Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2015:913

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-02-2015
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
200.137.563-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Conversie van verboden cessie tot overdracht in (stil)pandrecht. Pandhouder was niet bevoegd om (verpande) vordering over te dragen. Toekomstige vorderingen zijn in de boedel achtergebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2015-0057
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.137.563/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden C/17/122048)

arrest van de eerste kamer van 10 februari 2015

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen:

1 [geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna: [geïntimeerde], en

2. Triple E Meubilair B.V.,

gevestigd te Winsum (Friesland),

hierna: Triple E,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden

hierna: gezamenlijk [geïntimeerden]

advocaat: mr. W.M. Sturms, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

22 mei 2013 dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 20 augustus 2013,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord,

- een akte zijdens [appellant],

- de antwoordakte van [geïntimeerden]

2.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten (zoals deels ook beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het vonnis van 22 mei 2013).

3.2

[appellant] heeft in samenwerking met [X] (in of omstreeks 1988) een

lichtgewicht sandwichpaneel uitgevonden en geconstrueerd voor onder meer standbouw. De

wijze van totstandkoming van dit lichtgewicht sandwichpaneel is vastgelegd in een

onderhandse akte die op 23 december 1987 bij notaris mr. [notaris] te [woonplaats] is

gedeponeerd. In deze onderhandse akte is onder meer vermeld:

Licht gewicht sandwichpaneel

1. Probleemstelling

Honingraat geeft kwalitatief onvoldoende verlijming

met plaatmateriaal, lijmoppervlakte te klein.

2. Idee:

Oppervlakte van de te lijmen vlakken vergroten,

door:

vezeldekens geïmpregneerd met kunsthars met als

tussenlaag honingraat welke in 1 keer wordt samengeperst

waardoor 1 compact plaat ontstaat.

Bekend is dat een vezeldeken geïmpregneerd met een kunststof zowel uit de

thermoplastische als de thermohardende kunststoffen door samenpersing onder druk een

harde plaat levert, een zogenaamde vezelversterkte kunststof

Voorbeelden hiervan zijn o. a. Sheet Molding Compounds (S. M. C).

Hier wordt als vezelmateriaal glas gebruikt en als kunststof onverzadigde

polyesterharsen.

Het idee is nu deze vezelachtige deken geïmpregneerd met een kunststof te leggen op een

zogenaamde honingraatstructuur, dan de deken samen te persen waardoor verrassenderwijze

een harde deklaag ontstaat en tevens een zeer goede hechting wordt verkregen met de

honingraatstructuur.

De verrassing bestaat hierin dat men een harde plaat kan construeren op een zeer holle

honinggraatstructuur, terwijl het oppervlak geheel vlak blijft".

3.3

[appellant] was destijds directeur van het bedrijf [bedrijf 1] (hierna te

noemen: [bedrijf 1]).

3.4

[bedrijf 1] heeft met betrekking tot het lichtgewicht sandwichpaneel op 19 mei 1988

een Nederlandse octrooiaanvraag gedaan bij het Nederlands Octrooibureau. Met instemming

en medeweten van [bedrijf 1] is de octrooiaanvraag voortgezet door [bedrijf 2]

(hierna te noemen: [bedrijf 2]).

3.5

In de octrooiaanvraag is onder meer vermeld:

De aanvrage heeft betrekking op gevormde voorwerpen met een sandwich-constructie meer in het bijzonder op lichtgewicht sandwich-constructies, bestaande uit vezels van natuurlijke of synthetische aard, honinggraat-structuren en bindmiddelen op kunststofbasis.

De aanvrage heeft tevens betrekking op een werkwijze voor de vervaardiging van genoemde sandwich-constructies.

(…)

Er werd nu verrassenderwijs gevonden, dat men op een eenvoudige en doeltreffende wijze lichtgewicht sandwich-constructies met een goede mechanische sterkte kan vervaardigen door uit te gaan van een honinggraat-structuur en deze aan beide open zijden te bekleden met een vezeldeken van niet of nagenoeg niet gebonden vezels, die een nog niet uitgeharde, thermohardende kunststof in uiterst fijnverdeelde toestand als bindmiddel bevat en het geheel vervolgens bij verhoogde temperatuur en druk samen te persen.

(...)

Aangezien het contact-oppervlak van de honingraat met de vezeldeken hoogstens enkele procenten van het totale oppervlak bedraagt, is het verrassend dat met de werkwijze volgens de uitvinding een uitstekende hechting tussen de samenstellende delen tot stand komt en een sandwich-constructie met een voortreffelijke mechanische sterkte wordt verkregen. De volgens de werkwijze van de uitvinding verkregen sandwich-constructie is aan weerszijden bekleed me: een gladde, vlakke kunststof-plaat, waarvan de dikte afhankelijk is van de dikte van de vezeldeken en van de hoeveelheid toegepast kunststof bindmiddel".

3.6

Bij schriftelijke overeenkomst van 12 juli 1989 (hierna: de overeenkomst), gesloten

tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] heeft [bedrijf 1] haar kennis ter zake van voornoemde methode, alsmede de octrooiaanvraag en de daaruit voortvloeiende rechten aan [bedrijf 2]

overgedragen. Bij het sluiten van de overeenkomst is [bedrijf 1] destijds vertegenwoordigd door haar directeur [appellant]. In deze overeenkomst is onder meer bepaald:

"IN AANMERKING NEMENDE.

dat [bedrijf 1] een methode heeft ontwikkeld om op basis van een vezeldeken, een honingraatconstructie en een thermohardende kunsthars via een one-shot systeem een sandwichpaneel te construeren;

(...)

dat [bedrijf 1] haar kennis ter zake van voornoemde methode alsmede voornoemde octrooiaanvrage en de daaruit voortvloeiende rechten aan [bedrijf 2] wil overdragen.

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

1. De huidige kennis ter zake van voornoemde methode, zomede voornoemde

octrooiaanvrage en de daaruit voortvloeiende rechten worden vooralsnog om niet

overgedragen.

2. [bedrijf 2] verplicht zich de verdere ontwikkeling, noodzakelijk om tot een voor de

markt aanvaardbare sandwichconstructie te komen, voort te zetten.

3. [bedrijf 2] verplicht zich de onderhavige octrooiaanvrage procedure voort te zetten

zover als mogelijk is en zonodig buitenlandse octrooiaanvrage procedures te starten, indien

in het betreffende buitenland een markt voor het sandwichpaneel aanwezig is.

4. Indien de sandwichconstructie na eventuele verdere ontwikkeling en octrooiverlening op de markt gebracht en verkocht gaat worden, dan zal aan [bedrijf 1] - na beëindiging van de 0-serie - een vergoeding worden voldaan bestaande uit de volgende percentages van de bruto-omzet van de sandwichconstructie:

2% tot 2 miljoen gulden

3% van 2 tot 5 miljoen gulden

4% van 5 miljoen gulden en meer,

zulks voor een periode van 10 jaar vanaf het einde der 0-serie.

5. [bedrijf 2] zal op eerste verzoek van [bedrijf 1] aan een door dezen aan te wijzen

registeraccountant haar administratie/financiële stukken ter inzage geven ter controle van de hierboven sub 4 genoemde omzet.

6. [bedrijf 2] is verplicht en verbindt zich jegens [bedrijf 1], die dit voor zich aanvaardt, de

ingevolge deze overeenkomst op [bedrijf 2] rustende verplichtingen bij overdracht van haar onderneming en/of de onderhavige octrooiaanvrage en de daaruit voortvloeiende rechten in welke en onder welke titel dan ook, aan die opvolger ten behoeve van [bedrijf 1] op te leggen dan wel van de overeenkomst tot overdracht genoemde verplichtingen woordelijk te doen deel uitmaken, zulks op verbeurte van een direct opvorderbare boete ad een miljoen gulden, met bevoegdheid van [bedrijf 1] de eventueel meer geleden schade ook te vorderen.

3.7

De octrooiaanvraag is doorgezet door [bedrijf 3] De naam van deze onderneming is later veranderd in [geïntimeerde]. Het octrooi is op 5 augustus 1992 verleend.

3.8

[geïntimeerde] bezit het octrooi sinds 1992. Sindsdien heeft [geïntimeerde] tot en met 2005 de jaartaksen voor de instandhouding van dit octrooi betaald.

3.9

[geïntimeerde] is sinds 1999 enig aandeelhouder/bestuurder van Triple E. De onderneming

van Triple E houdt zich onder meer bezig met de productie van inklapbare tafels en

podiumdelen. Triple E heeft zelf een opklapsysteem geoctrooieerd.

3.10

In een notariële akte van 15 juli 1991, met [appellant] als vertegenwoordiger van [bedrijf 1] en zijn vader [vader] als comparanten is onder meer het volgende opgenomen:

dat [bedrijf 1] wegens ter leen ontvangen gelden schuldig is aan de komparant sub 2 de heer [vader] een bedrag groot f 15.000,00;

dat gemeld bedrag oorspronkelijk was geleend door de komparant sub 2 aan de komparant sub 1, persoonlijk, die het op zijn beurt had ter leen verstrekt aan [bedrijf 1];

dat de komparant sub 1, persoonlijk, vervolgens zijn vorderingsrecht op [bedrijf 1] heeft overgedragen aan de komparant sub 2, zodat zij over en weer uit dien hoofde niets meer van elkaar te vorderen hebben;

dat derhalve de komparant sub 2 thans crediteur is van de vennootschap;

dat zij zijn overeengekomen dat [bedrijf 1] zekerheid zal stellen voor de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van gemelde geldlening;

dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] een octrooiovereenkomst hebben gesloten, waarvan blijkt uit een aan deze akte gehechte kopie van een desbetreffend onderhands stuk

dat artikel 4 van gemelde octrooiovereenkomst luidt als volgt:

(…)

Vervolgens verklaarde de komparant sub 1, in zijn gemelde hoedanigheid, over te dragen de rechten van [bedrijf 1] op [bedrijf 2] op vergoeding(en) uit hoofde va gemelde octrooiovereenkomst, zoals hiervoor verwoord in artikel 4.

De komparant sub1 verklaarde, in zijn gemelde hoedanigheid, aan de komparant sub 2 de bevoegdheid te verlenen om deze cessie aan [bedrijf 2] te betekenen, en die vergoedingen te innen, daarvoor aan [bedrijf 2] kwijting te geven en zonodig rechtsmaatregelen te nemen tegenover laatstgenoemde.

[bedrijf 1] staat er voor in dat zij de enige gerechtigde is en at zij bevoegd is voormelde vordering te cederen en dat de gecedeerde vordering vrij van beslag is en van daarop rustende zakelijke genots- en zekerheidsrechten.

De komparanten verklaarden dat al hetgeen [bedrijf 2] aan de komparant [vader] betaalt in mindering zal strekken van de schuld van [bedrijf 1] aan de komparant [vader].

Zodra de gehele schuld van [bedrijf 1] aan de komparant [vader] zal zijn afgelost, is laatstgenoemde verplicht om de vordering op [bedrijf 2] weer terug over te dragen aan [bedrijf 1].

Vervolgens verklaarden comparanten dat alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, interessen, boetes en andere uitgaven en schaden, hoe ook genaamd, voortvloeiende uit het incasseren van de hierbij over te dragen vordering, ten laste komen van [bedrijf 1], met inbegrip van de kosten van deze overeenkomst en van de bij die incassering betrokken rechtskundige raadsman, voorzover die niet op de wederpartij zijn te verhalen”.

3.11

[bedrijf 2] en [bedrijf 1] zijn in 1993 failliet gegaan.

3.12

Het octrooi is in december 2005 vervallen vanwege het niet betalen van de jaartaks.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

In eerste aanleg heeft [appellant], samengevat, gevorderd dat [geïntimeerden] worden veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, tot het geven van inzage, aan een door [appellant] te kiezen registeraccountant, in de financiële gegevens en omzet van de bedrijven die producten vervaardigen conform het octrooi, alsmede dat op basis van de verkregen gegevens betreffende de omzet een vergoeding zoals overeengekomen in het contract wordt vastgesteld, welke vergoeding is te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW), een en ander met de veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding.

4.2

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen op grond van de overweging dat [appellant] geen partij is bij de overeenkomst en dat, nu niet is gebleken dat [bedrijf 1] haar rechten uit de overeenkomst aan [appellant] heeft overgedragen, [appellant] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht; niet is niet komen vast te staan dat [appellant] enig recht aan het octrooi kan ontlenen. Reeds daarom, zo overwoog de rechtbank, kan [appellant] [geïntimeerden] niet aanspreken tot nakoming van de in de overeenkomst genoemde verplichtingen, nog daargelaten dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de vordering jegens Triple E, nu het octrooi slechts bij [geïntimeerde] berust(te). Daaraan voegde de rechtbank als bijkomende grond nog toe de gevorderde inzage te onbepaald te achten om te kunnen worden toegewezen.

4.3

Tegen dat vonnis heeft [appellant] in hoger beroep twee grieven aangevoerd, die ertoe strekken dat zijn vordering alsnog wordt toegewezen. Die vordering luidt, na wijziging van eis in hoger beroep, aldus dat het hof:

a. [geïntimeerden] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag zal veroordelen om [appellant] binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen arrest, te verschaffen: alle door een gecertificeerd accountant geverifieerde gegevens van [geïntimeerden] betreffende de productie van producten waarbij gebruik is gemaakt van de (doorontwikkelde) sandwichconstructie, althans tot het geven van inzage in de (financiële) administratie van [geïntimeerden] op grond van artikel 843a Rv;

b. voor recht zal verklaren dat [appellant] recht heeft op een vergoeding conform de berekening van artikel van de overeenkomst van 12 juli 1989, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat [geïntimeerde] en Triple E de producten op de markt hebben gebracht die zij met de uitvinding van [appellant] verder hebben kunnen ontwikkelen;

c. [geïntimeerden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van het onder “ b” bedoelde bedrag,

met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten indien deze niet binnen veertien dagen na arrestwijzing zijn voldaan.

4.4

Nu [geïntimeerden] tegen de eiswijziging als zodanig geen bezwaren hebben geuit zal het hof, nu van enig relevant beletsel ook niet is gebleken, recht doen op de gewijzigde eis.

4.5

In hoger beroep heeft [appellant] nader uitgewerkt waarom hij degene meent te zijn die nakoming van de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen kan vorderen. Hij doet daartoe een beroep op de hiervoor onder 3.10 weergegeven akte van cessie krachtens welke de vorderingsrechten inzake de vergoeding op zijn vader [vader] zouden zijn overgegaan. Vervolgens, zo stelt [appellant], heeft zijn vader de rechten aan hem gecedeerd, waartoe hij verwijst naar een handgeschreven verklaring, gedateerd 15 februari 1992, waarin staat geschreven dat [vader] verklaart “te hebben overgedragen: de rechten van het patent “[bedrijf 2]” aan [appellant] wonende te [plaats], [adres], [postcode], voor de som van f 10.000,- te betalen in gedeeltes, nader overeen te komen”. Onder het stuk staan de namen van [appellant] en [vader], beide voorzien van een handtekening. Op deze wijze, zo stelt [appellant], zijn – zoals van meet af aan de bedoeling was – de rechten eerst aan [vader] overgedragen om deze vervolgens over te dragen aan [appellant] in privé zodat hij, degene die de vlasconstructie had uitgevonden, de vorderingen(en) kon opeisen .

4.6

[geïntimeerden] hebben deze overdrachten gemotiveerd betwist met twee verweren die beide opgaan.

4.7

In de eerste plaats betogen zij terecht dat de overdracht in de akte van 15 juli 1991 een cessie tot zekerheid behelst, die krachtens art. 86 lid 1 Overgangswet per 1 januari 1992 is omgezet in een stil pandrecht. De bewoordingen van deze akte impliceren dat partijen destijds in 1991 (slechts) een “stille” zekerheid hebben willen verschaffen en dat zij, zoals voor 1 januari 1992 te doen gebruikelijk was, uitsluitend voor overdracht hebben gekozen omdat de wet tot die datum een stil pandrecht op vorderingen niet toestond. Dat deze overdracht tot zekerheid strekt – dat wil zeggen: slechts de strekking heeft [vader] in zijn schuldeiserbelangen te beschermen – volgt in het bijzonder uit de verplichting van [vader] om de vordering op [bedrijf 2] terug te leveren zodra de schuld van [bedrijf 1] zou zijn voldaan. De bevoegdheid van de cessionaris, [vader], om over de vordering te beschikken is aldus, zij het louter obligatoir, tot dit verhaalsdoeleinde beperkt. Beoogd is om hem in staat te stellen de vordering tot het beloop van zijn aanspraak op de cedent, [bedrijf 1], te innen. Uitdrukkelijk is bepaald dat de te innen bedragen op de vordering jegens [bedrijf 1] in mindering strekken, en niet dat reeds met de cessie de schuld van [bedrijf 1] aan [vader] is voldaan, hetgeen in de rede zou liggen bij een werkelijke overdracht. De bepaling dat alle lasten voortvloeiend uit het incasseren van de vordering voor rekening van [bedrijf 1] blijven is eveneens een aanwijzing dat het om een cessie tot zekerheid gaat. Het opnemen van deze clausuleringen, in het bijzonder de terugleveringsverplichting, impliceert dat partijen niet voor ogen heeft gestaan dat [vader] bevoegd zou zijn de vordering in zijn geheel (dus ook boven het beloop van zijn vordering op [bedrijf 1]) aan een derde te vervreemden, maar dat zij dit juist hebben willen tegengaan. Met het opnemen van die verplichting is dan ook niet te rijmen dat, zoals [appellant] ter onderbouwing van een werkelijke overdracht stelt, het altijd de bedoeling is geweest van [appellant] en zijn vader om de vorderingsrechten uit de overeenkomst eerst aan [vader] in privé en vervolgens aan [appellant] in privé over te dragen met het oogmerk dat [appellant], als de uitvinder de vlasconstructie, de vordering op zou kunnen eisen. Nu ook overigens onverklaard blijft waarom vader en zoon [appellant] (althans [bedrijf 1]) deze geclausuleerde cessie hebben gekozen wanneer zij een werkelijke overdracht wensten, gaat het hof voorbij aan de stelling dat partijen bij de akte een werkelijke overdacht hebben beoogd en dat zij deze akte niet hadden ondertekend wanneer zij op de overgangsrechtelijke gevolgen van de gekozen formulering zouden zijn gewezen. Overigens is weinig aannemelijk dat de notaris geen melding heeft gemaakt van de (gevolgen van) de op handen zijnde (en op 15 juli 1991 als ruim bekende) wetswijziging.

4.8

Het gevolg van de conversie van art. 86 Overgangswet is geweest dat [vader] op 15 februari 1992 geen eigenaar van de vordering doch slechts (stil) pandhouder was en als zodanig in beginsel niet bevoegd was om die vordering aan [appellant] over te dragen. Omstandigheden die dat anders maken, heeft [appellant] niet gesteld. De handgeschreven verklaring van [vader] en [appellant] van 15 januari 1992, wat daar verder ook van zij, kan daarom niet de gestelde overdracht hebben bewerkstelligd aan [appellant] van het bedoelde vorderingsrecht op [bedrijf 2].

4.9

In de tweede plaats wijzen [geïntimeerden] erop dat tussen [bedrijf 1] en [vader] geen sprake is geweest van contractsovername maar van cessie en dat deze cessie betrekking had op toekomstige vorderingen. Anders dan zij echter menen, waren deze vorderingen wel reeds zodanig bepaalbaar dat zij voor overdracht vatbaar waren. Zij vinden hun onmiddellijke grondslag immers in de reeds gesloten koopovereenkomst die in artikel 4 voldoende nauwkeurig omschrijft wanneer onder welke voorwaarden de aanspraken zouden ontstaan. Dat ten tijde van de overdracht nog geen vorderingen waren ontstaan en dat op dat moment ook onzeker was of dat ooit zou gebeuren, doet aan die bepaalbaarheid niet af. In zoverre faalt het verweer.

4.10

Het gegeven dat sprake is van toekomstige vorderingen in combinatie met de stelling van [geïntimeerden] dat deze toekomstige vorderingen niet zijn overgegaan op [vader] maar in de boedel van het failliete [bedrijf 1] thuishoren/zijn achtergebleven, roept echter de vraag op naar de gevolgen van het in 1993 uitgesproken faillissement van [bedrijf 1]. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat partijen het erover eens zijn dat de gestelde overdracht tussen vader en zoon [appellant] op 15 februari 1992, wat daarvan verder ook zij, ten tijde van het faillissement van [bedrijf 1] nog niet aan de debitor cessus ([bedrijf 2], dan wel [geïntimeerden]) was medegedeeld en dus naar het toen geldende recht nog geen overgang tot gevolg had gehad. In die omstandigheden kan het antwoord op voornoemde vraag vanwege artikel 35 lid 2 van de Faillissementswet niet anders luiden dan dat deze vorderingen in de boedel zijn gevallen. Dat betekent dat deze vorderingen, nadat het faillissement was opgeheven, in de boedel zijn achtergebleven in die zin dat eventuele later opeisbaar geworden rechten uit hoofde van artikel 4 van de overeenkomst van 12 juni 1989 hooguit als nagekomen baten aan de schuldeisers van [bedrijf 1] zouden kunnen toekomen. Bij dat oordeel betrekt het hof nog dat is gesteld noch gebleken dat de curator van de gestelde overdrachten op de hoogte is geweest en/of dat hij [appellant] (dan wel [vader]) als rechthebbende op de vorderingen heeft erkend.

4.11

De slotsom is dat [appellant] ook in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij rechthebbende op de vorderingen is geworden. Van bewijslevering kan dan geen sprake zijn.

5 Slotsom

5.1

De grieven falen zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Die kosten worden vastgesteld op aan griffierecht en op € 1.341,- (1,5 punt x tarief II) voor salaris.

5.3

Als niet weersproken zullen bij de proceskosten ook de nakosten worden toegewezen, evenals de wettelijke rente over die kosten.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 22 mei 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 683,- aan griffierecht en op € 1.341,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening.

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. F.W.J. Meijer, mr. R.E. Weening, en mr. M. Schut en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 10 februari 2015.