Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:9250

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2015
Datum publicatie
29-09-2017
Zaaknummer
200.123.630
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2015:1082
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stankhinder; (stuiting van) verjaring;

Vereniging van Eigenaren (VvE) vereniging als bedoeld in artikel 3:305a BW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.101.597 en 200.123.630

(zaaknummer rechtbank Arnhem 210734)

arrest van de tweede civiele kamer van 8 december 2015

in de zaak met nummer 200.101.597 van:

1 [appellant 1] , wonende in [plaatsnaam] ,

2. [appellant 2], wonende in [plaatsnaam] ,

3. [appellant 3], wonende in [plaatsnaam] ,

4. [appellant 4], wonende in [plaatsnaam] ,

5. [appellant 5], wonende in [plaatsnaam] ,

en

6. [appellant 6], wonende in [plaatsnaam] ,

appellanten,

verweerders in het incident,

hierna: [appellanten] ,

advocaat: mr. W.A. Verbeek,

tegen:

1 [geïntimeerde] , wonende in [plaatsnaam] ,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Deve Pluimveebedrijf B.V., gevestigd te Boekel,

geïntimeerden,

eisers in het incident,

hierna: gezamenlijk [geïntimeerden]
en afzonderlijk [geïntimeerde] onderscheidenlijk Deve Pluimveebedrijf B.V.,

advocaat: mr. D.H.J. Kochx,

en in de zaak met nummer 200.123.630 van:

1 [geïntimeerde] , wonende in [plaatsnaam] ,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Deve Pluimveebedrijf B.V., gevestigd te Boekel,

appellanten in het principaal beroep,

geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

hierna: gezamenlijk [geïntimeerden]

en afzonderlijk [geïntimeerde] en Deve Pluimveebedrijf B.V.,

advocaat: mr. D.H.J. Kochx,

tegen:

1 [appellant 1] , wonende in [plaatsnaam] ,

2. [appellant 2], wonende in [plaatsnaam] ,

3. [appellant 3], wonende in [plaatsnaam] ,

4. [appellant 4], wonende in [plaatsnaam] ,

5. [appellant 5], wonende in [plaatsnaam] ,

en

6. [appellant 6], wonende in [plaatsnaam] ,

geïntimeerden in het principaal beroep,

appellanten in het voorwaardelijk incidenteel beroep,

hierna: [appellanten] ,

advocaat: mr. W.A. Verbeek.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 februari 2015 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte overlegging productie na tussenarrest van [appellanten] ;

- de antwoordakte van [geïntimeerden]

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep in beide zaken

2.1

Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat:

- de grieven 1, 3 en 4 in het principaal beroep (dit is het principaal hoger beroep van [geïntimeerden] ; de zaak met nummer 200.123.630) falen;

- de grief in het hoger beroep van [appellanten] (de zaak met nummer 200.101.597) faalt.

In verband met de tweede grief in het principaal beroep, die naar het oordeel van het hof in het tussenarrest reeds faalde, in zoverre het de – door [geïntimeerden] betwiste – rechtsgeldigheid van de stuitingshandeling door de aanmaningsbrief van de Vereniging van Eigenaren en anderen d.d. 31 maart 2004 betreft, heeft het hof van [appellanten] om nadere reactie verzocht. [geïntimeerden] stelden zich in verband met de verzending van bedoelde aanmaningsbrief (mede) namens de geïntimeerden 1, 2, 3, 5 en 6 in het principaal beroep [appellanten in het hoger beroep van [appellanten] , hof] als zodanig immers op het standpunt dat de Vereniging van Eigenaren (VvE) geen vereniging zou zijn als bedoeld in artikel 3:305a BW. Tegen de achtergrond van het optreden van de VvE, kennelijk ter behartiging van de soortgelijke belangen van haar leden, zag het hof daarom aanleiding de VvE [naar partijen blijkens hun akten ook hebben begrepen was bedoeld: [appellanten] , hof] in verband met het vereiste van volledige rechtsbevoegdheid opgenomen in artikel 3:305a BW, te verzoeken bij akte in het geding te brengen: - de statuten van de VvE ten blijke van haar volledige rechtsbevoegdheid en de formulering van haar doelstelling, zodat kan worden beoordeeld of deze is gelegen op het gebied van de
behartiging van de onderhavige belangen van haar leden.
[geïntimeerden] werden in de gelegenheid gesteld op (alleen) deze akte te reageren. Ten aanzien van dit deel van de tweede grief in het principaal beroep werd verder iedere beslissing dus aangehouden.

Ook de vijfde grief in het principaal hoger beroep, de proceskostenveroordeling in eerste aanleg betreffende, werd in afwachting van de verdere beoordeling van grief 2 van [geïntimeerden] aangehouden.

2.2

[appellanten] hebben bij hun akte overlegging productie na tussenarrest de statuten van de vereniging ‘ [recreatiepark] ”’ als productie 1 HB in het geding gebracht.

[geïntimeerden] hebben bij antwoordakte op die akte gereageerd.

2.3

Uit bedoelde statuten blijkt dat de VvE een vereniging is met volledige rechtsbevoegdheid.

Artikel 2 onder 1 van de statuten voorts luidt als volgt:

‘1. Het doel van de vereniging is:

a. het behartigen van de belangen van de eigenaren van de te stichten of reeds gestichte recreatie-villa’s in het [recreatiepark] ” (…);

b. (…)

c. al dat gene te verrichten dat met het vorenstaande rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.’

De doelstelling van de vereniging is dus (mede) gelegen op het gebied van de behartiging van de onderhavige belangen van haar leden.

De VvE kon gelet op het voorgaande derhalve de verjaring stuiten van vorderingen van personen voor wier belangen zij opkomt, waaronder tevens hun vorderingen tot vergoeding van schade (Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:HR:NL:2014:766).

De verweren van [geïntimeerden] , als mede geformuleerd in hun antwoordakte onder 2, kunnen zodanige stuiting dus niet verhinderen. Het hof gaat dan ook uit van stuiting van de verjaring van de vorderingen van [appellanten] door de VvE.

Grief 2 in het principaal beroep faalt derhalve ook in zoverre.

2.4

Het hof komt daarmee toe aan de schade. Zoals het hof in het tussenarrest onder 5.16 reeds heeft overwogen, vormt het schadebedrag van € 150,- per maand, zonder verdere differentiatie, een redelijke maatstaf voor de berekening van de desbetreffende schade die ex aequo et bono wordt vastgesteld, zodat de vonnissen van de rechtbank van 29 februari 2012 en 27 juni 2012 in zoverre zullen worden bekrachtigd. [appellant 6] heeft zijn vordering naar aanleiding van de memorie van grieven in het principaal beroep bij memorie van antwoord onder 5.5 verminderd tot € 3.600,- verminderd, vermeerderd met een bedrag ad € 596,41 aan wettelijke rente tot 1 januari 2011, overeenkomstig de (subsidiaire) stellingname van [geïntimeerden] bij memorie van grieven onder 47, zodat dienaangaande vernietiging van genoemde vonnissen van de rechtbank zal plaatsvinden en de vordering van [geïntimeerden] tot restitutie door [appellant 6] aan [geïntimeerden] ter hoogte van een bedrag ad
(€ 12.094,38 - € 4.196,41 = ) € 7.897.97, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling (6 mei 2013) tot de dag der voldoening zal worden toegewezen.

2.5

Het voorgaande brengt mede dat ook grief 5 in het principaal hoger beroep faalt.

Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

2.6

De voorwaarde voor het voorwaardelijk incidenteel beroep in de zaak met nummer 200.123.630 is niet vervuld, zodat aan dat beroep niet wordt toegekomen.

3. Slotsom

3.1

De grieven in het principaal beroep falen en de grief in het hoger beroep van [appellanten] faalt. De bestreden vonnissen van 5 oktober 2011, 29 februari 2012 en
27 juni 2012 moeten worden bekrachtigd, behoudens voor zover het veroordeling van [geïntimeerden] volgens de vonnissen van 29 februari 2012 en 27 juni 2012 jegens [appellant 6] betreft, omdat deze tot € 4.196,41, zal worden verminderd, en voorts zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011. Aan het voorwaardelijk incidenteel beroep in de zaak met nummer 200.123.630 wordt niet toegekomen.

In het hoger beroep van [appellanten] (de zaak met nummer 200.101.597)

3.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 666,-

- salaris advocaat € 1.737,- (1,5 punten x tarief III)

Totaal € 2.403,-.

In het principaal beroep (de zaak met nummer 200.123.630)

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerden] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 299,-

- salaris advocaat € 2.446,50 (1,5 punten x tarief IV)

Totaal € 2.745,50.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

In het hoger beroep van [appellanten] (de zaak met nummer 200.101.597)

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van de rechtbank Arnhem van 5 oktober 2011;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 299,- voor verschotten en op € 1.737,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

In het principaal beroep (de zaak met nummer 200.123.630)

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank van de rechtbank Arnhem van 5 oktober 2011,
29 februari 2012 en 27 juni 2012, wat betreft de beide laatstgenoemde vonnissen behoudens voor zover het de veroordeling van [geïntimeerden] jegens [appellant 6] betreft, vernietigt deze vonnissen in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling van € 4.196,41 aan [appellant 6] (eiser sub 6 in eerste aanleg), vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2011;

veroordeelt [appellant 6] tot terugbetaling aan [geïntimeerden] van € 7.897,97, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2013 tot de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 666,- voor verschotten en op € 2.446,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.J.F.N. van Osch en L.F. Wiggers-Rust en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 december 2015.