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij zijn afgewezen de verzoeken om hen machtiging te verlenen tot aflossing van de geldlening van € 15.000,- respectievelijk tot het doen van een schenking van € 20.000,- per kind, en deze verzoeken alsnog toe te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

In grief 1 voeren de bewindvoerders aan dat de kantonrechter ten onrechte het aflossingsverzoek heeft afgewezen. Ter onderbouwing van hun stelling hebben zij de belastingaangiften van rechthebbende overgelegd over de periode van 2011 tot 2014, waarin de schuld van de rechthebbende aan de kinderen (de lening) van € 15.000,- jaarlijks is opgenomen. Aangezien de lening vast staat en het vermogen van de rechthebbende bij aflossing van de lening niet onder € 30.000,- komt, verzoeken zij om machtiging te verlenen tot aflossing van de lening.

5.2

Het hof is van oordeel dat het bestaan van een lening tussen de kinderen en de rechthebbende onvoldoende is komen vast te staan. Hoewel het bedrag van € 15.000,- in de belastingaangiften van de rechthebbende van 2011 tot 2014 als lening is opgenomen, acht het hof dit onvoldoende om een lening aan te nemen. Desgevraagd hebben de bewindvoerders immers verklaard dat het geld niet effectief aan de rechthebbende is verstrekt. Voorts is niet komen vast te staan dat een aflossingsverplichting of een (marktconform) rentepercentage is afgesproken tussen de contractspartijen. Gelet op die feiten en omstandigheden acht het hof het bestaan van de lening onvoldoende aangetoond en slaagt de grief van de bewindvoerders niet.

5.3

In grief 2 voeren de bewindvoerders aan dat een schenking gerechtvaardigd wordt geacht zolang de financiële toekomst van rechthebbende niet in gevaar komt, zeker wanneer er een schenkingstraditie is. In dit geval was sprake van een tijdelijke verhoging van de schenkingsvrijstelling zodat de kinderen van de rechthebbende om een extra schenking hebben verzocht. Daarbij zou het liquide vermogen van de rechthebbende niet onder de € 30.000 komen (sub D, punt 6, Aanbevelingen meerderjarigenbewind, LOVCK (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton)). De bewindvoerders verzoeken alsnog de extra schenking toe te staan.

5.4

Op grond van artikel 1:441 lid 2 onder a van het Burgerlijk Wetboek behoeft de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter voor het beschikken over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt.

5.5

Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige pleegt in de regel acht te worden geslagen op de “Aanbevelingen meerderjarigenbewind” (hierna: de aanbevelingen), zoals deze door het LOVCK met het oog op de gewenste uniformering in de rechtstoepassing binnen de bewindspraktijk zijn vastgesteld.

5.6

Op grond van de aanbevelingen geldt als hoofdregel dat het doen van schenkingen namens een rechthebbende die zijn wil niet kan bepalen slechts wordt toegestaan indien er een schenkingstraditie wordt aangetoond. Ook als sprake is van een schenkingstraditie, wordt een schenking echter in beginsel niet toegestaan wanneer het liquide vermogen van een rechthebbende door de schenking minder wordt dan € 30.000,-.

5.7

Het hof is van oordeel dat machtiging verleend dient te worden voor de verzochte schenking van € 20.000,- per kind. Uit de stukken en hetgeen is besproken ter mondelinge behandeling blijkt dat de rechthebbende en wijlen haar man altijd zijn bijgestaan door een accountantsbureau. Dit accountantsbureau adviseerde vroeger de rechthebbende (en thans de bewindvoerders) inzake het vermogensbeheer, waaronder het doen van schenkingen aan de kinderen. Sinds 2001 hebben dan ook herhaaldelijk schenkingen aan de kinderen plaatsgevonden. Reeds eerder, in 2002, is geadviseerd een schenking te verrichten van € 20.000,- per kind, aan welk advies destijds met kennelijke instemming van de rechthebbende gevolg is gegeven. Ook het huidige schenkingsverzoek van € 20.000,- per kind vindt zijn grondslag in het advies van de accountant. Het hof stelt vast dat sprake is van een schenkingstraditie zoals bedoeld in de aanbevelingen, welke traditie al is aangevangen jaren voor de instelling van het bewind in 2014. In die traditie past een incidentele, royalere uitkering, mede in aanmerking genomen dat de woning van de rechthebbende recentelijk is verkocht waardoor het voor de rechthebbende beschikbare, liquide vermogen op 2 november 2015 is toegenomen tot ruim € 480.000,-. Gelet op de omvang van het liquide vermogen van de rechthebbende is de verzochte extra schenking financieel verantwoord. Het hof is van oordeel dat de toekomstige verzorging van de rechthebbende, ook bij maandelijks interen op haar vermogen, geen gevaar loopt, dit gezien de verwachte inkomsten enerzijds en het behoeftepatroon van de rechthebbende, waaronder kosten van levensonderhoud, recreatie, bijdragen in gezondheidszorg en hulpmiddelen anderzijds. Grief 2 slaagt.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij is afgewezen het verzoek van de bewindvoerders de bewuste schenking van € 20.000,- per kind toe te staan en die beschikking overigens bekrachtigen.. Het hof zal beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, sector kanton, zittingsplaats Zutphen, van 6 februari 2015 voor zover daarin het verzoek tot het verlenen van machtiging tot het doen van een extra schenking van € 20.000,- per kind is afgewezen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verleent de bewindvoerders machtiging tot het doen van een schenking ten laste van het vermogen van de rechthebbende aan ieder van haar kinderen voor een bedrag van € 20.000,- per kind (toe te rekenen aan het jaar 2014);

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, sector kanton, zittingsplaats Zutphen, van 6 februari 2015 voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, K.J. Haarhuis en M.J. Stolwerk, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 15 december 2015 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.