Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9291

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
10-12-2015
Zaaknummer
200.149.365/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nakoming van een franchiseovereenkomst. Van een toerekenbare tekortkoming is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2490
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.149.365/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/339119 / HL ZA 13-60)

arrest van de eerste kamer van 8 december 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. O.H.A. Mo-Ajok, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

1 [geintimeerde 1 (bedrijf)] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: [geintimeerde 1 (bedrijf)],

2. [geïntimeerde 2] .,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. H. Kayed, kantoorhoudend te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 29 mei 2013 en 18 december 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 maart 2014,

- de memorie van grieven,

- de akte van [appellant] houdende aanvullende producties d.d. 26 augustus 2014,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben [geïntimeerden] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof op één dossier arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"(…) te vernietigen het vonnis door de Rechtbank Midden-Nederland (locatie Lelystad) (…) en op de nog nader door appellant bij memorie van grieven te vermelden gronden/grieven, en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van appellant op gerequireerden alsnog zal toewijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties, salaris van de advocaat daaronder begrepen."

3 De feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

[appellant] is rij-instructeur en autorijschoolhouder in [woonplaats] . [geintimeerde 1 (bedrijf)] exploiteert onder haar handelsnaam ' [handelsnaam] ' een franchiseformule voor autorijscholen. [geïntimeerde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [geintimeerde 1 (bedrijf)] .

3.3

[appellant] is sinds 2006 franchisenemer van [geintimeerde 1 (bedrijf)] op grond van een mondelinge franchiseovereenkomst. In het kader van die overeenkomst heeft [appellant] franchiseafdrachten betaald aan [geintimeerde 1 (bedrijf)] .

3.4

[appellant] heeft in 2010 met [geintimeerde 1 (bedrijf)] een aanvullende overeenkomst gesloten, die onder meer inhield dat [appellant] een rijschoolvestiging onder de naam ' [handelsnaam] ' zou gaan exploiteren aan [adres] . In het kader van deze overeenkomst heeft [appellant] een 'entreefee' betaald van € 39.865,- aan [geintimeerde 1 (bedrijf)] . Deze overeenkomst is schriftelijk bevestigd door [geintimeerde 1 (bedrijf)] op 1 november 2010.

3.5

In februari 2011 heeft [appellant] de rijschoolvestiging in [plaats] geopend. Deze vestiging is op 1 november 2011 weer gesloten.

3.6

[appellant] heeft € 6.000,- geleend van [geïntimeerden] Hiertoe hebben partijen een overeenkomst, gedateerd 24 maart 2011, ondertekend. [geïntimeerden] hebben de eerste twee maandtermijnen van elk € 500,- verrekend met twee facturen van [appellant] . Het resterende deel ad € 5.000,- diende met ingang van 1 mei 2011 te worden afgelost in maandelijkse termijnen. Verder is overeengekomen dat de lening direct opeisbaar is indien [appellant] achter is met betaling van de maandtermijnen. [appellant] heeft de maandtermijnen niet voldaan.

4 De vordering in eerste aanleg en de beslissing daarop

4.1

[appellant] heeft, na wijziging van eis, in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
I. zal verklaren voor recht dat [geïntimeerden] toerekenbaar en verwijtbaar tekort geschoten is in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst(en) en/of dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld;
II. [geïntimeerden] zal veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
III. [geïntimeerden] zal veroordelen in de door [appellant] gemaakte buitengerechtelijke kosten;
IV. [geïntimeerden] zal veroordelen in de overige kosten van dit geding.

4.2

[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd en in reconventie (kort gezegd) gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.000,-, zijnde de restantsom verschuldigd uit hoofde van de geldleningovereenkomst tussen partijen, te vermeerderen met rente en kosten.

4.3

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep in conventie de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. In reconventie heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerden] binnen twee dagen na betekening van het vonnis te betalen een bedrag van € 5.000,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 mei 2013, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven opgeworpen. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen en zullen om die reden gezamenlijk worden besproken.
Feitenvaststelling

5.2

[appellant] heeft gesteld dat de feitenvaststelling in het vonnis van 18 december 2013 onvolledig en/of incorrect is, maar heeft niet toegelicht welke van de in rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.5 van het bestreden vonnis weergegeven (vaststaande) feiten onjuist is. Kennelijk wil [appellant] met zijn grief bereiken dat een andere selectie van de vaststaande feiten ook een andere impressie geeft van wat er tussen partijen is voorgevallen. Nu het hof in rechtsoverweging 3 de feiten zelfstandig heeft vastgesteld, heeft [appellant] bij een verdere bespreking van dit betoog geen belang. Het hof merkt daarbij op dat de rechter bij de vaststelling van de feiten een grote vrijheid toekomt en daarin die feiten kan vaststellen welke de rechter voor de beoordeling van het geschil relevant vindt. Voor zover in de door [appellant] aangedragen aanvullingen van de feiten voorts een inhoudelijk standpunt wordt ingenomen, zal het hof bij de inhoudelijke beoordeling van het geschil daarop ingaan.
Toerekenbare tekortkoming

5.3

[appellant] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de tussen partijen gesloten overeenkomst(en). Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] aldus dat de oorzaak van de tegenvallende resultaten van de door hem geëxploiteerde vestiging van [handelsnaam] in [plaats] , te wijten is aan [geïntimeerden] , omdat zij, in strijd met de op hen als franchisegevers rustende zorgplicht, hebben nagelaten [appellant] intensief te adviseren en te begeleiden bij de exploitatie van de vestiging. [appellant] stelt daartoe dat [geïntimeerden] hem hebben toegezegd dat door [handelsnaam] direct na de opening van de [plaats] vestiging vijf instructeurs aan [appellant] ter beschikking zouden worden gesteld, zodat die vestiging een vliegende start zou maken en [appellant] van meet af aan een behoorlijke omzet zou draaien of in ieder geval break-even zou kunnen draaien. [handelsnaam] heeft echter, in strijd met deze toezegging, slechts één instructeur aan [appellant] ter beschikking gesteld. Ook zijn de resultaten zoals die door [geïntimeerden] aan [appellant] in de exploitatieprognoses waren voorgelegd, nimmer behaald.

5.4

[geïntimeerden] hebben betwist dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming en stellen - kort gezegd - dat de tegenvallende omzet van de door [appellant] geëxploiteerde vestiging van [handelsnaam] aan hemzelf te wijten is geweest.

5.5

Ten aanzien van de stelling dat [geïntimeerden] in strijd met de door hen gedane toezegging daartoe, te weinig instructeurs aan [appellant] ter beschikking hebben gesteld waardoor [appellant] onvoldoende klanten kon werven en opleiden, overweegt het hof als volgt.
[geïntimeerden] hebben erkend dat [appellant] voor de betaling van de entree fee (onder andere) nieuwe instructeurs uit het opleidingsinstituut ter beschikking gesteld zou krijgen. Zij stellen echter nimmer een specifiek aantal instructeurs aan [appellant] te hebben toegezegd. Anders dan [appellant] stelt, kan zulks naar het oordeel van het hof ook niet worden afgeleid uit enkel de hoogte van de door hem betaalde entree fee, terwijl de overgelegde e‑mailcorrespondentie d.d. 24 maart 2011 evenmin grondslag voor die stelling biedt. Weliswaar schrijft [voormalig echtgenote] , de (voormalig) echtgenote van [appellant] , in haar e-mail d.d. 24 maart 2011 dat "hij zou beginnen met zeker 5a6 mensen (wel te verstaan nieuwe instructeurs)", maar uit de correspondentie blijkt niet dat [geïntimeerden] hebben toegezegd dat zij direct na de opening van de vestiging te [plaats] vijf instructeurs aan [appellant] ter beschikking zouden stellen.

5.6

[appellant] heeft bewijs aangeboden van zijn stelling dat [geïntimeerde 2] hem in bijzijn van zijn ex-echtgenote [voormalig echtgenote] heeft toegezegd vijf instructeurs ter beschikking te zullen stellen. Het hof zal dit bewijsaanbod echter als niet ter zake dienend passeren, omdat, ook indien de stelling zou worden bewezen, dit niet tot de conclusie kan leiden dat [geïntimeerden] wanprestatie hebben gepleegd. Het hof overweegt daartoe dat [geïntimeerden] hebben gesteld dat, hoewel zij geen specifiek aantal instructeurs hadden toegezegd, [appellant] terstond na aanvang van de opening van de vestiging in [plaats] zes instructeurs ter beschikking zijn gesteld, te weten [instructeur 1] , [instructeur 2] , [namen instructeurs] . Door de vele klachten van deze instructeurs, met name over de houding van [appellant] en het niet afdragen van examengelden ten behoeve van de instructeurs, hebben de instructeurs echter na een korte periode de samenwerking met [appellant] verbroken.
Ter onderbouwing van deze stelling verwijzen [geïntimeerden] naar de verklaring van de aan [appellant] ter beschikking gestelde instructeur [instructeur 2] d.d. 16 juni 2011, in welke verklaring de volgende passages opgenomen:
"Ik was klaar met de opleiding en ik zou gaan starten, ik was toen onwijs blij met de vestiging omdat [appellant] [ [appellant] ] mij zou helpen met de leerlingen en de aanvraag van cbr examens. Er is tegen mij gezegd dat ik, wanneer er een datum nodig zou zijn, geld zou overmaken en [voormalig echtgenote] het zou aanvragen. (…)
Plots had ik een factuur op de deurmat liggen welke berekend was over 23 leerlingen. Ik heb niet eens zo veel leerlingen en daarvan zaten er ook leerlingen bij die A-pakketen hadden van wie dus ook al het examengeld overgemaakt was naar [appellant] . Na gebeld te hebben naar [appellant] en [voormalig echtgenote] heb ik gezegd waarom moet ik dat vooruit betalen en ik het geld niet voorhanden heb omdat ik nog in de opbouw ben. Het moest want dat was nou eenmaal zo. Met veel gezeur en gedreig dat als ik niet zou betalen [appellant] failliet zou gaan want jullie ( [Y] en [geïntimeerde 2] ) waren niet van plan [appellant] te helpen met geld om de vestiging te laten draaien. (…)
Helaas daarna had ik een leerling [Z] zij gezakte voor haar examen en zou dus ook een herexamen pakket nodig hebben, ik had [voormalig echtgenote] 1100euro overgemaakt dus neem ik aan dat je gelijk, wanneer ik het doorgeef en vraag er een nieuwe datum aanvraag direkt geregeld wordt, nee ik moest nog eens 135 euro betalen aan [voormalig echtgenote] voor een nieuwe datum en pas wanneer het geld binnen was zij hem zou aanvragen, nog geen uur later had [voormalig echtgenote] het geld al binnen maar helaas werd [Z] der herexamen pas 3 weken later aangevraagd, er bleek ineens onderhoud te zijn aan de cbr site dus had zo nog geen geld overgemaakt naar cbr, in mijn ogen smoesje, dan heb ik nog een meisje [A] die had netjes de rijschool gemachtigd 5 weken geleden en moest een ttt voor haar aangevraagd worden. Ik heb het wel tien x aan [voormalig echtgenote] gevraagd maar dan weer storing cbr site (niet ene rc heeft daar last van) toen maakte [voormalig echtgenote] ervan dat ik maar op vakantie moest gaan en zij het zou kopen en als ik dan terug was de datum er zou zijn. Helaas is dat niet gebeurt, gezegt tegen [voormalig echtgenote] en ze zou het afgelopen zondag nu ook echt geregeld hebben, het is vandaag donderdag en nog steeds geen datum bekend (…)
Tot dat er weer werd gezegt door [voormalig echtgenote] en [appellant] dat ik nog examen geld moest betalen dus was het wel erg makkelijk dat het geld bij [appellant] bleef. Ik kon er geen invloed meer op uitoefenen en niks aan doen want het gebeurt toch, ik baalde als een stekker omdat ik deze leerling moet gaan rijden en [appellant] kantje boord ligt dus waarschijnlijk die 1950 niet gebruikt voor mijn examens maar voor zijn vaste lasten te betalen. (…)
Als laatste wil ik dit nog even kwijt en eigenlijk best erg vind bovendien dat wij onze aanmeldingen die wij niet gebruiken door moeten sturen naar [appellant] terwijl andere collega's dan [appellant] toch daar de leerlingen mogen bedienen! [appellant] ze dan uitdeeld aan mijn collega's maar mijn collega's daar dan wel ff voor moeten betalen en dan ook nog eens verschillende prijzen 150 voor de een en 100 euro voor de ander terwijl wij het altijd onder elkaar regelen, Oneerlijke geld klopperij dat doe je gewoon niet, dat kan je niet maken!!!!"
[appellant] heeft de hiervoor weergegeven gang van zaken niet, althans onvoldoende, weersproken. Met het vorenstaande is naar het oordeel van het hof dan ook voldoende vast komen te staan dat aan [appellant] wel degelijk (voldoende) instructeurs ter beschikking zijn gesteld, doch dat deze instructeurs de samenwerking met [appellant] vroegtijdig hebben verbroken omdat [appellant] zich jegens hen onbehoorlijk heeft gedragen en/of zich niet aan zijn verplichtingen heeft gehouden. Van een toerekenbare tekortkoming door
[geïntimeerden] kan om die reden dan ook geen sprake zijn.

5.7

[appellant] stelt voorts, zo begrijpt het hof, dat [geïntimeerden] aan hem een bepaald bedrijfsresultaat hebben toegezegd, welk resultaat nimmer door [appellant] behaald is, zodat [geïntimeerden] ook in zoverre wanprestatie hebben gepleegd.
Het hof onderschrijft deze stelling van [appellant] niet en overweegt daartoe het volgende. [appellant] heeft zich ter onderbouwing van zijn stelling beroepen op diverse door [handelsnaam] vervaardigde exploitatiebegrotingen, ten aanzien waarvan
[geïntimeerden] zouden hebben aangegeven dat de daarin weergegeven resultaten 'realistisch en haalbaar' waren. [geïntimeerden] betwisten dat de exploitatiebegrotingen een garantie inhielden en stellen dat de overzichten enkel dienden om [appellant] een aantal getallen ter beschikking te stellen teneinde zelf prognoses en budgetten op te kunnen stellen. Daargelaten of [geïntimeerden] door middel van het overleggen van de exploitatiebegrotingen inderdaad aan [appellant] een bepaald te behalen bedrijfsresultaat hebben toegezegd, overweegt het hof dat het achterblijven van de omzet ten opzichte van deze exploitatiebegrotingen, niet automatisch betekent dat sprake is geweest van onzorgvuldig of onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] Voor dat laatste is méér nodig, zoals het verstrekken van onjuiste informatie. Door [appellant] zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, waaruit is af te leiden dat van het geven van onjuiste voorstellingen van zaken sprake is geweest.
Het ligt voor de hand dat de in de exploitatiebegrotingen weergegeven resultaten nimmer zijn behaald als gevolg van oorzaken die in de risicosfeer van [appellant] liggen, zoals de hierboven bedoelde problemen met instructeurs. Het hof overweegt in dat kader dat
[geïntimeerden] onderbouwd, en door [appellant] niet voldoende gemotiveerd weersproken, hebben gesteld dat zij na aanvang van de vernieuwde samenwerking diverse negatieve signalen van franchisenemers in de regio over [appellant] hebben ontvangen, onder andere inhoudende dat [appellant] zijn verplichtingen jegens hen niet na kwam en door de franchisenemers aan hem betaalde examengelden in zijn zak heeft gestoken in plaats van deze te gebruiken voor de inkoop van examens bij het CBR. [geïntimeerden] hebben in dit kader verwezen naar het e‑mailbericht van [appellant] aan [instructeur 1] , een van de rijinstructeurs van de [plaats] vestiging van [handelsnaam] , d.d. 17 september 2012, waarin [appellant] het volgende schrijft:
"Je zult je moeten wenden naar [geïntimeerde 2] , voor je geld voor examens en TTT's.
Jou betalingen aan de vestiging zijn ook aangewendt voor huur, electra, gas, ed.
Hierdoor ben je geld verloren dankzij de [handelsnaam] die zijn afspraken naar mij toe niet zijn nagekomen."
en naar het e-mailbericht van [naam klant] , een van de klanten van [handelsnaam] , gericht aan [appellant] d.d. 19 juni 2011, waarin de volgende passage is opgenomen:
"Met verbazing heb ik uw bericht gelezen. Nadat ik een proefles heb gehad, heb ik meerdere malen gevraagd om een planning van de rijlessen. Ik werd verwezen naar ' [instructeur 2] ' die echter met vakantie bleek te zijn. De overeenkomst was gesteld op een examendatum op 24 juni, met daarvoor 14 dagen geplande rijlessen. Tot op heden (19 juni) heb ik niets van jullie ontvangen. Hierbij stel ik [handelsnaam] dan ook in gebreke en de overeenkomst als ongeldig."
Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat de tegenvallende resultaten van de door [appellant] geëxploiteerde vestiging van [handelsnaam] hun oorzaak vinden in omstandigheden die voor rekening en risico van [appellant] komen. Van wanprestatie van de zijde van [geïntimeerden] is derhalve ook op dit punt geen sprake.

5.8

Voor zover [appellant] zich nog op het standpunt heeft gesteld dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zijn geschoten doordat zij in het algemeen een op hen rustende zorgplicht niet zijn nagekomen, overweegt het hof als volgt.
hebben onderbouwd aangevoerd welke diensten zij aan [appellant] als franchisenemer hebben verleend. Deze diensten bestonden onder andere uit de inkoop voor reclame, de vervaardiging van professioneel drukwerk en theoriematerialen, de (zo nodig) beschikbaarstelling van lesauto's, het verstrekken van inkoopkortingen voor verzekeringen, het gebruik va een goed functionerende website waarbij nieuwe leerlingen worden doorverwezen naar de betreffende franchisenemers, de aanwezigheid van knowhow in de vorm van een opleidingscentrum, het aanbieden van opleidingen via de [handelsnaam] , waaronder vakopleidingen, interne commerciële trainingen en een ondernemersopleiding en ondersteuning en opleidingen op het gebied van boekhouding en bedrijfsadministratie.
Nu [appellant] niet, althans onvoldoende, heeft betwist dat [geïntimeerden] de genoemde diensten aan hem verleend hebben, is het hof van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd in welk opzicht [geïntimeerden] voorts nog in de nakoming van hun zorgplicht jegens hem tekort zouden zijn geschoten. De stelling van [appellant] dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zijn geschoten doordat zij in het algemeen de op hen rustende zorgplicht niet zijn nagekomen, wordt dan ook verworpen.

5.9

Het hof concludeert op grond van het vorenstaande dat van toerekenbaar tekortschieten door [geïntimeerden] bij de uitvoering van de tussen partijen gesloten overeenkomst(en) niet is gebleken. [appellant] heeft voorts onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat, ondanks het feit dat [geïntimeerden] niet toerekenbaar tekort zijn geschoten, niettemin sprake is van onrechtmatig handelen aan hun zijde.

5.10

Gelet op het vorenoverwogene behoeft hetgeen [appellant] heeft gesteld omtrent het
intreden van verzuim (zonder ingebrekestelling) thans geen nadere bespreking.
De persoonlijke aansprakelijkheid van [geïntimeerde 2]

5.11

Met zijn vijfde grief stelt [appellant] dat de rechtbank [geïntimeerde 2] ten onrechte niet persoonlijk aansprakelijk heeft geacht.

5.12

Voor zover [appellant] aan zijn grief ten grondslag legt dat tussen hem en [geïntimeerde 2] in privé een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen in de nakoming waarvan [geïntimeerde 2] tekort zou zijn geschoten, gaat het hof hieraan voorbij, nu [appellant] nog geen begin van een onderbouwing van deze stelling - die door [geïntimeerden] uitdrukkelijk wordt betwist - heeft gegeven.

5.13

Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] voor het overige aldus dat [geïntimeerde 2] naar zijn mening een ernstig persoonlijk verwijt valt te maken omdat het voor [geïntimeerde 2] voorzienbaar was dat [geintimeerde 1 (bedrijf)] haar verplichtingen jegens [appellant] niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden ten gevolge van die wanprestatie.
Nu het hof in het vorenstaande evenwel geoordeeld heeft dat van wanprestatie en/of onrechtmatig handelen van de zijde van [geintimeerde 1 (bedrijf)] geen sprake is, dient het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde 2] ten gevolge van wanprestatie persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden, reeds om die reden te stranden.
De lening

5.14

Tussen partijen staat vast dat [appellant] op grond van een geldleningsovereenkomst d.d. 24 maart 2011 een bedrag van € 6.000,- van [geïntimeerden] heeft geleend, op welke lening [appellant] maandelijks € 500,- diende af te lossen. [geïntimeerden] hebben ter zake van de lening een bedrag van € 1.000,- verrekend met door [appellant] verzonden facturen.

5.15

[appellant] komt tot slot nog op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij

[geïntimeerden] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst nog een bedrag van € 5000,- dient te voldoen. [appellant] stelt dat hij een deel van deze vordering van [geïntimeerden] mocht verrekenen en ook heeft verrekend met de door hem aan [geïntimeerden] verzonden facturen. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [appellant] naar een viertal facturen van 15 oktober 2011 en 22 oktober 2011, alle ter hoogte van € 309,40.

5.16

Nu [geïntimeerden] de juistheid van de door [appellant] in het geding gebrachte facturen niet hebben betwist terwijl zij evenmin hebben betwist dat het partijen was toegestaan facturen te verrekenen met de maandtermijnen van de geldleningsovereenkomst, overweegt het hof dat [appellant] de in oktober 2011 verzonden facturen met een totaalbedrag van € 1.237,60 heeft mogen verrekenen met de openstaande lening ad € 5.000,- zodat
[geïntimeerden] thans nog aanspraak kunnen maken op een bedrag van € 3.762,40. Het hof zal de veroordeling (in reconventie) van [appellant] tot betaling van de het resterende deel van de geldlening dan ook tot het laatstgenoemde bedrag verlagen. In zoverre slaagt het hoger beroep.
De slotsom

5.17

De slotsom is dat het vonnis van 18 december 2013 voor zover het betreft de in reconventie gegeven beslissing deels dient te worden vernietigd. Het hof zal, in zoverre opnieuw rechtdoende, [appellant] veroordelen om een bedrag van € 3.762,40 aan
[geïntimeerden] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 15 mei 2013 tot de dag van volledige betaling.

5.18

Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd.

5.19

Het hof zal [appellant] , als overwegend in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van het hoger beroep (tarief II, 1 punt).

De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 18 december 2013, voor zover [appellant] daarbij in reconventie is veroordeeld om een bedrag van € 5.000,- te vermeerderen met wettelijke rente aan [geïntimeerden] te voldoen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerden] een bedrag van € 3.762,40 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 15 mei 2013 tot de dag van volledige betaling;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op € 704,- voor verschotten en € 894,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. H.E. de Boer, mr. C.J.H.G. Bronzwaer en mr. N.A. Baarsma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2015.