Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9267

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
17-12-2015
Zaaknummer
200.158.097
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vallen de gevorderde kosten van het ingeschakelde particuliere recherchebureau onder artikel 241 Rv?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2016/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.158.097

(zaaknummer rechtbank Gelderland 2529762)

arrest van 8 december 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.J. Verweij,

tegen:

de stichting

Stichting Standvast Wonen,

gevestigd te Nijmegen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Standvast,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 18 juli 2014 dat de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Nijmegen) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 16 oktober 2014,

- de verstekverlening tegen Standvast,

- de zuivering van het verstek door Standvast,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis van 18 juli 2014. Omwille van de leesbaarheid van het arrest zal het hof hieronder deze feiten weergeven.

3.2

Standvast is als woningcorporatie in de regio Nijmegen werkzaam en gehouden personen te huisvesten die een kwetsbare positie hebben en op sociale huurwoningen zijn aangewezen.

3.3

Standvast heeft de woning [adres] te [woonplaats] verhuurd aan [appellant] en kreeg in 2008 uit informatie, afwezigheid van [appellant] en het energiegebruik van [adres] het vermoeden dat [appellant] al geruime tijd niet meer in deze woning woonde.

3.4

Desgevraagd ontkende [appellant] dit, ook als getuige tegenover het hof in een door Standvast aangespannen procedure waarin zij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning vorderde. Daarin had het hof Standvast toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat [appellant] toerekenbaar jegens haar tekortschoot door de woning niet te bewonen.

3.5

Standvast heeft vervolgens om te onderzoeken of [appellant] aan [adres] te [woonplaats] woonde een particulier recherchebureau (VKSS) ingeschakeld.

3.6

VKSS heeft gerapporteerd dat de mededelingen van [appellant] over zijn woonachtig zijn aan [adres] onjuist waren.

3.7

Het hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat Standvast geslaagd is in het onder 3.4 hierboven bedoelde bewijs. De huurovereenkomst tussen Standvast en [appellant] is op 30 juli 2013 door het hof ontbonden.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Standvast heeft in eerste aanleg gevorderd veroordeling van [appellant] tot betaling aan haar van € 7.373,69 met rente en kosten.

4.2

De kantonrechter heeft bij uitvoer bij voorraad verklaard vonnis van 18 juli 2014 [appellant] veroordeeld om aan Standvast te betalen een bedrag van € 7.373,69, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 oktober 2013 tot aan de dag van volledige betaling en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

In deze zaak gaat het om beantwoording van de vraag of de door Standvast in verband met het door haar ingeschakelde particuliere recherchebureau gemaakte en in de onderhavige procedure gevorderde onderzoekskosten voor vergoeding in aanmerking komen. De kantonrechter heeft deze vraag bevestigend beantwoord. [appellant] kan zich hiermee niet verenigen.

5.2

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

5.3

Volgens [appellant] vallen de gevorderde kosten niet onder 6:96 lid 2 onder b BW maar onder artikel 241 Rv, omdat zij in het kader van de door het hof aan Standvast in hoger beroep gegeven bewijsopdracht zijn gemaakt. Voor zover dit niet opgaat, zijn de kosten volgens [appellant] door de gevolgde procedure ‘verkleurd’ (‘van kleur verschoten’). Ten slotte stelt [appellant] zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW, omdat het inschakelen van het recherchebureau noch de hoogte van de gemaakte kosten redelijk is.

5.4

Het hof overweegt als volgt. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat voor Standvast voldoende reden bestond om een recherchebureau in te schakelen, gelet op het feit dat Standvast door het hof was belast met een moeilijk te leveren ‘negatief bewijs’, het niet wonen aan de [adres], en op de terughoudende opstelling van rechters bij het bewezen achten van de te bewijzen opgedragen omstandigheid dat een huurder het gehuurde niet gebruikt, zeker nadat [appellant] als getuige tegenover het hof in de ontbindingsprocedure zelf ontkend had de woning niet te gebruiken. Het hof is verder van oordeel dat VKSS mede gelet op de inhoud van het uitgebrachte rapport geen onnodig uitgebreid onderzoek heeft gedaan. Zowel het inschakelen van het recherchebureau als de hoogte van de gemaakte kosten doorstaat dus de redelijkheidstoets.

5.5

De door Standvast gevorderde kosten zijn geen proceskosten in de zin van artikel 241 Rv. Onder artikel 241 Rv vallen kosten van processuele aard, in het bijzonder kosten voor door een advocaat/gemachtigde verrichte handelingen ter voorbereiding van gedingstukken en in het kader van instructie van de zaak (al hetgeen hij moet doen om zich een beeld te vormen van de zaak, de daarop eventueel te baseren rechtsvordering, en de proceskansen: feitenvergaring, juridische analyse van de feiten, bewijsgaring). De kosten van inschakeling van een externe deskundige (in een procedure), waarmee het inschakelen van een particulier recherchebureau is te vergelijken, vallen niet onder artikel 241 Rv en zijn niet te beschouwen als de te liquideren kosten. De gevorderde kosten zijn geen kosten in het kader van instructie van de zaak. Nu de gevorderde kosten niet onder artikel 241 Rv vallen, kunnen zij door de gevolgde procedure niet ‘van kleur zijn verschoten’.

5.6

De stelling van [appellant] dat het onderzoek niet relevant was in het kader van de bewijsopdracht, omdat de tekortkoming in een andere periode zou hebben plaatsgevonden, gaat niet op. De bewijsopdracht zag niet op feiten en omstandigheden uit een bepaalde periode.

5.7

Het hof is met [appellant] van oordeel dat Standvast de gevorderde kosten in de eerdere procedure had kunnen meenemen. Daartoe was zij echter niet verplicht. Gelet op het stadium van de eerdere procedure waarin VKSS is ingeschakeld, is het overigens niet onbegrijpelijk dat Standvast dat heeft nagelaten. [appellant] heeft onvoldoende toegelicht waarom sprake zou zijn van misbruik van recht door Standvast om in een aparte procedure betaling van de onderzoekskosten te vorderen.

5.8

Nu [appellant] in eerste aanleg terecht is veroordeeld tot betaling van de onderzoekskosten, is hij ook terecht in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld. Hij is immers de in het ongelijk gestelde partij.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Standvast zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 704,-

- salaris advocaat € 632,- (één punt x tarief I)

Totaal € 1.336,-.

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Nijmegen) van 18 juli 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Standvast vastgesteld op € 704,- voor verschotten en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, S.B. Boorsma en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 december 2015.