Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9472

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-12-2015
Datum publicatie
22-05-2017
Zaaknummer
21-001044-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001044-13

Uitspraak d.d.: 10 december 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 oktober 2012 met parketnummer 07-660172-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 december 2014 en 26 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. D.L.A.M. Pluijmakers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis van de rechtbank en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de strafoplegging.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op dat onderdeel worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof acht in beginsel de in eerste aanleg opgelegde straf een passende bestraffing. Het hof kan zich ook verenigen met de motivering daarvan.

Echter, vast is komen te staan dat er sprake is van – kort gezegd – ‘undue delay’ in de zin van artikel 6 EVRM. Na het instellen van het hoger beroep op 16 oktober 2012 tot aan de uitspraak van het hof zijn meer dan 3 jaren verstreken.

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in de strafzaak tegen verdachte is aangevangen op 16 juni 2011, de datum waarop verdachte in verzekering is gesteld. Tot aan de uitspraak van het hof is in totaal bijna 4,5 jaar verstreken, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn over de gehele procedure van iets minder dan 6 maanden.

Gelet op de geconstateerde schending zal het hof in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 51 maanden die het hof in beginsel - met de rechtbank en de advocaat-generaal - passend en geboden acht op te leggen, een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden opleggen.

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter voor het overige op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het voorgaande te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van aan verdachte opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. H.J. Deuring, voorzitter,

mr. A.J. Rietveld en mr. T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. W. Landstra, griffier,

en op 10 december 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.