Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9500

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
200.177.246
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek in hoger beroep tegen de uitspraak tot afwijzing van het verzoek om één weigerachtige schuldeiser te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.177.246

(rekestnummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen: Rek 15/1725/lt)

arrest van 14 december 2015

inzake

[appellant],
wonende te [woonplaats],

appellant,
hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.A. Hupkes.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

[appellant] heeft bij de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarbij heeft [appellant] de rechtbank tevens verzocht de weigerachtige schuldeiser International Card Services (hierna: ICS) te bevelen in te stemmen met een vóór indiening van het verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (hierna te noemen: Fw).

1.2

Bij vonnis van 16 september 2015 heeft de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, het verzoek van [appellant] ex artikel 287a Fw afgewezen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat de rechtbank de beslissing op zijn verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanering heeft aangehouden in afwachting van een beslissing van het hof in dit hoger beroep.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 23 september 2015 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen alsnog toe te wijzen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, de brief met bijlagen van 6 oktober 2015 van mr. Hupkes, de faxberichten van 17 november 2015 en
26 november 2015 van mr. M.T. Souman van Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders namens ICS en het faxbericht (houdende de aanvullende gronden van het hoger beroep) met bijlagen van 3 december 2015 van mr. Hupkes.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 december 2015, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Hupkes. Voorts is verschenen
[A], consulent schuldhulpverlening van de gemeente Rheden. Namens ICS is niemand verschenen.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

[appellant], geboren op [geboortedatum] 1961, heeft een relatie gehad. Uit deze relatie zijn vier - thans nog minderjarige - kinderen geboren. [appellant] is werkzaam als journalist.

3.2

De schuldenlast van [appellant] bedraagt volgens de bij het Verzoekschrift Wsnp ex art. 284 Fw van 24 juli 2015 gevoegde crediteurenlijst in totaal bijna € 271.000,-, verdeeld over zes schuldeisers. Tot deze schuldenlast behoort (volgens de crediteurenlijst) een schuld aan ICS van € 12.958,89.
3.3 De rechtbank heeft het door [appellant] ingediende verzoek tot toepassing van artikel 287a Fw afgewezen, reeds omdat het aanbod van [appellant] niet het uiterste is waartoe hij financieel in staat kan worden geacht, zodat niet geoordeeld kan worden dat ICS in redelijkheid niet tot weigering van instemming kon komen.

3.4

Het hof stelt ten aanzien van het verzoek van [appellant] om de weigerende schuldeiser ICS te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling vast dat bij het hiervoor onder 2.2 genoemde faxbericht van 26 november 2015 namens ICS is bericht dat ICS niet langer aanspraak maakt op betaling van haar vordering en dat zij om die reden in hoger beroep geen verweer zal voeren.

3.5

Het hof dient allereerst te beoordelen of [appellant] kan worden ontvangen in zijn hoger beroep tegen de uitspraak tot afwijzing van het verzoek om ICS te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw. Het betreft hier een schuldenaar wiens verzoek om een bevel tot instemming met een schuldenregeling wordt afgewezen onder aanhouding van de beslissing op het door de schuldenaar gehandhaafde verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3.6

Het hof gaat voor een antwoord op de vraag of in dat geval hoger beroep mogelijk is van de afwijzing van het verzoek als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw te rade bij artikel 292 Fw en de uitspraak HR 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0966) waarin de Hoge Raad bij de toepassing van het stelsel van rechtsmiddelen van artikel 292 Fw de volgende vier gevallen heeft onderscheiden:
3.6.2 Het eerste geval betreft de schuldenaar wiens verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling door de rechtbank wordt afgewezen, waarna het door de schuldenaar op de voet van art. 287a lid 7 Fw gehandhaafde verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank wordt toegewezen.

Art. 292 lid 2 Fw bepaalt dat tegen de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling noch door schuldeisers noch door andere belanghebbenden verzet, hoger beroep of cassatie kan worden ingesteld. Blijkens de wetsgeschiedenis moet art. 292 lid 2 Fw aldus worden begrepen dat deze bepaling eveneens eraan in de weg staat dat de schuldenaar in het zich hier voordoende geval een rechtsmiddel aanwendt tegen afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling. Is een schuldenaar eenmaal toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, dan dient deze in de visie van de wetgever voortvarend van start te gaan, zonder verder oponthoud door een beroep dat (door een schuldeiser) zou kunnen worden ingesteld tegen toewijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dan wel door een beroep dat (door de schuldenaar) zou kunnen worden ingesteld tegen afwijzing van het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling (Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 23, en nr. 4, p. 3). Wat dit laatste betreft, beoogde de wetgever te voorkomen dat een afzonderlijk beroep tegen afwijzing van het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling het mogelijk zou maken 'tot en met de Hoge Raad door te procederen over een gedwongen schuldregeling, om na afwijzing daarvan pas te gaan kijken of de schuldenaar tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten.

Het ligt voor de hand dat de schuldenlast in de tussentijd zal toenemen en schuldeisers de schuldenaar voor een faillissement voorgedragen zullen hebben, dan wel beslag gelegd zullen hebben, hem uit huis geplaatst zullen hebben en dergelijke' (Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7, p. 87).

3.6.3

Het tweede geval betreft de schuldenaar die zowel zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling, als zijn op de voet van art. 287a lid 7 Fw gehandhaafde verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, door de rechtbank afgewezen ziet.

Art. 292 lid 3, eerste volzin, Fw bepaalt dat de schuldenaar in hoger beroep kan komen tegen de uitspraak tot afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Wanneer het inleidend verzoekschrift tevens een verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling inhield, wordt dit verzoek eveneens aan het hof voorgelegd, aldus art. 292 lid 3, tweede volzin, Fw.

Indien het hof zowel het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling als het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afwijst, kan de schuldenaar daarvan in cassatie komen, aldus art. 292 lid 5 Fw. Wijst het hof het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling af, maar gaat het over tot toewijzing van het door de schuldenaar op de voet van art. 287a lid 7 Fw gehandhaafde verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan staat tegen een en ander - op grond van art. 292 lid 2 Fw en hetgeen in 3.6.2 is overwogen - geen rechtsmiddel open.

3.6.4

Het derde geval betreft de schuldenaar wiens verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling door de rechtbank wordt afgewezen, terwijl de schuldenaar zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet op de voet van art. 287a lid 7 Fw handhaaft. Hierbij valt onder meer te denken aan de schuldenaar die, mede naar aanleiding van de behandeling door de rechtbank van zijn inleidende verzoekschrift, tot het inzicht komt dat hij niet in aanmerking komt voor toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Art. 292 Fw voorziet niet in de mogelijkheid dat de schuldenaar in het zich hier voordoende geval een rechtsmiddel aanwendt tegen - uitsluitend - afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling. Blijkens de wetsgeschiedenis is de (on)wenselijkheid van een dergelijk rechtsmiddel voor het onderhavige geval niet uitdrukkelijk onder ogen gezien, waarbij kennelijk een rol heeft gespeeld dat de mogelijkheid dat de schuldenaar zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet handhaaft, eerst bij amendement in art. 287a lid 7 Fw is opgenomen (Kamerstukken II 2006-2007, 29 942, nr. 10). Wel is tijdens de beraadslaging in de Eerste Kamer aan de orde geweest of dit amendement ertoe heeft geleid dat het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling in feite op zichzelf is komen te staan; dat was volgens de Minister niet het geval, waarbij hij evenwel uitsluitend aandacht heeft besteed aan de behandeling van het verzoek in eerste aanleg, meer in het bijzonder aan de vraag op welke wijze een efficiënte behandeling kan plaatsvinden in verband met de mogelijkheid voor de schuldenaar om zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet te handhaven (Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, C, p. 6-7). Aldus valt uit de wetsgeschiedenis niet af te leiden dat de wetgever voor het zich hier voordoende geval - anders dan voor het in 3.6.2 genoemde geval - bewust niet heeft willen voorzien in de mogelijkheid dat de schuldenaar afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling door de aanwending van een rechtsmiddel aan het oordeel van de hogere rechter onderwerpt. Een dergelijke bedoeling kan evenmin steunen op de gronden die blijkens de wetsgeschiedenis zijn aangevoerd voor de uitsluiting van rechtsmiddelen in het in 3.6.2 genoemde geval: het in dat verband aangevoerde bezwaar dat een beroep door de schuldenaar tegen afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling in de weg staat aan een voortvarend verloop van de (door de rechter toegewezen) schuldsaneringsregeling, kan in het onderhavige geval geen gewicht in de schaal leggen, nu de intrekking door de schuldenaar van zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling immers tot gevolg heeft dat deze regeling in de verdere loop van de procedure niet meer kan worden toegepast.

Een redelijke en met de behoeften van de praktijk strokende uitleg van art. 292 Fw brengt mee dat de schuldenaar die zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling door de rechtbank afgewezen ziet, terwijl hij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet handhaaft, in hoger beroep kan opkomen tegen afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling. Daarbij is de schuldenaar niet gehouden zijn (tijdens de procedure in eerste aanleg ingetrokken) verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in het door hem ingeleide hoger beroep te betrekken. Indien het hof op het hoger beroep van de schuldenaar diens verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling afwijst, kan de schuldenaar daartegen cassatieberoep instellen.

Deze mogelijkheid dat de schuldenaar een zelfstandig hoger beroep respectievelijk cassatieberoep instelt tegen (uitsluitend) afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling ingeval hij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet handhaaft, stemt ook overeen met de inhoud en de strekking van art. 287a Fw, op grond waarvan de rechter immers, zoals hiervoor in 3.5.1-3.5.3 is uiteengezet, de toewijsbaarheid van het (primaire) verzoek op de voet van art. 287a lid 1 Fw op haar eigen merites dient te beoordelen, los van de toewijsbaarheid van het (subsidiaire) verzoek op de voet van art. 284 lid 1 Fw. Voorts komt deze mogelijkheid niet in strijd met het voorschrift van art. 287a lid 1 Fw om beide verzoeken in eerste aanleg te combineren in één verzoekschrift: dat voorschrift strekt er blijkens de wetsgeschiedenis toe, zoals hiervoor in 3.5.2 is overwogen, een efficiënte procesgang te bevorderen en te bewerkstelligen dat de rechter over een compleet dossier beschikt. De schuldenaar die hoger beroep respectievelijk cassatieberoep instelt tegen (uitsluitend) afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling, is immers gehouden het volledige procesdossier van de eerste aanleg, derhalve met inbegrip van de stukken die in eerste aanleg zijn overgelegd in verband met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, aan het hof respectievelijk de Hoge Raad over te leggen.

Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing indien - in het in 3.6.3 genoemde geval - de schuldenaar voor het eerst in hoger beroep zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op de voet van art. 287a lid 7 Fw niet handhaaft. Ook in dat geval kan de schuldenaar cassatieberoep instellen tegen (uitsluitend) afwijzing door het hof van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling.

Op het hoger beroep en het beroep in cassatie waarin de schuldenaar in de hiervoor genoemde gevallen opkomt tegen (uitsluitend) afwijzing van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling, is het bepaalde in art. 292 leden 3, 4, 5 en 7 Fw van overeenkomstige toepassing.

3.6.5

Het vierde geval betreft de schuldenaar wiens verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling door de rechtbank wordt toegewezen. Op grond van art. 292 lid 1 Fw kunnen de schuldeisers die het verzoek betrof, tegen deze toewijzing in hoger beroep komen.

Indien het hof het door de schuldeisers op de voet van art. 292 lid 1 Fw ingestelde hoger beroep verwerpt - waardoor toewijzing door de rechtbank van het verzoek van de schuldenaar om een bevel tot instemming met een schuldregeling in stand blijft - kunnen de schuldeisers daartegen in cassatie komen, aldus art. 292 lid 6 Fw. Aangenomen moet worden dat laatstgenoemde bepaling meebrengt dat de schuldeisers ook cassatieberoep kunnen instellen indien het hof in de in 3.6.3 en 3.6.4 genoemde gevallen op het hoger beroep van de schuldenaar diens verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling alsnog toewijst.

Wijst het hof op het hoger beroep van de schuldeisers het verzoek van de schuldenaar om een bevel tot instemming met een schuldregeling alsnog af, dan dient het te onderzoeken of de schuldenaar op de voet van art. 287a lid 7 Fw zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in hoger beroep handhaaft. Tegen toewijzing door het hof van het in hoger beroep gehandhaafde verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling staat op grond van art. 292 lid 2 Fw geen rechtsmiddel open, terwijl dan, overeenkomstig hetgeen in 3.6.2 is overwogen, evenmin een rechtsmiddel openstaat tegen afwijzing door het hof van het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling.”

Bij afwijzing door het hof van zowel het verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling als het in hoger beroep gehandhaafde verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, kan de schuldenaar, op de voet van het in 3.6.3 besproken art. 292 lid 5 Fw, cassatieberoep instellen tegen afwijzing van beide verzoeken. Tot slot kan de schuldenaar die in hoger beroep zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet handhaaft, in cassatie opkomen tegen afwijzing door het hof van zijn verzoek om een bevel tot instemming met een schuldregeling, overeenkomstig hetgeen in 3.6.4 is overwogen.”

3.7

In de drie eerste gevallen die de Hoge Raad onderscheidt, is telkens sprake van de afwijzing van het verzoek als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw, maar respectievelijk gecombineerd met de toewijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsrege-ling (geval 1), afwijzing van dat verzoek (geval 2) en intrekking van dat verzoek (geval 3).
In het eerste geval is hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw niet mogelijk; in de gevallen 2 en 3 wel. Nu de beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling in dit geval is aangehouden, is het (nog) niet mogelijk het onderhavige geval te kwalificeren als een van de drie beschreven gevallen. Naar het oordeel van het hof vloeit uit de wetsgeschiedenis van artikel 287a Fw en de uitleg die de Hoge Raad geeft aan artikel 292 Fw voort dat al dan niet zelfstandig hoger beroep van het verzoek als bedoeld in artikel 287a Rv pas mogelijk is bij afwijzing of intrekking van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en dat een dergelijk hoger beroep niet mogelijk is, indien en zolang nog niet is beslist op het (gehandhaafde) verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Indien in het onderhavige geval wel hoger beroep mogelijk zou zijn, opent dat de mogelijkheid tot en met de Hoge Raad door te procederen over een gedwongen schuldregeling, om na afwijzing daarvan pas te gaan kijken of de schuldenaar tot de schuldsaneringsregeling kan worden toegelaten, hetgeen de wetgever gelet op de parlementaire geschiedenis nu juist wil voorkomen. Het hof acht het bovendien onwenselijk de beslissing op het verzoek als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw los te koppelen van de beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verdient aanbeveling gelijktijdig (al dan niet bij één en hetzelfde vonnis) op deze verzoeken te beslissen. Dat betekent dat in dit geval geen hoger beroep mogelijk is tegen de afwijzing van het verzoek als bedoeld in artikel 287a lid 1 Fw en dat [appellant] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep.

3.8

Voor het geval [appellant] wel ontvankelijk zou zijn geweest in voornoemd verzoek, overweegt het hof hier ten overvloede dat het dit verzoek niet zou hebben toegewezen wegens het ontbreken van belang, nu is komen vast te staan dat de enige weigerachtige schuldeiser ICS geen aanspraak op verdere betaling meer maakt, zodat haar medewerking aan de aangeboden schuldregeling niet meer is vereist.

3.9

Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna te melden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:


verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, H.L. Wattel en A.S. Gratama, en is op
14 december 2015 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.